Bekentenissen van een monster in de getuigenbank vertelde de arts dat herak al viermaal zijn polsen had doorgesneden en daarbij telkens weer had genoten als hij zijn eigen bloed zag

HET EERSTE PROCES wegens oorlogsmisdrijven voor de militaire rechtbank in de Bosnische hoofdstad Sarajevo zorgde in maart 1993 voor grote opwinding. Aangeklaagd waren drie Bosnische Serviërs: Sretko Damjanovic (32), Borislav Herak (22) en de vrouw die hen beiden had geholpen bij het verbergen van gestolen goed, de toenmalige levensgezellin van Damjanovic, Nada Tomic (47). Het proces begon op 10 maart en eindigde twintig dagen later met een doodvonnis voor beide mannen en drie jaar gevangenisstraf voor Tomic. Damjanovic en Herak zitten sindsdien in de dodencel. Het vonnis is nog niet voltrokken. Tomic is in 1995, in het kader van een uitwisseling van gevangenen, voortijdig uit de gevangenis ontslagen.

Vier jaar na de uitspraak van de militaire rechtbank zijn er nu talrijke aanwijzingen dat de media destijds getuige zijn geweest van een politiek showproces met ernstige gevolgen. De aanklacht tegen Damjanovic is wat de feiten betreft grotendeels bezweken onder bewijzen van het tegendeel, uitspraken van Herak daarover zijn onjuist gebleken en Tomic heeft in een verklaring onder ede opnieuw haar onschuld en die van haar levensgezel bezworen. De geschiedenis van het eerste proces tegen oorlogsmisdadigers in Sarajevo werpt een treurig licht op de ambtenaren die destijds de verantwoordelijkheid daarvoor droegen, en ook op de internationale media. Ongerijmdheden in de getuigenverklaringen en regelrechte inbreuken op internationale juridische normen zijn destijds genegeerd.
De inspanningen van advocaten om tot een herziening van het proces te komen, hebben tot dusver geen resultaat gehad. Dit proces wijst ook op een dubbele moraal van de internationale regeringen en instellingen die zogenaamd zo bezorgd zijn om de mensenrechten. Oproepen ter controle van de rechtmatigheid van de processen zijn ad acta gelegd. Het Internationale Tribunaal voor Oorlogsmisdrijven in Den Haag is meermalen geïnformeerd over de gecompliceerde situatie, maar dat heeft er slechts toe geleid dat men afzag van de mogelijkheid Borislav Herak als getuige à charge naar Den Haag te halen.
HET PROCES IN maart 1993 is een internationaal mediaspektakel geworden. Deze gebeurtenis was vooral zo ingrijpend omdat Herak een gedetailleerde en huiveringwekkende bekentenis had afgelegd. Die herhaalde hij tot in alle bijzonderheden in de rechtszaal: hij verklaarde hoe hem, ter intensivering van zijn vechtlust, was bevolen moslimvrouwen te verkrachten, om hen vervolgens te doden; hij demonstreerde voor de rechters, met een potlood in de hand, geknield over een politieambtenaar, hoe hij soldaten van de tegenpartij en burgers bij de haren had gegrepen, hun hoofd achterover had getrokken en hun de keel had afgesneden; hij deelde ook mee dat hij dergelijke slachtingen met messen eerst had moeten oefenen door varkens te slachten. Herak bekende omtrent veertig moorden, en daarnaast zestien verkrachtingen, waarvan elf met dodelijke afloop. Hij deelde mee minstens 220 andere moorden op burgers te hebben gezien. Dat alles was volgens zijn verklaringen gebeurd in een periode van slechts enkele weken, toen hij als soldaat in een klein gebied buiten Sarajevo had verbleven. Wegens zijn misdrijven, evenals wegens genocide en oorlogsmisdrijven tegen burgers en krijgsgevangenen, werd hij veroordeeld tot de dood voor het vuurpeloton.
KORT NA DE arrestatie van de beklaagden in november 1992 had John F. Burns, correspondent van de New York Times (NYT) als eerste de aandacht van de internationale media op het aanstaande proces gericht. Hij had gesproken met Herak in de militaire gevangenis Viktor Buban in Sarajevo en publiceerde het interview, dat enkele uren had geduurd, op 27 november in de NYT. Op diezelfde dag en de dagen daarna presenteerden kranten over de gehele wereld dit nieuws aan hun lezers. Burns, die voor dit interview is onderscheiden met de Pulitzerprijs van 1993, berichtte later ook over het verloop van het proces. Zijn ontmoeting met Herak had een steen aan het rollen gebracht, die door de Amerikaanse regering verder werd gerold. Enkele weken na het interview was de persoon Borislav Herak een internationale ‘haatfiguur’ geworden.
DAT WAS IN 1992/93, midden in de nog steeds escalerende oorlog in Bosnië. Vier jaar lang hoorde men niets meer van dat proces wegens oorlogsmisdrijven in Sarajevo. In het voorjaar van 1996 meldde Herak zich echter weer. CNN deelde op 26 januari mee dat hij zijn verhaal nu in Den Haag wilde doen, dat hij daar een bekentenis wilde afleggen over verkrachtingen, moorden en etnische zuiveringen, en bovendien de namen van zijn vroegere bevelhebbers wilde noemen: 'Ik heb al een stuk voor Den Haag opgesteld - de bekentenis van 42 moorden. Ik geloof dat ik hun belangrijkste getuige à charge zal zijn.’ Tegelijkertijd zwoer hij dat zijn bekentenis in Sarajevo door marteling tot stand was gekomen. In een artikel in de New York Times van 31 januari, dat nauwelijks aandacht heeft gekregen, deed ook Kit R. Roane verslag van haar ontmoeting met deze veroordeelde oorlogsmisdadiger. Herak had opnieuw gezegd dat hij gefolterd en misbruikt was: 'Ze gaven me zestig pagina’s die ik uit mijn hoofd moest leren. Ik was bang om mijn vader, dat ze hem misschien zouden doden vanwege mij.’
EEN PAAR MAANDEN na dat interview met de NYT veranderde de situatie in negatieve zin. In de zomer van 1996 liep de nicht van de veroordeelde Sretko Damjanovic in het dorp Vogosca buiten Sarajevo, dat volgens de akkoorden van Dayton korte tijd daarvoor weer was overgedragen aan Bosnische moslims, toevallig een van diens zogenaamde slachtoffers tegen het lijf. Herak had Damjanovic ervan beschuldigd de broers Kasim en Asim Blekic te hebben vermoord. Nu bleek dat ze allebei nog leefden. De advocaat van Damjanovic, Branko V. Maric, evenals reporters van het blad Ljiljan uit Sarajevo, controleerden en bevestigden dit verhaal. Advocaat Maric diende daarop bij de rechtbank in Sarajevo een verzoek tot herziening van het proces in. Op 27 februari 1997 bracht het persagentschap Reuter voor het eerst een bericht over de ontdekking van de gebroeders Blekic. Enig effect van deze mededeling in de internationale media bleef uit. Pas toen in juni 1997 een herziening van het proces werd afgewezen, kwamen er enkele reacties in de pers.
Damjanovic waren misdrijven tegen zes mensen ten laste gelegd. Twee van de in totaal drie met voor- en achternaam genoemde slachtoffers waren nu levend aangetroffen. Ook de bewijsvoering bij de andere moorden is echter niet overtuigend. Bij het derde met naam bekende slachtoffer ging het om de moslim Krso Ramiza. Herak had beweerd dat Damjanovic Ramiza van vroeger kende en zich vanwege een oude ruzie op hem had gewroken. Ook in deze zaak deden zich tegenstrijdige onthullingen voor. Hetzelfde slachtoffer was voor de rechtbank in Sarajevo bij andere processen tegen oorlogsmisdadigers gebruikt. Bij een groepsproces tegen 154 Serviërs, dossiernummer Ki 271/94, waren ook Miro Vukovic en Bozo Jeftic beschuldigd van moord op Krso Ramiza. Bovendien berichtte de televisie van de Servische Republiek op 15 maart 1993 dat Spiric Nebosje de moord op Krso Ramiza had toegegeven.
Dat het vier jaar had geduurd voordat de eerste bewijzen voor de valse getuigenis van Herak werden ontdekt, werd geweten aan de oorlog in Bosnië-Herzegovina, die pas in het voorjaar van 1996 was geëindigd. Onderzoek was tijdens de oorlog niet mogelijk geweest. Advocaat Maric drong er nu vergeefs op aan zulk onderzoek alsnog te doen. Hij verklaarde dat ook de zogenaamde moorden op de berg Zuc en de misdrijven tegen moslims van het dorp Kremes nu onderzocht konden worden, aangezien deze gebieden inmiddels weer onder het bestuur van de Bosnische moslims vielen, en de verdreven bewoners, onder meer de gebroeders Blekic, waren teruggekeerd. Maar daarop hebben de ambtenaren in Sarajevo tot dusver niet willen ingaan.
VOOR KRITISCHE waarnemers bij het proces van maart 1993 zullen deze schandalige ontdekkingen echter niet zo'n grote verrassing zijn geweest; reeds tijdens het proces was namelijk duidelijk geworden dat de aanklacht grotendeels op ongeloofwaardige aanwijzingen berustte en dat internationale juridische normen door de rechters waren genegeerd. Zo zijn ten aanzien van de aanklacht tegen Damjanovic slechts twee getuigen verhoord, en wel over minder belangrijke aangelegenheden. De aanklacht berustte voor het overige volledig op de bekentenis van Herak. Een forensische patholoog-anatoom had zelfs sporen van marteling bij Damjanovic geconstateerd: vier met messen toegebrachte steek- en snijwonden met een diepte van maximaal zeventien centimeter en een gebroken rib - verwondingen die hem na zijn arrestaties waren toegebracht. Nada Tomic vertoonde overeenkomstige verwondingen.
Al vroeg waren er speculaties over de geestelijke gezondheidstoestand van Herak. Niet alleen onder de internationale journalisten werd gesmiespeld over diens verwarde en soms tegenstrijdige verklaringen. Op 23 maart 1993 verklaarde een deskundige, dr. Boro Djukanovic, zelfs voor de rechtbank bij Herak tekenen van schizofrenie en een zeer geringe intelligentie te hebben geconstateerd. In de getuigenbank vertelde de arts dat Herak al viermaal zijn polsen had doorgesneden en daarbij telkens weer had genoten als hij zijn eigen bloed zag. Hij vertoonde echter geen tekenen van depressiviteit, zoals dat anders meestal het geval is bij mensen die zelfmoord dreigen te plegen. Hij beoordeelde Herak als volledig toerekeningsvatbaar voor zijn daden.
Of Herak niet alleen bij zijn getuigenverklaringen tegen Damjanovic, maar ook bij de aanklachten tegen hemzelf onwaarheid heeft gesproken, is niet duidelijk. De aantoonbaar valse verklaringen tegen zijn zogenaamde medemoordenaar doen echter vermoeden dat nog veel meer dingen niet kloppen in zijn verhaal. Tekenen van marteling bij Herak zijn tijdens het proces niet geconstateerd. Enkele journalisten hadden echter de indruk dat Herak uit angst voor straf en in ruil voor van een pakje sigaretten maar al te graag vertelde wat er van hem werd verwacht. De bekende cameraman Bozo Knezevic, een met een Kroatische getrouwde Montenegrijn die al meer dan twintig jaar in Zagreb woont en voor talrijke westerse zenders werkt, heeft verklaard verscheidene interviews met Herak te hebben bijgewoond: 'Die vent is gek, die vertelt alles wat je van hem wilt horen, en hij wil het bij elk interview nog beter doen, dat wil zeggen: nog bloediger.’
TWIJFEL AAN DE toerekeningsvatbaarheid van Herak is ook door Nada Tomic en voormalige medegevangenen uitgesproken. Tomic heeft na haar vrijlating op 8 november 1995 een getuigenverklaring afgelegd tegenover een rechter van instructie van de rechtbank van Ilidza. Zij verklaarde dat ze Herak voor het eerst had ontmoet in juni 1992, toen hij in het weekendhuisje van een nicht in het dorp Kremes was komen wonen: destijds al had hij verteld over moorden en verkrachtingen in Ahatovici - een dorp waar hij eerder een paar weken had gewoond bij een oom, en waar de moslims gedood en verdreven waren. Herak had op Tomic een verwarde indruk gemaakt. Hij had zich vrijwillig gemeld bij het leger in Kremes, waar men hem als wachtpost had aangesteld, maar nooit alleen, want zijn superieuren vonden hem niet betrouwbaar. Damjanovic, de levensgezel van Tomic, had tot dezelfde legereenheid in Kremes behoord. Op 8 november 1992 kreeg Herak zijn ontslag uit het Servische leger. Hij kreeg ook een pasje voor de wijk Ilidza van Sarajevo, waar zijn moeder en zuster op hem wachtten om hem mee te nemen naar Belgrado. Herak had Damjanovic verzocht hem met zijn auto daarheen te brengen. Op de ochtend van 10 november waren ze vertrokken, zonder te weten dat de frontlinies korte tijd daarvoor verschoven waren. Bij een tankstation in Bozica werd de auto plotseling aangehouden, en niet veel later waren Herak, Damjanovic en Tomic gearresteerd en onder politiebewaking naar Sarajevo overgebracht. Daarna waren ze mishandeld.
NA DE ONTDEKKING van de gebroeders Blekic deden de rechters en onderzoekers die verantwoordelijk waren voor de veroordelingen of hun neus bloedde. Tegenover verslaggevers van het blad Ljiljan verdedigden ze de rechtmatigheid van het doodvonnis tegen Damjanovic. 'Het feit dat twee personen in leven zijn, bevrijdt hem niet van zijn verantwoordelijkheid voor de andere moorden’, verklaarde de gerechtelijk onderzoeker Saban Maksumovic, en de voormalige opperrechter Fahrudin Teftedarija zei: 'Als hij geen zes mensen heeft gedood, dan waren het er altijd nog drie, en hij heeft verkrachtingen en verjagingen op zijn geweten. (…) Bovendien heeft het opperste gerechtshof al tweemaal de doodstraf bevestigd. Met andere woorden: Na mij hebben nogmaals tien andere rechters de zaak bekeken.’ (Ljiljan, 11 maart 1997.)
NET ALS BIJ vroegere en latere militaire conflicten was propaganda bij alle partijen een belangrijk instrument voor de oorlogvoering. Het proces-Herak was ook daarvoor van enorme betekenis, zowel in de binnenlandse als in de buitenlandse politiek. Het kon voor de regering-Izetbegovic bij de Bosnische moslims het vijandbeeld van de Serviërs versterken en de oorlog als enig alternatief presenteren. Heraks gruwelijke beschrijvingen van slachtingen, slechts enkele kilometers van het centrum van Sarajevo verwijderd, evenals zijn expliciete oproep aan de moslims om door te vechten, aangezien hun anders een dergelijk lot wachtte, waren van nut voor de militaire en politieke machthebbers. Het staat overigens wel vast dat in de omgeving van Sarajevo gebrandschat en gemoord is. Heraks beschrijvingen echter kwamen neer op een scenario van de hel, in de waarste zin des woords.
Dit proces in Sarajevo is intensiever gevolgd door de media dan alle andere. Heraks bekentenissen werden via televisie en radio de huiskamers binnengebracht. Herak is zelfs de hoofdpersoon geworden van een documentaire van 28 minuten, getiteld 'Bekentenis van een monster’, en gemaakt door de bekende filmer Ademir Kenovic, in november 1993 voor het eerst vertoond op het Eerste Internationale Filmfestival van Sarajevo. Heraks toelichting dat de verkrachtingen bedoeld waren om de krijgsmoraal van de Serviërs te versterken, wordt in deze film viermaal achtereen gepresenteerd.
OOK OP HET punt van buitenlandse politiek probeerde de elite in Sarajevo het proces voor propagandadoeleinden te gebruiken. Dat was al gebleken uit het feit dat Burns van de NYT toestemming had gekregen het Servische 'monster’ Herak zonder ruggespraak met een advocaat te interviewen. Voor de ogen van de hele wereld was het proces wegens oorlogsmisdrijven een mijlpaal voor de regering-Izetbegovic om met behulp van door een Serviër bekende slachtingen sympathie voor de eigen zaak te veroveren en tegelijkertijd internationale diplomatieke ontwikkelingen in haar eigen belang te forceren.
Talrijke verklaringen van Herak wijzen erop dat hij gebruikt is als instrument voor een grootse manoeuvre. Het is bijvoorbeeld opvallend dat juist het thema van massale verkrachtingen zowel bij het Herak-proces als bij andere gelijktijdige initiatieven van officiële zijde in Sarajevo systematisch naar voren is gehaald. De Bosnische Serviërs werden uitgebeeld als onmensen die, aangehitst door hun driften, nergens zoveel bevrediging aan ontleenden als aan bloeddorstige verkrachtingsorgieën. Herak werd het symbool van een dergelijke houding.
In de winter van 1992/1993 stapelden de gruwelverhalen over kampen waar massaal verkracht werd, zich in de westerse media op. Ze werden gecolporteerd door instanties van de Bosnische moslims, bijvoorbeeld het 'Documentatiecentrum voor oorlogsmisdrijven’ in Zenica, dat door Ragib Hadzic in opdracht van de legerleiding in Sarajevo voor propagandadoeleinden was ingericht, en ze werden door tal van westerse journalisten gretig overgenomen.
Ook officiële regeringsvertegenwoordigers in Sarajevo verspreidden geruchten over gruwelijke aantallen verkrachtingen. In de coulissen van een internationale conferentie in Genève taxeerde de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken van Bosnië-Herzegovina, Haris Silajdzic, tegenover westerse journalisten het aantal moslimslachtoffers van verkrachtingen op minstens dertigduizend. Een paar weken later sprak Silajdzic van vijftigduizend slachtoffers - en anderen hadden het over tachtigduizend. Dat het tijdens de Bosnische oorlog tot verkrachtingen en vernederingen is gekomen, kan niet worden ontkend. Evenzeer staat echter vast dat deze gevoelige thema’s schaamteloos zijn misbruikt voor propaganda, en dat het aantal slachtoffers daarvoor steeds is opgedreven.
DE DOELSTELLINGEN van de stemming- en opiniemakers gingen in de winter van 1992/93 echter nog verder. Gezien de precaire situatie van de technisch minder goed uitgeruste Bosnische moslimtroepen verwachtte de regering rond Izetbegovic vooral veel van een militair ingrijpen van het Westen tegen de Serviërs. Daarom werd bij internationale conferenties voortdurend geëist dat men de Serviërs zou bombarderen, en dat het wapenembargo tegen de moslims zou worden opgeheven. Wat men ook van deze politiek mag denken - ze werd ondersteund door gerichte propaganda. Ook Borislav Herak werd in dit verband van betekenis, aangezien hij de toenmalige hoge VN-bevelhebber, de Canadese generaal Lewis McKenzie, ervan beschuldigde eveneens te hebben deelgenomen aan verkrachtingen van moslimvrouwen.
Tijdens zijn ondervraging in voorarrest, evenals later in de rechtszaal, vertelde Herak uitvoerig dat hij McKenzie had gezien in 'Café Sonja’ in de buurt van Vogosca, een dwangbordeel van de Bosnische Serviërs, dat hij daar met een jeep was komen voorrijden, vier jonge gevangen moslimvrouwen had laten instappen, en hen vervolgens had verkracht en vermoord.
De beschuldigingen aan het adres van McKenzie volgden zo te zien een zekere methode. De conclusie dat Herak gericht werd aangemaand een aanklacht tegen de Canadese VN-generaal in te dienen teneinde hem en de Unprofor in diskrediet te brengen, ligt voor de hand. McKenzie was bijzonder impopulair bij de regeringsinstanties in Sarajevo. Hij sprak zich regelmatig uit tegen de eenzijdige aanklachten tegen de Bosnische Serviërs en beschuldigde alledrie de strijdende partijen van mishandeling van burgers en schending van wapenstilstanden. McKenzie had zich ook sceptisch betoond ten aanzien van enkele spectaculaire mediaberichten over zogenaamd Servische aanslagen in Sarajevo. Hij achtte het bijvoorbeeld niet uitgesloten dat enkele granaatexplosies tijdens bezoeken van hoge politieke vertegenwoordigers uit het Westen door het leger van de Bosnische moslims waren georganiseerd.
McKenzie, die nadat hij voortijdig met pensioen is gestuurd zijn ervaringen als VN-commandant in Bosnië voor een boek heeft opgeschreven, heeft ook enkele pagina’s gewijd aan de verhalen die Borislav Herak vertelt. Hij zegt ervan overtuigd te zijn dat Herak door de instanties in Sarajevo werd misbruikt om hem en de gehele Unprofor door het slijk te halen: 'Het bureau van de president wist dat ik tegen een militaire interventie in Bosnië was. Men wist ook dat ik voortdurend optrad voor heel invloedrijke regeringscommissies en -leiders die een dergelijke interventie zouden moeten uitvoeren, zo men daartoe besloot. Omdat ze mij er niet van konden weerhouden te pleiten tegen een interventie in hun zin en tegen de opheffing van het internationale wapenembargo, probeerden ze mijn persoonlijke geloofwaardigheid de grond in te boren.’ (The Road to Sarajevo, Harper-Collins 1994, p. 498.)
Heraks aanklachten tegen McKenzie hadden effect. De mythe dat hooggeplaatste VN-vertegenwoordigers een geheim complot met de Serviërs tegen de moslims hadden gesmeed, werd daardoor ondersteund, en de lobby voor een militaire interventie tegen Servische stellingen werd erdoor versterkt.