Bekentenissen van een verdwaald lezer

Tijdschrift Vooys bestaat dertig jaar en schreef daarom een essaywedstrijd uit onder studenten. Hoe belangrijk is literatuur, op persoonlijk en/of maatschappelijk vlak? Uit de vele inzendingen koos de jury – Bas Heijne, Marja Pruis, Wilbert Smulders – een essay waarin een fervent lezer te biecht gaat.

23 is jong voor nostalgie. Te jong. Officieel heb ik er dan ook geen tijd voor. Wel voor retro en vintage – niemand is te jong voor een jaren-zestigracefiets en een donkerbruine elpeespeler – maar niet voor nostalgie van het type ‘zware heimwee naar vroeger’. Toch verlang ik naar die tijd waarin ik elke morgen verplicht de wind trotseerde op de fiets naar school, uren kon huilen om niks, en vooral, nog hele boeken las. Dat fietsen hoeft nu niet meer, het huilen lukt niet meer, en dat lezen, dat hoeft en lukt niet meer.

Ik heb dus wel een verleden als lezer. Volgens de overlevering kon ik nog maar nauwelijks lopen toen ik begon met mijn solitaire dinsdagmiddagescapades naar de bibliotheek. Daarvandaan belde door de jaren heen elke nieuwe bibliothecaris mijn ouders op. Of ze zelf een abonnement wilden nemen en niet op de pas van hun dochter Jane Austen, Harry Mulisch en Leni Saris (wist ik veel) wilden lenen. Levend, zo lijkt het, met het oog op deze openings­anekdote, liep ik lezend op straat en ontvreemdde ik op school de boeken die bij mij thuis hoorden.

Het waren mijn kanteljaren. Ik zwierf, verdwaalde en verdronk in verhalen. Boeken, waarvan 99 procent fictie, lieten mij alle spreekwoordelijke hoeken van ‘het leven’ zien. Eenmaal dichtgeslagen lieten ze me vaak in zo’n ongemakkelijke positie bungelen dat ik datzelfde leven nu nooit meer recht aankijk. Geen situatie is vanzelfsprekend. Elk uitgangspunt vraagt om een kwartslag naar links of een tikje naar boven.

Het is niet dat ik nu niet meer lees. Integendeel: als student, redacteur en vertaler is woorden verwerken die gevaarlijke combinatie van beroep en grootste hobby. Ik praat, schrijf en droom over boeken en bij het binnenlopen van een boekwinkel excelleer ik in het inventariseren van Ongelezen Boeken. Terwijl het tijdens mijn ‘werklezen’ vooral draait om het absorberen van betekenis in een zo kort mogelijke tijd, maak ik ook dagelijks tijd vrij voor literaire ontspanning.

Het is echter geen toeval dat ik de laatste jaren idolaat ben geworden van literaire genres als het korte verhaal, de grafische roman, briefwisselingen en het essay. Of dat de serie die ik met wat vrienden lichtelijk competitief verzamel de oogstrelende Very Short Introduction-reeks van Oxford University Press is. Meestal ofwel ‘heel kort’, ofwel hapklaar zouden al deze teksten mijn leesleven verrijken, ware het niet dat het vroegere fundament daarvan uitgehold is.

Niet alleen Moby Dick en Infinite Jest maar ook White Teeth en zelfs Tirza grijnzen me toe vanuit de stapels boeken naast m’n bed. De boekenleggers steken er nog uit, meestal zo’n halve centimeter van de rechterkaft (vanaf de boekrug bezien). Ik lees geen romans meer, al jaren niet. Ik krijg ze niet uit. In de hoop een begin van een verklaring te vinden voor de emoties van nostalgie en schaamte die ik hiervoor voel, wil ik in het onderstaande mijn zelfbeeld – dat aan mijn boekwinkeluitgaven te zien nog altijd te maken denkt te hebben met een lezer – confronteren met de volgende drie vragen:

Waarom lees ik geen romans meer?

Waarom vind ik dit erg?

Is het ook erg?

Het is niet alleen een kwestie van tijd. Natuurlijk niet. In de tijd dat ik dagelijks een dozijn online artikelen tot me neem zou ik ook een flinke bres in een goed boek kunnen slaan. Het internet dus? Mijn probleem als symptoom van het veelbesproken verval: sinds het internet kunnen we ons niet meer concentreren en hebben we geen betekenisvolle relaties meer? We reageren verontwaardigd op krantenartikelen voor we ze hebben gelezen, laat staan dat we geduld hebben voor de psychologische ontwikkeling van romanpersonages. Kruis aan: ja/nee/ misschien. Misschien.

Ik ben geen mediumfetisjist en ben verknocht aan het internet, van de chatsessies met vrienden in den vreemde tot aan de kneuterigheid van belazerd worden op virtuele marktplaatsen toe. Tegelijkertijd denk ik dat we wat betreft de invloed van het internettijdperk op onze dagelijkse leefpatronen nog in de ontkenningsfase zitten. Ik doe lacherig over opkomende fenomenen als Facebook-afkickprogramma’s zonder na te denken over de consequenties van het feit dat ik tussen het typen van de vorige zin en deze mijn e-mail heb gecheckt en het weer in Leiden heb gegoogeld. Niets mis mee – ik wist niet dat het ging regenen – maar de concentratie is weg. Eigenlijk onbeleefd ook, alsof ik tijdens een gesprek opeens wegrende om de was uit de droger te halen.

In interviews prijzen auteurs als Zadie Smith software aan waarmee je het internet of bepaalde websites voor een vooraf ingestelde periode afsluit. Een van die programma’s heet Freedom. Ik ben geen internet­junkie, maar toch vermoed ik dat mijn laptop een niet te verwaarlozen rol heeft gespeeld in mijn huidige gebrek aan vrijheid aan een lang verhaal te beginnen en het ook uit te lezen.

Ik lees anders – gefragmenteerder, onrustiger, breder – maar ik lees en leer er niet minder om. Vanwaar de nostalgie en de schaamte? Schaam ik me omdat ik bepaalde onuitgesproken idealen van een geletterd persoon schend? Niemand krijgt zijn of haar Lijst Van Te Lezen Boeken af, maar je hoort er wel mee bezig te zijn. Deels is dat het, deels zit het nog dieper. Onderliggend is er de angst dat mijn onkunde raakt aan hoe ik mens ben en kan zijn, dat er parallellen en verbanden zijn tussen vriendschappen met boeken, bloemen, en mensen.

Simone Weil geloofde dat volledige toewijding aan een activiteit ons traint in het aandacht hebben voor de wereld, voor elkaar. Hoewel zij allerlei voorbeelden aanhaalt, van wiskunde tot Latijn, denk ik dat dit in een bijzondere mate geldt voor fictie. Tijdens het lezen geef ik mijn volledige concentratie aan woorden die vervolgens tot leven komen in mijn gedachten. Mee- en teruglezend neem ik deel aan een verhaal dat niet vraagt om mijn mening of oordeel maar om mijn inlevingsvermogen. De verandering die ondertussen plaatsvindt is geleidelijk en vertaalt zich op impliciete manieren in mijn dagelijks leven. Een zin van Virginia Woolf waarin overpeinzingen over oorlog en wat er vanavond op tafel staat elkaar naadloos opvolgen, drijft bijvoorbeeld boven tijdens momenten waarop in je eigen gedachtestroom het grootse en vertederende naast het onbenullige en zelfs verachtelijke liggen.

In dit acute vermogen onze beleefwereld van binnenuit te beïnvloeden onderscheidt geschreven of orale fictie zich van een kunstvorm als film, of zelfs van de ‘3D-iMax-meets-wireless’ arena die we ‘realiteit’ noemen. Hoewel we kunnen empathiseren met een filmpersonage, is een film een min of meer voltooid product. Een lezer belichaamt echter de paradox van haar eigen gelimiteerde perspectief en de empirische gewaarwording van een wereld buiten haar waarvan haar gedachtestroom niet het middelpunt vormt. Hoewel nog altijd gegrond in haar eigen ervaring, haalt een roman de lezer uit zichzelf. Als ze leest, vermengen zich meerdere paren ogen.

Natuurlijk gebeurt dit niet alleen in romans. Een gedicht van Jeroen Mettes of een kort verhaal van Salinger vertolkt bij uitstek de textuur van het leven. Maar, zonder makkelijke claims te willen maken over eventuele opvoedende functies van literatuur, elke kunstvorm bereikt haar optimale effect anders. Zwerven en (ver)dwalen kosten meer dan dertig minuten en je identificeren met een Raskolnikov ook. In mijn leesleven trek ik nu alleen nog maar sprintjes. De marathon ligt eruit en dat vind ik erg. Ik mis het diepe, het gevaar van de oncontroleerbare catharsis. Net als elke schaatser wil ik een allrounder worden.

Het zou niet de eerste keer zijn dat ik iets erg vind dat eigenlijk wel meevalt. Of waarnaar de heimwee niet te vertalen is in iets constructiefs. Verloren momenten en de dingen die voorbij gaan, vriendschappen waar je uitgroeit, vertrouwde voedselverpakkingen die door altijd lelijkere varianten worden vervangen – erop reflecteren mag, daarna doorgaan moet. En er komt altijd wat voor terug. Zelfs als mijn concentratiegebrek representatief zou zijn en romanlezers uitsterven – dat is niet zo: al wordt de papieren roman misschien retro, lange fictie is niet in gevaar – komen daar gelaagde versies van The Wasteland vol hyperlinks voor terug. Wie weet wat onze synapsen in dergelijke multidimensionele leesjungles gaan doen. Toch kan ik me niet voorstellen dat iemand zich zo emotioneel verbonden voelt met een pdf-bestand op een e-reader als ik met mijn versleten exemplaar van Midnight’s Children. De diepte van die leeservaring was te danken aan de gelaagdheid van het verhaal en aan de omgeving waarin ik die lagen kon absorberen.

Elke leeftijd – dus ook 23 – is te jong voor kleverige nostalgie die niet verder komt dan zichzelf. Elke leeftijd is ook precies goed om, zoals David Foster Wallace het zei, ‘te beslissen wat je aanbidt’ en een twaalfstappenplan te ontwerpen om dat te bereiken. Dit pleidooi voor literatuur als zelfhelpgereedschap inclusief internetavondklok is reductionistisch en naïef, maar ook een eerste stap op weg naar een vernieuwd lees­leven. Dat ik in het verliezen van een gewoonte voel een deel van mezelf te zijn kwijtgeraakt, zegt me dat ik het scala aan functies van inktvormen op papier nog lang niet bevat. Laat mij maar zwerven.


Tabitha Speelman studeerde Chinese taal- en letterkunde aan de Universiteit van Nanjing in China en doet aan de Universiteit van Leiden haar researchmaster Asian Studies