Bekeerd tot betere belg

Benno Barnard, Door God bij Europa verwekt. Uitgeverij Atlas, 206 blz., 339,90
DOOR GOD bij Europa verwekt, een bundeling essays en reisverslagen van Benno Barnard, is een ondubbelzinnige liefdesverklaring aan België. Het eerste hoofdstuk maakt duidelijk hoe de liefde tot stand is gekomen. Ze begon met de albums van Suske en Wiske, en wel die waarin het duo nog met de Vlaamse tongval spreekt.

Een professorale vriend van zijn vader ‘een geest vol groot-Nederlandse cultuur, een ziel vol Antwerps sentiment’ bracht ze in zijn jeugd thuis op de planken en vanaf dat moment is hij verkocht. Inmiddels bewoont hij al een aantal jaren als een minotaurus het Belgisch labyrint en hij voelt er zich thuis alsof het voor hem gebouwd is.
België aan je hart sluiten of hartgrondig haten - het lijkt wel of er voor niet-Belgen geen tussenweg mogelijk is. Apollinaire verbleef een tijd in Stavelot en wist zich door de Ardenner lucht in een bucolische roes gedompeld. Baudelaire daarentegen had de pest aan het land, evenals Voltaire, die Brussel eens een oord van 'droefheid, ellende, botheid en stompzinnige onverschilligheid’ noemde. In Arm België (1864) richt Baudelaire zijn gifpijlen vooral op het luiwammesengedrag van de bewoners, hun kleinsteedsheid en kleingeestigheid. Zijn spot is bijtend, maar intussen hebben de Belgen hem niet onberoerd gelaten, misschien vooral omdat ze fluitend door het leven lijken te gaan.
Belgen wisten tot voor kort wel raad met de contradicties waarin hun drietalig land verstrikt zit. De actuele ontwikkelingen doen inmiddels iets anders vermoeden. Een van de beste beschrijvers van die blijkbaar ongrijpbare Belgische ziel is Hugo Claus. In zijn beste boeken - De verwondering (1962), Het verdriet van België (1983) en het recent verschenen De geruchten - doet hij dat wellustig en met een soms onverholen sardonisch genoegen.
Wroeten in de zompige aarde van de Vlamingen is hem wel toevertrouwd. Zonder de moralist uit te hangen toont hij zich gefascineerd door dat merkwaardige mengsel van opportunisme, anarchisme en politieke buigzaamheid, van provincialisme en grootsteedsheid dat sommigen de Belgen toedichten, die combinatie van katholieke devotie en onverschilligheid tegenover God en de overheid, die onderdanigheid, rommeligheid en tegendraadsheid van hen. De ene keer doet hij er geamuseerd over, de ander keer toont hij bitterheid; soms neemt hij distantie, dan weer voelt hij zich betrokken. Schrijven over zijn land heeft bij hem altijd iets dubbelzinnigs en blijft daardoor boeiend.
DAT IS BIJ Benno Barnard wel anders. Zijn bewondering voor zijn nieuwe thuisland is onvoorwaardelijk. België kan hem niet Belgisch genoeg zijn, krijgt de lezer voortdurend te horen op een toon die geen tegenspraak duldt. Pagina’s lang zingt hij de lof van de belgitude, het moeilijk te begrijpen 'vrolijk, epicurisch, zacht-cynisch karakter’ van de Belgen dat het hun mogelijk maakt om elk opkomend conflict om te buigen naar een onbloedig compromis. De 'solution belge’ heet dat met een deftig woord: de vrede aan de tap onder het genot van een pint of bolleke. Kom daar eens om in dat kissebissige en verpolitiekte Holland. Die belgitude 'carboniseert zijn burgerlijkheid, maakt zijn fatsoen anachronistisch, zijn discretie opwindend, zijn welvoeglijkheid subversief en zijn ernst dadaïstisch’ analyseert Barnard ronkend, ze draagt bij 'tot de levensvreugde van de Belgische Belg, voor wie het Belg-zijn ook een strategische kant heeft: hoe minder de anderen van België begrijpen, hoe beter.’
BENNO BARNARDS treurnis om het feit dat hij van origine geen Belg is, zit nogal diep en maakt van hem het type bewonderaar dat veel weg heeft van de bekeerling. De eigen identiteit wordt vlot ingeruild voor een andere, wat blijft is de zoektocht naar het waarom van zijn beslissing om met het verleden te breken. Die breuk moet steeds opnieuw gerationaliseerd worden en dat gebeurt dan ook regelmatig in deze 'genealogische autobiografie’, zoals hij het boek noemt in een aantekening achterin.
Geen echte Belg, dan maar een 'belgicist’ moet hij hebben gedacht, dus doopte hij zich zo en werd er een met een haarscherp gevoel voor wie een Belg is en 'een betere Belg’, zoals hij Geert van Istendael noemt, aan wie het boek is opgedragen. Het is echter de vraag of deze kwalificatie hem wel deugd doet.
Een bekeerling is nooit zo ingekeerd of hij zoekt zich wel een vijand, meestal is dat de oude rot in hemzelf. Benno Barnard mag in dit opzicht voorbeeldig heten. Uiteraard hebben de 'Hollanders’ het bij hem gedaan - het woord 'Nederlander’ komt in zijn vocabulaire slechts mondjesmaat voor.
Met zijn vroegere landgenoten heeft hij maar weinig op. Ze zijn alles wat niet mag of kan: schetterend zelfgenoegzaam, benepen, luidruchtige kraaien, wijsneuzig, zwaarlijvig, betweters, arrogant, subtiele zelfhaters, platvloers, mercantiele hoeren. Maar uiteindelijk is dat hele vermadedijde Holland toch vooral de duivel in hemzelf, bekent hij heel chic, alsof daarmee al die grove generaliseringen er in één klap niet meer toe doen: 'Ik haat iets in mezelf, de Hollandse cultuur is een spiegel waarin ik naar een monsterlijke vergroting van mijn eigen bekrompenheid staar, mijn eigen tics, mijn eigen…’
Een andere typische trek van Barnard is zijn behoefte om recht te praten wat krom is. Met verbijstering heb ik bijvoorbeeld het hoofdstuk 'Thuis in Antwerpen’ gelezen, zijn draaikontige analyse over de bezetting van die stad door het Vlaams Blok in oktober 1994. Nog voor hij de betekenis van de verkiezingsuitslag maar half heeft kunnen doorgronden, staat hij al klaar met de mantel der liefde: de xenofobie valt wel mee, de grote roerganger van het Blok, Filip Dewinter, heeft geen ideologie, hij 'geilt alleen op macht’.
Daarbij is de volkstribuun eigenlijk uit Brugge afkomstig, weet hij, een dode stad volgens het wereldbeeld van de Antwerpenaar, een stad die even ver weg ligt als Casablanca. En bovendien wordt de joden in Antwerpen geen strobreed in de weg gelegd. Een lichte euforie maakt zich van hem meester bij de gedachte dat er 'nergens anders in Europa zoveel fascistische kiezers en chassidische joden bij ekaar wonen als hier… Ikzelf woon dus midden in de geschiedenis!’
DIE GESCHIEDENIS van België is zo ongeveer de rode draad in het boek. Reizend langs de boorden van het land tekent hij in namen en jaartallen, anekdoten, historische gegevens, weetjes en feiten, herinneringsbeelden en actuele informatie een portret van België als het eeuwige slagveld van de grote mogendheden.
In zijn blik overheerst het historische aspect het sociologische. Op zijn uitstapjes wint de belangstelling voor parafernalia als plaquettes, zerken, zuilen en grenspalen en de aandacht voor de eigen besognes het glansrijk van die voor de inwoners en hun activiteiten in de streken die hij bezoekt. Dat is naast de omgeving van Eupen, Malmédy, Stavelot en het Drielandenpunt, de oostelijke periferie dus, de drassige Westhoek met de IJzer en het dubieuze Vlaams bedevaartsoord Diksmuide, de vlakte waar in 1914-1918 de Eerste Wereldoorlog tot stilstand kwam in een web van loopgraven waarin honderdduizenden de dood vonden.
Naar het centrum van het land reizend komt hij in stads België uit, in Brussel en Antwerpen en de joodse gemeenschappen aldaar. Het meest curieuze hoofdstuk heet 'Zwartrokken’. Daarin worden de dichter Gezelle en de collaborateur Verschaeve bij elkaar gebracht ter ere van het Vlaams en de Vlaamse zaak. Zo'n combinatie bedenkt alleen de allerbeste Belg en dat is, zo heeft Benno Barnard me duidelijk gemaakt, een belgicist.