Beklemmende tussentijd

Mensje van Keulen, De rode strik. Uitgeverij Atlas, 205 blz., f29,90
DE ADOLESCENTIE is een tussentijd. Je bent niet meer echt kind, maar ook nog niet een ‘groot mens’, geen servet meer en nog geen tafellaken. Het is een onbestendige en roerige periode waarin de seksuele en geestelijke rijping van het kind doorzet, waarin een queeste wordt ondernomen naar de eigen plaats in de wereld en het eigen ik. Die periode voor je intrede in het volwassen leven is er een van vervreemding en verbijstering over je lichaam en je identiteit. En tegelijk kent de tussentijd een grote vrijheid: het knellende corset van de volwassenheid is nog niet aangetrokken, de verantwoordelijkheden en verplichtingen van het ‘echte’ leven tellen nog niet. De adolescentie is, zo wil de hardnekkige mythe daarover, ook een dolce far niente waarin vrijmoedig kan worden geexperimenteerd.

De literatuurwetenschapster Pamela Pattynama, die in 1992 met Passages: Vrouwelijke adolescentie als verhaal en vertoog promoveerde op literaire pubermeisjes, wijst erop dat de mythe rond adolescentie een modern en typisch westers fenomeen is. Wordt in veel culturen de overgang van kindertijd naar volwassenheid in een duidelijke rite de passage samengebald, in het Westen gaat het om een vaag, onbestemd grensgebied. De adolescentie is welbeschouwd het laatste stadium van het beschavingsproces waar het westerse kind doorheen moet: ‘Elk van die kinderlijke barbaartjes met hun hongerige blik en grijpgrage handjes verwerft op die manier de voorwaarden voor een sociaal bestaan: een geweten, een verstandelijke logica en de taal.’
IN DE NIEUWE roman van Mensje van Keulen, De rode strik, speelt een pubermeisje de hoofdrol. De elfjarige Maria Talberg - de roman is consequent vanuit het perspectief van het meisje verteld - bevindt zich onmiskenbaar aan het begin van de tussentijd. Ze gaat van de lagere naar de middelbare school, heeft een besmuikte belangstelling voor seks, rommelt al wat met jongens uit de buurt, rookt stiekem sigaretten, maar speelt tegelijkertijd nog vol overgave spelletjes op straat. De wisselvalligheid van de leeftijdsfase waarin ze verkeert, is overtuigend door Mensje van Keulen vastgelegd. Aan de ene kant bekijkt Maria de wereld nog met kinderogen, is de wereld voor haar nog magisch. Aan de andere kant heeft ze al een 'verstandelijke logica’ ontwikkeld en heeft ze oog voor de werkelijkheid van 'grote mensen’. Het is die ambivalentie tussen kinderlijke en verstandelijke blik, tussen kinderlijke gewetenloosheid en volwassen verantwoordelijkheidsgevoel, die de kracht uitmaakt van De rode strik. De turbulente ontwikkelingen van lichaam en geest in de adolescentie gaan gepaard met verlies. Maria verliest op een nogal gruwelijke manier bovenal haar onschuld.
Aan het begin van de roman worden de dramatische gegevens direct open en bloot op tafel gelegd: het komt allemaal door 'de beestenman’. De beestenman is inmiddels dood, morsdood en het zusje van Maria, de twee jaar jongere Bee, bevindt zich in autistische toestand in een psychiatrische inrichting. Het vervolg van het boek is het verslag van hoe het zover heeft kunnen komen. Dat verhaal is kort samen te vatten: Maria en Bee leven alleen met hun moeder, hun vader heeft al jaren geleden de benen genomen. De rust wordt verstoord door de komst van de neef van de vader, oom Leen, met wie de moeder een verhouding krijgt. De meisjes moeten niets van de indringer, de beestenman, weten en zinnen op manieren om hem uit de weg te ruimen.
MEER DAN OM de intrige gaat het in De rode strik dan ook om Maria’s benauwende en broeierige visie op de werkelijkheid. De roman gaat van meet af aan zwanger van onheil en geweld. Een klein jongetje komt onder de tram, Bee krijgt een dartpijltje in haar hoofd, een vrouw in de straat bezwijkt aan een hartaanval. Het onheil werkt als kunstmest op de verbeelding van Maria: waar het jongetje verongelukt is, blijft ze een rode plek op staat zien; het pijltje in het hoofd van haar zusje vergelijkt ze met de beroemde vinger in de dijk: trek je die eruit, dan stromen het bloed en de hersens uit haar hoofd. Ze stelt zich voor hoe in het donkere water bij de gasfabriek lijken uit de onderwereld drijven, de tandarts ziet ze als een brute beul, de beestenman wenst ze de meest afschuwelijke ongelukken toe. Niet zomaar een hartaanval bijvoorbeeld, maar 'een hartverplettering’. Of dat hij van zijn brommer wordt geslingerd en in het zwarte water van het afvoerkanaal terecht komt waar hij blijft haken en verdrinkt.
Zelfs de kinderspelletjes op straat kennen een buitengewone dreiging. Zo speelt Maria het macabere 'Klein Anna zat in majesteit’, dat spel dat in een van Hermans’ beklemmende verhalen in Paranoia, 'Manuscript in een kliniek gevonden’ altijd met Annie de Koning (die naam is uiteraard betekenisvol) wordt gespeeld. Een van de kinderen zit op de hurken met het hoofd op de knieen, de armen eromheen geslagen en antwoordt op de vraag waarom zij zo weent: 'Omdat ik morgen sterven moet, sterven moet, sterven moet.’ Waarom? 'Dat heeft de boze Frederik gezegd.’ Zelfs het onschuldige vermaak 'beeldenmuseum’ waar Bee zo in uitblinkt - de directeur van het museum trekt de kinderen een voor een hard naar voren, waarna ze zo lang mogelijk de aangenomen pose moeten volhouden - is beklemmend als je bedenkt dat Bee later zwijgend en bewegingloos in het gesticht zit.
Het moge duidelijk zijn dat Maria haar omgeving een eigen kleur geeft, dat ze haar magisch tint. Als je een zilveren ring doorslikt, wordt deze na de lange tocht door je darmen van goud. Als je wil dat iemand dood gaat, moet dat je gewoon heel hard blijven wensen. Overigens heeft Maria niet alleen een zwarte kijk op de wereld. Ze is ook dapper en eigenzinnig, bij tegenspoed denkt ze het liefst bij zichzelf: 'Tararaboemdiee, viel dat niet reuze mee?’
Maar er is veel eng. Gewone dingen als een vleesvork, een mes, een schoen die in zijn eentje op straat ligt, een drinkglas met een stukje eraf, een vishaakje. Het engst van alles is de beestenman: 'Zijn lach, zijn tanden, zijn lucht, zijn vingers, zijn grappen, zijn gepest. En er kwam steeds meer. Zijn stem, zijn nek, zijn neus, zijn enkels, zijn voeten, de manier waarop hij bewoog, vooral als hij de leren jas aanhad.’ Niet voor niets noemen ze hem 'de beestenman’: omdat hij een dierenwinkel bestiert, maar mischien meer nog omdat hij een beest is met zijn ruwe manieren, autoritaire gedrag en wrede pesterijen. Als hij ook nog hun moeder met zijn 'ding’ dreigt te vermoorden is het niet verwonderlijk dat de zusjes in hem de boze Frederik zien, en willen ingrijpen.
ER IS DE laatste jaren geregeld geconstateerd - door Renate Dorrestein, door Pamela Pattynama in haar proefschrift - dat eigenzinnige adolescente meisjes zeldzaam zijn in de westerse letteren. De pubermeisjes huppelen, hinkelen en hoelahoepen evenwel gestaag de Nederlandse literatuur binnen. Dorrestein, Mutsaers, Ruebsamen, De Graaf en De Moor leverden de laatste tijd portretten van even innemende als eigengereide en eigenwijze adolescentes. Licht boosaardig, maar blijmoedig en ontwapenend.
Mensje van Keulen schaart een onuitstaanbaar en aantrekkelijk meisje in de rij. De rode strik bevat schijnbaar een enigszins eenvoudige, rechttoe rechtaan vertelde geschiedenis. Dat is schijnbaar, want Mensje van Keulen weet knap de ambivalente blik van Maria vast te houden. Fantasie en werkelijkheid, magie en nuchtere realiteit schuiven subtiel over elkaar heen. Voor Maria is de adolescentie inderdaad een tussentijd, een vrije speelruimte waarin de 'voorwaarden voor een sociaal bestaan’ - het geweten, de logica - nog niet tellen.