Ger Groot

Bekering

Het Atheïstisch manifest van Herman Philipse ligt herdrukt en herzien in de winkel, in één band samengebracht met zijn later verschenen essaybundeltje De onredelijkheid van religie (Bert Bakker). Het succes van deze herhaling van zetten uit een achttiende-eeuwse discussie is een gevoelige tegenslag voor wie gelooft dat er in de filosofie vooruitgang zit. Het opmerkelijkste in deze herdruk is echter het toegevoegde voorwoord van Ayaan Hirsi Ali, die in de dedicatie van het boek bovendien een plaats gekregen heeft naast Philipses vroegere echtgenote Hendrickje Spoor.

Daarmee is het boek opgedragen aan twee vrouwen die zich in ieder geval door Philipse hebben laten overtuigen. Van de laatste wisten wij dat al uit Philipses eigen mond. Twee jaar lang, zo vertrouwde hij Antoine Verbij enkele jaren geleden in diens boek Denken achter de dijken toe, was zij in de ban geweest van een katholieke bevlieging. «Toen ze er uiteindelijk van af was, heeft ze mij gevraagd eens haarfijn uit te leggen waarom het allemaal onzin was.»

Van Ayaan Hirsi Ali krijgen we het zelf te horen. «Hoe eenvoudig en helder is de argumentatie van dit boekje en hoe schuldeloos werd de wereld voor mij na het lezen ervan», schrijft ze in haar voorwoord tot het Manifest. «Het was een immense opluchting en in plaats van verdoemd werd ik verlicht.» En dat nog wel nadat ze — «brave moslima» — het schotschrift een paar jaar eerder verontwaardigd in de hoek van een kamer had gesmeten.

De aanbeveling van Hirsi Ali leest als het getuigenis van een bekering met alle daarbijbehorende attributen. Ze voelt zich plotseling verlicht onder de van uitroeptekens voorziene ontdekking: «Allah bestaat niet!» Missioneringsdrang kan dan niet uitblijven: «Ik zou willen dat alle 1,2 miljard moslims het boekje lazen.» Helaas weigerde de auteur een «eenvoudiger versie te schrijven voor de export. […] Soms kunnen verstan dige mensen zo ongelooflijk kortzichtig zijn!»

Verwondering wekt minder de toon van dit jongemeisjesproza dan de continuïteit van de exaltatie. Hirsi Ali’s omslag van verwerping naar omarming van Philipses boek wordt overbrugd door eenzelfde overgave aan een verlossende waarheid, die de tegengestelde inhoud daarvan op losse schroeven zet. Het is dezelfde geloofsijver die je ziet bij filosofen die ooit Heidegger hebben vereerd maar inmiddels helemaal in de ban zijn van Sint Popper.

De kwaliteit van een overtuiging wordt maar ten dele bepaald door de gedachte zelf. Minstens zo belangrijk is de vurigheid waarmee ze wordt aangehangen, al betreft het daarbij een omgekeerd evenredige verhouding. In denkbiografieën blijkt die tweede vaak constanter dan de eerste. Ideeën veranderen, maar de aanleg tot geloof dan wel scepsis lijkt te zijn aangeboren.

In zijn zojuist met de Socratesbeker bekroonde boek De geest van Pim (Ambo) heeft Dick Pels een nieuw politiek model ontworpen. De simpele rechte lijn links-rechts zou moeten worden omgebogen tot een hoefijzervorm, waarbij op de verticale as de mate van behoudzucht dan wel revolutiegeest kan worden afgelezen. Extreem-links en extreem-rechts naderen elkaar zo in een «politieke bohème» die alles anders wil, en wel nu. «Les extrèmes se touchent», schrijft Pels, «(althans bijna).» In die toevoeging schuilt een laatste schroom om links en rechts in hun uitwassen werkelijk zielsverwant te maken. In feite heeft het hoef ijzer zich al sinds jaar en dag gesloten tot een volmaakte cirkel waarin revolutionairen van velerlei slag ideologisch stuivertje wisselen met behoud van oproer en ongeduld.

Dat model laat zich ook op de filosofie toepassen. Op de ene as staan de ideeën in hun onderlinge contrasten: links-rechts, theïstisch-atheïstisch, continentaal of Angelsaksisch. Op de andere staat de mate van overgave, die je de fanatisme-factor zou kunnen noemen. Voor een kritische discipli ne als de filosofie wil zijn, geldt: hoe lager de f-factor en dus hoe sceptischer de toewijding, hoe beter het denken.

Datzelfde model biedt daar een simpele test voor. Het wordt problematischer naarmate iemand beide assen vanzelfsprekender in elkaar schuift en de kwaliteit van het denken afmeet aan de denkbeelden zelf. Voor twijfel is er dan geen ruimte meer, laat staan voor het andere gelijk. Alles baadt in licht en is zo klaar als een klontje.