Bekentenissen van een monster (2)

HET SHOWPROCES tegen Borislav Herak werd gebruikt om druk uit te oefenen op de oprichting van een Internationaal Tribunaal voor Oorlogsmisdrijven. Regeringsinstanties in Sarajevo benadrukten de betekenis van het eerste proces tegen oorlogsmisdadigers in Sarajevo. Ze spraken de hoop uit dat de aanvoerders van de belegeraars van de Bosnische hoofdstad spoedig gearresteerd en voor een tribunaal gebracht zouden worden. De belangstelling van de Bosnische Moslimstrategen concentreerde zich vooral op de toenmalige president van de Servische Republiek in Bosnië-Herzegovina, Radovan Karadzic. Evenals de Joegoslavische president Slobodan Milosevic werd hij in het Westen beschouwd als vermoedelijke oorlogsmisdadiger.

Herak gaf nieuw voedsel aan een eventuele vervolging van Karadzic. Tijdens het proces noemde hij hem herhaaldelijk als degene die zogenaamde verkrachtingsbevelen had uitgevaardigd ter versterking van de krijgsmoraal van Servische soldaten - opnieuw een verwijzing naar het feit dat deze kroongetuige als instrument voor andere doeleinden werd gebruikt: Herak noemde niet de militaire bevelhebber van de Bosnische Serviërs, generaal Ratko Mladic, maar hun politieke leider, Radovan Karadzic. En dat is - met alle respect voor de slachtoffers van verkrachting tijdens deze oorlog - heel ongeloofwaardig.
HET DOOR SARAJEVO geconstrueerde verband tussen het proces tegen oorlogsmisdadigers in Sarajevo en het geplande VN-tribunaal in Den Haag werpt de vraag op of er niet nog meer plannen zijn gesmeed.
Er zijn aanwijzingen die erop duiden dat regeringsvertegenwoordigers in de Bosnische hoofdstad met de gedachte hebben gespeeld Herak als kroongetuige aan Den Haag uit te leveren. In de reeds genoemde gesprekken met westerse journalisten van CNN en de New York Times eiste Herak in januari 1996 met zoveel woorden gehoord te worden door dat Tribunaal. Ook zijn voormalige celgenoot Dragomir Vasiljevic deelde mee dat Herak in het voorjaar van 1994 telkens weer over Den Haag had gepraat. Er is zelfs reden om de vraag te stellen of Herak niet het aanbod heeft gekregen dat men zou afzien van het doodvonnis als hij een uitvoerige bekentenis aflegde, waarna hij aan Den Haag zou worden uitgeleverd.
In het genoemde NYT-artikel van 31 januari 1996 stond ook te lezen: ‘De Bosnische regering (…) zou ruim de tijd hebben genomen voor de voltrekking van het doodvonnis omdat men hoopte dat internationale onderzoekers voldoende bewijzen zouden vinden om beide mannen bij een afzonderlijk proces in Den Haag aan te klagen. Dat zei een officiële woordvoerster van de regering. Het Internationale Tribunaal voor Oorlogsmisdrijven wilde hierop geen commentaar geven.’
Zijn er tekenen dat Den Haag inderdaad met een dergelijke gedachte heeft gespeeld? Een medewerkster van het Tribunaal in Den Haag, bij de auteur met name bekend, verklaarde dat Heraks getuigenverklaringen inderdaad vertaald en gecontroleerd zijn voor de onderzoekers van het Tribunaal. Al gauw kwam men echter tot het inzicht dat de man ongeloofwaardig was en dus niet bruikbaar - noch als getuige à charge, noch als beklaagde in Den Haag.
CONTACT MET HET Tribunaal voor Oorlogsmisdrijven van de Verenigde Naties is ook door de andere kant gelegd. De advocaat van Damjanovic, Branko V. Maric, heeft zich al op 9 februari 1994 tot het VN-Tribunaal in Den Haag gewend met het verzoek dit proces over te nemen. Hij beschreef uitvoerig hoe men zich tijdens het proces niet had gehouden aan internationale conventies, hij beschreef de tegenspraken in Heraks getuigenverklaring, de ontbrekende bewijzen en de medische attesten over marteling van zijn cliënt. Op verschillende manieren, per fax en per post, heeft hij die brief naar Nederland verzonden, en hij besloot met de mededeling te hopen dat Den Haag het recht zou doen zegevieren: 'In elk geval stel ik voor dat het Internationale Gerechtshof uitstel van executie eist tot een definitief oordeel kan worden geveld.’
Advocaat Maric heeft lang op antwoord moeten wachten. In een tweede brief van 22 maart 1996 probeerde hij nogmaals contact op te nemen met het Tribunaal. Hij herinnerde aan zijn eerdere brief en vroeg waarom hij nooit antwoord had gekregen. De plaatsvervangend officier van justitie van het Tribunaal, Graham T. Blewitt, antwoordde hierop in een kort briefje, gedateerd 17 april 1996. Hij verontschuldigde zich voor het feit dat hij niet al eerder positie had gekozen, maar hij gaf Maric ook ondubbelzinnig te verstaan dat het Tribunaal niet gemachtigd was deze zaak over te nemen. Daarom was men niet van plan de 'zaken van zijn cliënten te controleren’ of 'in enigerlei vorm in deze aangelegenheid te interveniëren’.
Destijds was al duidelijk dat twee van de zogenaamde slachtoffers van Damjanovic nog in leven waren. Bovendien had men ook van andere zijde contact opgenomen met de officieren van het Tribunaal, onder wie ook Blewitt, om hen te informeren over het kennelijke showkarakter van het proces tegen Herak, Damjanovic en Tomic.
In een gezamenlijk persbericht van de vertegenwoordiging van de officieren van het Tribunaal en de 'Vereniging van Kampbewoners 1991’ werd op 1 november 1995 beschreven hoe een delegatie van genoemde organisatie, gezeteld in Belgrado, aan het Tribunaal een reeks dossiers met aanklachten wegens marteling, mishandeling en andere vergrijpen tegen internationale humanitaire wetten had overhandigd. De slachtoffers van deze misdrijven waren hoofdzakelijk Serviërs: 'De officieren reageerden verheugd op deze gelegenheid om samen te werken met de vereniging en haar leden en beloofden het materiaal te controleren en over te gaan tot vervolgonderzoeken en ondervragingen.’
Over de inhoud van het gesprek zijn geen bijzonderheden bekendgemaakt. De persvoorlichter van het Tribunaal, Christian Chartier, heeft echter in een brief van 1 april 1997 bevestigd dat deze ontmoeting in november 1995 tot een aanklacht voor het Tribunaal heeft geleid. Tegen vier Bosnische Moslims die als bewakers in het kamp Celebici bij Konjic Servische en Kroatische gevangenen zouden hebben mishandeld, wordt momenteel een proces voorbereid.
GEEN RESULTAAT IS bereikt met het verzoek van vertegenwoordigers van de organisatie uit Belgrado om ook aandacht te schenken aan het doodvonnis tegen Herak en Damjanovic.
Bij de ontmoeting in Den Haag was de voormalige celgenoot van Herak, Dragomir Vasiljevic, aanwezig. Na zijn vrijlating uit de gevangenis in Sarajevo in de zomer van 1994 werd hij door familie in Belgrado in huis genomen. Later heeft hij zich bij de organisatie van voormalige Servische gevangenen aangesloten. Vasiljevic verklaarde in een interview dat hij de hoofdofficier van justitie van het Tribunaal, Richard Goldstone, en diens medewerkers had verteld over de martelingen die hij had moeten ondergaan, en ook over het lot van Borislav Herak. Deze beschreef hij als geestelijk gestoord en hoogstwaarschijnlijk een slachtoffer van marteling, gedwongen tot valse getuigenverklaringen. Bovendien verklaarde hij dat hij tijdens dit bezoek aan Den Haag nog een keer was verhoord door een onderzoeker die volgens hem van de FBI was.
Een maand later, toen Vasiljevic opnieuw in Den Haag was, werd hem meegedeeld dat een onderzoeker Herak in Sarajevo had bezocht en met de autoriteiten aldaar had gesproken.
Over de inhoud van de gesprekken in Den Haag en de reden waarom de onderzoekers van het Tribunaal de zaak-Herak niet wilden overnemen, weigerde Chartier zich uit te laten. Officieren van justitie noemen nooit hun redenen, verklaarde hij in zijn brief.
Toen Blewitt een paar weken later, in april 1996, een brief aan advocaat Maric stuurde en hem meedeelde dat het Tribunaal er niet over dacht deze zaak te onderzoeken, waren er al onderzoekingen ingesteld die in tweeërlei opzicht tot een negatief resultaat leidden.
Enerzijds was er bij het Tribunaal kennelijk geen sprake van dat Herak naar de getuigenbank gehaald zou worden. De enige logische verklaring hiervoor luidt dat men niet voldoende geloof hechtte aan diens verhalen. Als men daarentegen vertrouwd had op zijn uitspraken, dan zou Herak de ideale kroongetuige voor de officieren van het Tribunaal zijn geweest.
Hoewel men in Den Haag en ook bij andere westerse instellingen steeds weer de handhaving van de mensenrechten als prioriteit voor het eigen handelen benadrukt, laat men de diverse inspanningen voor een herziening van de doodvonnissen links liggen.
DE ZAAK-BORISLAV Herak zou moeten leiden tot een kritisch onderzoek naar het werk van de westerse media. Vast staat dat men in het verhitte klimaat in Sarajevo heel graag bereid was kritische uitlatingen ten aanzien van de kwaliteit en rechtmatigheid van het eerste proces tegen oorlogsmisdadigers te negeren. Zeer bereidwillig echter heeft men destijds twijfelachtige verhalen omgezet in sensationele krantekoppen. Herak heeft duidelijk gediend als symbolische haatfiguur.
Maggie O'Kane, die het proces als correspondente van het Britse dagblad The Guardian bijwoonde, beschreef de sfeer bij de opening van het proces op 21 maart 1993 aldus: 'Alle driehonderd mensen in de zaal waren journalisten of medewerkers van de rechtbank. Plaatselijke bewoners waren niet aanwezig. Toen Herak door een zijdeur de zaal binnenkwam, schoten fotografen en cameralieden, die tevoren geloot hadden om hun zitplaats, haastig over de vloer. Zeven minuten lang kropen en kronkelden ze over en onder de beklaagde. De rechters sloegen dat schouwspel vanuit hun banken gade. Hierak sloeg zijn ogen neer en tuurde naar een plek op de vloer. Zodra hij waagde op te kijken, klonk onmiddellijk het geratel van camera’s.’
Van de driehonderd journalisten in de zaal hadden enkelen weliswaar grote bezwaren tegen de manier waarop dit showproces werd gepresenteerd, maar dat had nauwelijks effect. Toen Eagleburger in december 1992 Herak tot massamoordenaar had uitgeroepen, was voor veel journalisten het oordeel al geveld. De Britse krant Daily Mail had een dag na de toespraak van Eagleburger in Genève geschreven dat Herak wegens 'moorden op tweehonderddertig burgers tijdens een orgie van zes maanden’ tot het vuurpeloton veroordeeld was (17 december 1992).
Het proces tegen Herak was, wat de kwaliteit van de berichtgeving over Bosnië betreft, een stapje terug. De zaak-Herak was de katalysator voor een nieuwe golf van huiveringwekkende, al even ongefundeerde berichten over zogenaamde massale verkrachtingen in de Bosnische oorlog. Journalisten van het type Roy Gutman en Alexandra Stiglmayer, die hun bronnen vaak uit de tweede en derde hand hebben en daarnaast de staatsinstanties raadplegen, kregen nog meer gezag in kranten van naam.
Van een artikel in het blad Newsweek van 4 januari 1993, dat veel aandacht heeft gekregen, was Stiglmayer mede-auteur. Zij herhaalde speculaties die ze al eerder in Europese kranten had gedaan. 'Niemand weet hoeveel slachtoffers er zijn, de schattingen variëren van dertig- tot vijftigduizend, voor het merendeel moslims’, aldus Newsweek. Er was sprake van herhaalde verkrachtingen van zes- en zevenjarige kinderen. De minister van Buitenlandse Zaken van Bosnië-Herzegovina, Silajdzic, werd geciteerd. Hij had gezegd dat verkrachtingen een systematisch onderdeel van de volkenmoord tegen de moslims vormden. 'Onder druk geven officiële Bosnische vertegenwoordigers toe dat hun taxaties berusten op prognoses op basis van een relatief klein aantal getuigenverklaringen’, zo kon de lezer inderdaad te weten komen.
Toch zette men ook bij Newsweek geen vraagtekens bij het feit dat men dergelijke berichten, waarvan het propagandakarakter overduidelijk was, had verspreid. Met de constatering: 'verkrachtingen zijn de ultieme handeling in het Servische vernietigingsprogram’ werd de twijfel aan de geloofwaardigheid van dergelijke berichten zelfs opgeheven. Artikelen over het lot van talloze duizenden verkrachte vrouwen en hun kinderen verschenen in het voorjaar van 1993 in alle kranten ter wereld.
Ook Roy Gutman, journalist van Newsday en winnaar van de Pulitzerprijs, wijdde zich aan dit thema. Op 19 april 1993 beschreef Gutman in Newsday verkrachtingskampen als onderdeel van de Servische krijgsstrategie, en Radovan Karadzic werd door hem genoemd als bedenker van deze politiek.
DE MEDIA LEVERDEN zelf ook weer leuzen voor politici Bijvoorbeeld voor de Duitse parlementariër Stefan Schwarz (CDU), die in december 1992 met een toespraak voor de Bondsdag alle kranten wist te halen. Hij sprak in Bonn over Servische artsen die foetussen van honden in de buiken van moslimvrouwen hadden ingeplant, en over het braden van moslimkinderen in ovens. Op 7 februari reisde Schwarz met Bondsdagvoorzitster Rita Süβmuth en andere parlementariërs voor een conferentie over het thema verkrachtingen naar Zagreb, waar hij nog meer verhalen van deze aard verkondigde.
Ook in een spectaculair verslag van veertien pagina’s over een EU-onderzoek onder leiding van Anne Warburton werden gruwelijke aanklachten tegen de Serviërs ingediend. In dit begin januari verschenen document werden twintigduizend vermoede verkrachtingen genoemd. Er stond ook in dat Warburton slechts met enkele verkrachtingsslachtoffers contact had opgenomen! Zo waste de ene hand de andere. De propaganda naar aanleiding van massale verkrachtingen bleef een paar maanden een van de belangrijkste thema’s in de berichtgeving.
De zaak-Herak paste volkomen in deze hysterie. Een dergelijk klimaat versterkte het beeld van de Serviërs als monsters die niet met mensen te vergelijken waren, zelfs niet met Duitse nazi’s. Jadranka Cigelj, voormalig HDZ-activiste en voormalig kampbewoonster van Omarska, die nu voor het Kroatische propaganda-apparaat werkte, bracht deze visie op een conferentie van het omstreden Internationale Genootschap voor Mensenrechten in het Italiaanse Merano aldus onder woorden: 'Vergeleken met de foltermethoden van de Serviërs was de Gestapo slechts een ambachtsschool. De Serviërs bemannen de hogeschool van de martelkunst. Destijds waren mensen ten nog een nummer. Wij waren helemaal niets.’ (Rheinische Merkur, 12 april 1996)
OP BEWIJZEN VOOR het bestaan van verkrachtingskampen en voor de verbijsterende aantallen slachtoffers moeten de media wereldwijd nog steeds wachten, zoals op een professionele bewijsvoering in het proces tegen Herak, Damjanovic en Tomic. Het wordt tijd dat er opruiming wordt gehouden onder de propagandasprookjes van deze oorlog. Alleen op die manier kan de basis worden geschapen voor een vreedzaam samenleven van de strijdende partijen. Alleen op die manier kan de geschiedenis van de Bosnische oorlog op een eerlijke manier worden geschreven.
Veel correspondenten van deze oorlog moeten zich afvragen waarom ze bereidwillig propaganda hebben doorgegeven, en welke gevolgen dat heeft voor hun professionele aanzien. Nik Gowing, een belangrijke BBC-journalist met wereldreputatie, heeft onlangs op een internationale mediaconferentie in Boston gesproken van een 'geheime schande’ voor de complete mediawereld. 'Ik geloof dat daar een kankergezwel zit waardoor de journalistiek wordt aangetast’, verklaarde hij. 'Volgens mij is dat het onuitgesproken thema van de partijdigheid en eenzijdigheid in de buitenlandse berichtgeving.’ Het was een taboe en het riep ketterse reacties op wanneer men in mediakringen op dit thema inging, zo verweet hij zijn collega’s (Los Angeles Times, 22 april 1997).
DAT VEEL mediarepresentanten ook in de zaak-Borislav Herak de grenzen van de serieuze journalistiek te buiten zijn gegaan, is boven twijfel verheven. Schrikwekkend is het door Gowing bekritiseerde tekort aan bereidheid kritisch te kijken naar de eigen berichtgeving. Een artikel van Jean Hatzfeld in de Franse krant Libération, getiteld 'De bloeddorstige Tsjetnik en zijn verzonnen slachtoffers’, deelde bijvoorbeeld wel mee dat de zogenaamde slachtoffers van Damjanovic, Asim en Kasim Blekic, in leven bleken te zijn. Dat feit verzachtte de ophitsende toon tegen de Serviërs echter geenszins (22 maart 1997).
Van Burns, die zich voor de New York Times inmiddels met andere onderwerpen bezighoudt, kon ik geen commentaar krijgen. Ongetwijfeld heeft hij zich in november 1992 bij het interview van Herak op de grens van het journalistiek fatsoen bewogen. De vraag of het vanuit journalistiek standpunt legitiem was een interview te maken met een gesprekspartner die kennelijk in verwarring was, en zo'n interview te publiceren, is moeilijk. Ook al omdat in november 1992 de consequenties en de draagwijdte van dat gesprek voor niemand duidelijk waren. Het siert Burns dat hij in zijn tekst voor de NYT ook duidelijk zegt dat Herak een verwarde indruk maakte. Bovendien deelt hij mee dat hij heeft nagegaan of Herak sporen van marteling vertoonde. Verder vertelt hij dat hij een bezoek heeft gebracht aan Heraks vader, die de bekentenis van zijn zoon op de televisie had gezien en tegen de Amerikaanse verslaggever zei dat hij dacht dat zijn zoon de waarheid had gezegd.
In zijn reportages over het proces zegt Burns duidelijk te twijfelen aan de rechtmatigheid van de procedure. Hij had bezwaar tegen het gebrek aan bewijzen, en tegen het feit dat men bij de meeste moorden alleen de voornamen van de zogenaamde slachtoffers noemde, namen die stuk voor stuk afkomstig waren uit Heraks bekentenis (NYT, 31 maart 1997). 'Volgens de meeste maatstaven was dit een ontoereikend proces. Precies één enkel bewijsstuk, de bekentenis van een man met een geschiedenis van geestelijke stoornissen’, schreef Burns in een slotcommentaar, na de uitspraak van het doodvonnis (NYT, 4 april 1997).
De advocaat van Damjanovic, Branko V. Maric, heeft weinig hoop dat er een nieuw proces tegen zijn cliënt komt. Als zijn verzoek opnieuw door de rechtbank in Sarajevo wordt afgewezen, zal er ook niets veranderen in het vonnis. Ook zal Nada Tomic, al is ze nu in vrijheid, verder moeten leven met de aanklacht dat ze de eerste veroordeelde oorlogsmisdadigers in de Bosnische oorlog heeft geholpen.
Maric koestert kennelijk geen enkele illusie als het gaat om officiële westerse instanties. En dat is maar goed ook. Mogelijk komen de gemoederen in Bosnië-Herzegovina tot rust en beginnen oprechte mensen van alle partijen aan onderlinge toenadering. Mogelijk worden ondertussen fouten toegegeven. Mogelijk wordt het eerste proces tegen oorlogsmisdadigers opnieuw gevoerd. De kans op dat alles is een stuk groter dan de kans op een succesvol initiatief van VN-vertegenwoordigers in New York of Den Haag. Die spreken met twee tongen.
Vertaling Tinke Davids