Bel gvd!

Je leeft nog. 76 ben je nu. Ik stel me je voor als een goed geconserveerde, oudere heer, gebronsd, hoog voorhoofd, bril, nog wat haar, klein en ­ingedroogd, kaarsrecht en steeds meer lijkend op je eigen vader, mijn opa. Op een Zuid-Frans terrasje, een Frans dorpsstraatje overstekend, krant onder de arm, achter het stuur van een donkerblauwe Peugeot, auto’s die je altijd hebt verfoeid, wandelend over een green, God mag weten waar, in golfruiten broek, met een broekzak vol tees en een tas met clubs om je schouder.

Ik verzin het waar ik bij sta. Beelden heb ik niet. Deze onnauwkeurige zinnen zijn het resultaat van een visuele pastiche mijnerzijds, losgelaten op het kale raster van de woorden over jou die ik van derden heb, aangevuld met wat ik vermoed bij het leven van een pensionado in Zuid-Frankrijk.

In een kleine twintig jaar heb ik je misschien een keer of vijf, zes gezien. Rond de geboorte van mijn dochter, bij mijn promotie, nog een keer in Aix-en-Provence toen ik daar voor een congres was – en, o ja, ook nog een keer op je boerderij in Gerwen, Nuenen of zo’n ander Herendorp onder de rook van Eindhoven, bij een verjaardag, van jou of je toenmalige vrouw.

Altijd ongemakkelijke ontmoetingen, vol onuitgesproken verwijten en versleutelde verwachtingen. Van jou, van mij, door jou aan mij toegedicht, door mij aan jou.

Ik heb er als eerste de brui aan gegeven. Telefoontjes negerend, kerstkaarten verscheurend, mailtjes deletend, uitnodigingen wegwuivend. Mijn knarsetanden over wat van mij was maar me was ontnomen, werd te vermoeiend. Niet meer die ergernis om het gemis, niet langer die turbulentie door hoop op een herstel dat toch niet kwam, niet meer die kleinerende hunkering naar respect, erkenning, bewondering, ja liefde, die toch maar alleen in zijn meest afgesleten, kille, anonieme gedaante bestond. Misschien wel omdat we te weinig van elkaars levens wisten om te kunnen terugvallen op de gemakkelijke vertrouwdheid van het dagelijks leven: en toen zei ik… en toen zei hij…

Een vergiftigd geschiedenisje. Een behekst scheidinkje. In de vroege jaren zeventig, de jaren van Den Uyl en vrije seks. Gevolgd door een diepe inkomensval van de hoorndragende moeder, die, zonder noemenswaardige werkervaring, zich plotseling genoodzaakt zag haar eigen boterham te verdienen, een dak boven het hoofd te vinden, twee kleine kinderen op te voeden, een nieuw evenwicht te vinden. En de vader? Ach jij betrok een nieuwe woning, vond een nieuwe betrekking, in een nieuwe provincie, met een nieuwe vrouw, met nieuwe kinderen, die je in die wilde ‘wife swapping’ jaren had leren kennen op een feestje van de school van je eigen kinderen. Ja, zo banaal was het. Ook toen al. En toch heeft het mijn biografie getekend.

Ik kan alleen maar gissen naar de reden. Ja die vrouw en die kinderen – wij spraken over hen in pejoratieve termen, ook jij. De jongen plaste bed ver na het moment waarop anderen zindelijk zijn. Het meisje was berucht om stampvoetende scènes. En ze hadden een oude Ford Cortina; wij een nieuwe BMW. Wist ik veel dat de auto’s waarin autoboeren rijden meestal niet hun eigendom zijn. Wist ik veel dat in de wereld van de auto, net als in die van het vastgoed, schijn zwaarder weegt dan zijn. Oftewel zij waren wat wij niet wilden lijken. En toch ruilde jij ons in – voor hen, voor die kinderen. Verraad gemengd met een knagend gevoel van inferioriteit en pure verwarring.

Het moment van aanzegging staat me nog helder bij. We kwamen juist uit school en liepen naar huis. Toen wij wilden oversteken, kwam jij aanrijden, in een open auto. Je vertelde dat jullie uit elkaar zouden gaan, dat je ergens anders zou gaan wonen, dat we elkaar zouden blijven zien. In mijn herinnering kwam je er de auto niet voor uit. Maar ik herinner me ook je lange leren jas. Die versies kunnen niet allebei waar zijn.

Heb je je ooit rekenschap gegeven van het gewicht van die woorden? Ik ga jullie verlaten… Gesproken tegen een elfjarig jongetje, een negenjarig meisje.

De hond blaft tot de baas kijkt. Wij niet. Wij stoppen er op zeker moment mee. We draaien ons om en gaan iets anders doen. Hardlopen, de krant lezen, koken, hoogleraar worden. Van mijzelf begrijp ik het. Ben er zelf bij. Maar van jou snap ik het niet. Niet voor mij. Voor je kleindochter. Een vijftienjarig wereldwonder dat geen enkele herinnering aan je heeft! En voor jezelf.

Alleen zo leven we voort – in de schaduw van het geheugen. Meer is er niet.

Dus bel gvd!