Hoofdcommentaar: Tsjetsjeens terrorisme

Belangen zijn groter dan mensen

Hoe en waarom de oorlog in Tsjetsjenië indertijd is begonnen, is een raadsel. Hoe en wanneer de oorlog in Tsjetsjenië zal worden beëindigd, is een nog groter raadsel. Zeker is alleen dat de gewapende strijd in dit gebied in de Kaukasus, dat wegens zijn ligging tussen de oliebronnen in de Kaspische Zee en de havens van de Zwarte Zee een veel grotere geopolitieke betekenis heeft dan de statistische gegevens van het IMF doen vermoeden, voor te veel betrokken partijen dermate belangrijk is dat vrede onaantrekkelijk is. Bijna ie dereen weet dat de oorlog eigenlijk niet kan worden gewonnen. Niet door de Tsjetsjenen, die bijna letterlijk moeten leven in de «plee» waarin president Poetin ze in 1999 beloofde te verzuipen, noch door de Russen, die al acht jaar ervaren dat ze alleen bij daglicht de baas lijken. Schoonmaak acties, filtratiekampen, bombardementen en andere repressieve maatregelen ondermijnen de hardvochtigheid van de rebellen niet en tarten ook de burgers die géén partij willen kiezen.

Eigenlijk is er al die jaren maar één ding veranderd. Tsjetsjenië is sinds de elfde september voor de buitenwereld geen binnenlands conflict meer. Het is deel van de mondiale oorlog tegen het terrorisme. En daarin is geen plaats voor «helden van de terugtocht», zoals de Duitse schrijver Enzensberger ooit die politici typeerde die op kritieke momenten een negatieve balans durven op te maken. Het woord is aan beide zijden van de virtuele frontlijn aan leiders die zich eerder laten inspireren door Stalins beroemde bevel «geen stap terug» dat mede de val inluidde van het Derde Rijk.

Het Tsjetsjeense terrorisme is een derivaat product van Rusland, net zoals Bin Laden een tovenaarsleerling is van onder meer de Verenigde Staten. Het begon er in 1991 mee dat Moskou de Tsjetsjeense luchtmachtofficier Doedajev de vrije hand gaf om in zijn moederland de macht te grijpen. De reden was, achteraf gezien, nogal kleingeestig. In Grozny zetelde in 1991 de communistische partijsecretaris Zavgajev, die in augustus de staatsgreep tegen president Gorbatsjov steunde. Nadat deze coup was mislukt was iedereen in de ogen van de nieuwe man Jeltsin beter dan deze «verraderlijke» apparatsjik Zavgajev.

Drie jaar lang — totdat de eerste Tsjetsjeense oorlog in 1994 losbarstte — liet hij Doedajev zijn gang gaan. Oliepijpleidingen werden afgetapt, concurrenten een kopje kleiner gemaakt, banken frauduleus of gewapenderhand be roofd en drugsgelden geïncasseerd en witgewassen. Dat werd in de wittebroodsweken van de democratie door de vingers gezien. Sterker: Basajev, een clanleider en krijger wiens bekendste wapenfeit was de eerste vliegtuigkaper in de sovjetgeschiedenis te zijn, werd ingezet in de afscheidingsoorlog van het islamitische Abchazië met het christelijke en intussen onafhankelijke Georgië. Dezelfde Basajev was in 1995 de drijvende kracht achter de gijzeling van een ziekenhuis in Boedjonovsk.

Die terroristische actie liep rampzalig af. Premier Tsjerno myr din gaf toe. Een jaar later moest president Jeltsin een vernederende wapenstilstand sluiten met de rebellen. Basajev, onder invloed van fundamentalistische wahabieten uit de Arabische wereld meer en meer in zwarte richting opgeschoven, verloor de daarop volgende presidentsverkiezingen van Maschadov, die erin was geslaagd de clans en krijgsheren tijdelijk te onderwerpen aan zijn commando.

Maar vrede was te veel gevraagd. Moskou liet Maschadov lekker spartelen. Het ging van kwaad tot erger. Een nieuwe methode om kasstromen te genereren kwam tot wasdom: mensen ontvoeren, of ze nu zaken wilden doen of humanitaire hulp verlenen. De kidnappers, waaronder de clan van de zaterdag in Moskou omgekomen gijzelnemer Barajev, verloren alle denkbare scrupules uit het oog.

Toen enkele krijgsheren in 1999 hun werkterrein weer openlijk naar het buurland Dagestan verlegden, was dat het alibi waar toenmalig premier Poetin naar uitkeek. Poetin was niet alleen naar voren geschoven als de sterke man die de orde zou herstellen — iets wat zijn voorgangers niet mochten of wilden —, Poetin had ook een scherpe analyse van de rationele belangen van Rusland. Hij wist dat sociale orde niet alleen uit de loop van een geweer kwam maar ook afhangt van economische machtsposities.

Door Dagestan binnen te vallen, provoceerden de Tsjetsjenen een dominotheorie. Als Dagestan zou vallen, zou Rusland ophouden te bestaan als Kaspische mogendheid. Zonder formele soevereiniteit over Dagestan zou Rusland het kleinste landje aan de kust worden van deze binnenzee die over God weet hoeveel oliereserves beschikt. Nog belangrijker, dan zou Rusland ook zijn greep op de pijpleidingen kwijtraken. Want olie boren mag lucratief zijn, energie transporteren is nog lucratiever.

De wijze waarop Poetin vorige week de gijzeling van een buurttheater in Moskou heeft behandeld, is mede door deze analyse ingegeven. Achter de brede rug van collega Bush, die net als hij de oorlog tegen het terrorisme voert conform het principe «geen woorden maar daden», kon hij het tempo opvoeren. Dat bij de bestorming gebruik is gemaakt van gifgas — de doodsoorzaak van bijna alle gijzelaars — is in die redenering van ondergeschikt belang.

Poetin heeft zich zondag tegenover de nabestaanden verontschuldigd voor deze fatale consequentie: «Vergeef ons». Maar maandag was de toon alweer wat minder deemoedig: «Geen onderhandelingen». Hoe hij de oorlog tegen het terrorisme in Tsjetsjenië en daarbuiten concreet gaat opvoeren, is ongewis. Maar één ding is zeker: het wordt nóg drukker in de vluchtelingenkampen in het naburige Ingoesjetië.