Bekentenissen van Jack Turner

Dat de geschiedenis van Amerika een vaak verzwegen racistische verhaallijn heeft, laat Colson Whitehead zien in zijn nieuwe roman. Bij tweede lezing lees je een ánder boek.

Colson Whitehead doorbreekt telkens opnieuw het racistische zwijgen © Sunny Shokrae / The New York Times / HH

Vanaf zijn eerste novelle DeIntuïtionist (1999) wist de New Yorkse Village Voice-journalist Colson Whitehead (1969) zijn lezers ervan te overtuigen dat zich achter of onder zijn verhalen – of liever gezegd in zijn metaforen – de ware vertellingen verborgen. En die hadden alles te maken met historische spoken en geesten: de Amerikaanse geschiedenis vol gewelddadig racisme. Dat ingenieus verstopte relaas diende de lezer stap voor stap op te diepen of uit te graven.

De zwarte liftinspecteur Watson in De Intuïtionist bijvoorbeeld, probeert ‘aan te voelen’ hoe de liften in een stad vol wolkenkrabbers werken of niet werken. Die lift is een soort zwarte doos die lijkt op het onvoorspelbare menselijk brein. Hij wil wel de hoogte in, maar een vrije val dreigt altijd, door mankementen, sabotage of corruptie.

Zijn grote roman De John Henry Dagen (2001) gaat over een legendarische tunnelwerker die een brug wil slaan tussen de oude slaventijd en het moderne machinetijdperk. Wie is die historische John Henry en is hij nog te onderscheiden van de mythe om hem heen? Dankzij wisselende ‘treinroutes’ zoeken wisselende personages in verschillende tijden naar de waarheid achter de legende. De lezer moet zich de houding van een antropoloog of een archeoloog aanmeten.

Whiteheads internationale doorbraak, de roman De ondergrondse spoorweg (2017), bood zelfs een ‘echt’ ondergronds spoorweglabyrint aan voor ontvluchte slaven die snel naar het ‘vrijere’ Noorden wilden maar later beseften dat ze nooit de plantage van zich af konden schudden omdat ze die, waar ze ook verbleven, in hun ziel meedroegen. De vlucht kon niet echt eindigen, het oude slavenleven woekerde door, Amerika bleef een tuchthuis.

Alles zal uitkomen en goed komen, is Edwoods naïeve gedachte. Het loopt anders

En met dat laatste woord zitten we meteen midden in Whiteheads nieuwe en zeer verrassende roman De jongens van Nickel. Het boek bevat andermaal een verhaal waaronder zich iets heel anders verschuilt, waarop zelfs de meest alerte lezer niet bedacht is: welk effect heeft systematische racistische vernedering op iemands identiteit? Die lezer voelt halverwege wel wat nattigheid als het verhaal lijkt af te dwalen in perspectief en tijd. Maar Whitehead wist wat hij deed, al schrijvend. Vanaf de proloog graaft hij de verborgen kern van de vertelling laagje voor laagje op: hij laat beginnende archeologen een illegale begraafplaats ontdekken in de buurt van het vroegere tuchthuis Nickel. En zo barst een verborgen verleden naar buiten en raakt het heden bezoedeld door een smerige geschiedenis.

Een nickel is niet alleen weinig waard, het is ook de naam van een tuchthuis bij Tallahassee in Florida voor minderjarige jongens die nog niet in de maatschappij van orde en redelijkheid passen. In Nickel, een ‘schuldige plek’, zitten rond 1960 blanke jongens apart van de zwarte, die van alles het minste krijgen. De jonge zwarte Edwood Curtis is een braaf en ernstig jochie dat liever leest dan de beest uithangt. Deze sociaal naïeve wees (zijn ouders zijn op een nacht naar Californië vertrokken) wordt door zijn grootmoeder streng opgevoed en weggehouden van tumult, bijvoorbeeld de aanzwellende burgerrechtenbeweging. Zijn ware opvoeder zijn één deel van een encyclopedie (Aa-Be) en dominee Martin Luther King, van wie hij een elpee met toespraken heeft. Zo leert hij dat agape, oftewel onbaatzuchtige liefde te allen tijde, de beste levenshouding is, al beseft hij later dat die welhaast heilige houding wel heel moeilijk is vol te houden in een racistische omgeving.

Door toeval komt de keurige, leergierige Edwood in Nickel terecht. Liftend naar een school waar hij gratis een literatuurcursus zal krijgen, stapt hij in de auto van iemand die deze net heeft gesloten. Rassenjustitie doet de rest. Whitehead schildert daarna op subtiele wijze het door en door corrupte tuchthuisregime, met oog voor sprekende details. Nergens wordt het verhaal larmoyant of moraliserend. De beschrijvingen van de martelingen in een vervallen schuurtje, dat de zwarte jongens het Witte Huis noemen (uitleg overbodig), zijn door hun feitelijkheid en beknoptheid uiterst effectief. In het tuchthuis Nickel verbergt zich een ánder Nickel, dat van moord en doodslag. Dat andere Nickel willen de lokale machthebbers en profiteurs verborgen houden voor het oog van de wereld.

Hoewel Edwood een loner is, krijgt hij een band met Turner, die pas veel later een voornaam krijgt: Jack. Met hem en een bewaker mag hij steeds mee naar Tallahassee, waar allerlei etenswaren en andere spullen, in wezen bestemd voor Nickel, in andere handen overgaan. Edwood noteert alle corrupte handel nauwgezet en wil later, tijdens een staatsinspectie van Nickel, een brief overhandigen aan een van de inspecteurs. Dan zal alles uitkomen en goed komen, is zijn naïeve gedachte. Het loopt anders. Uiteindelijk krijgt Edwood eenzame opsluiting en er dreigen ergere dingen. Turner bevrijdt hem en dan…

Maar in dat stadium in het verhaal hebben we al een paar sprongen in de tijd gemaakt, naar het New York van de jaren zeventig en veel later, als Edwood Curtis (zeer merkwaardig voor een lezer) carrière maakt in de verhuisbranche. De vertelling over tuchthuis Nickel volgt de lezer steeds nadrukkelijker door de ogen van Turner en een alwetende verteller die nooit het achterste van zijn tong laat zien. Dat heeft een reden die ik wel moet verzwijgen maar die zo schokkend is dat de roman met terugwerkende kracht een ánder boek wordt. Vanaf het begin heeft Colson Whitehead iets half en half verborgen in zijn verhaal wat de lezer bij tweede lezing pas écht ontdekt. Duidelijker mag ik niet zijn.

William Styron schreef in 1967 een roman over een gevluchte slaaf, Nat Turner. Een alternatieve titel voor De jongens van Nickel zou kunnen zijn De bekentenissen van Jack Turner. Welke bekentenissen dan? Wie dat wil weten kan maar één ding doen: Whiteheads nieuwe roman lezen en dan beseffen dat de geschiedenis van Amerika een ondergrondse, vaak verzwegen verhaallijn heeft. Dat hardnekkige zwijgen over die pikzwarte kant van de historie werd pas écht scherp doorbroken na de Tweede Wereldoorlog door literaire vernieuwers als Ralph Ellison, William Kelley, Toni Morrison, Alice Walker, John Edgar Wideman en Charles Johnson. Colson Whitehead weet in welke artistieke traditie hij schrijft. En hij realiseert zich dat hij het fanatieke, racistische zwijgen – als vorm van liegen – telkens weer moet doorbreken.