Belcampo’s onderaards gelach

Het Literaire Produktiefonds vond het niet de moeite waard om een uitgave van zijn verzameld werk te subsidieren. Driewerf schande! Daarom andermaal een ferm pleidooi voor Belcampo’s rare verhalen en zijn filosofie voor blijmoedigen.
MIJN HUISARTS hield ermee op, hij ging met pensioen. Hij was een kalme man. Hij had zijn praktijk aan de Sarphatistraat. Het rook er naar kamfer en het leek wel een museum. In de kamer waarin hij je ontving, lagen medische instrumenten die nog vervaardigd waren van hout en koper. Op zijn bureau stonden medicijnen in dikke glazen potjes. De wanden van de wachtkamer werden ingenomen door mooie donkere houten kasten waarin achter glas boeken stonden. Geen tijdschriften en ook geen populaire werkjes. Nee, boeken van bijvoorbeeld Bertrand Russell en Guy de Maupassant.

Zelf had hij niets van een arts. Geen strenge medische blik, helemaal niets. Hij zat er voor zijn rust leek het wel, alsof hij op een bankje in het park zat en af en toe een praatje maakte met een passant. Hij schreef je ook nooit iets voor. Blijf maar een paar dagjes thuis, zei hij altijd. En dan liet hij het anatomische hoofd dat voor hem stond knipogen. Einde consult.
In zijn afscheidsbrief wenste hij zijn clienten het allerbeste en sprak hij er zijn blijdschap over uit dat hij nu alle tijd had voor zichzelf. Hij vond het leven mooi, ‘want we zwemmen als vissen in het wonderbaarlijke’. Ik moest meteen aan Belcampo denken.
Belcampo (1902-1990) was ook arts en minstens zo zonderling. Arts werd hij pas op zijn vijfendertigste. Hij had een praktijk in een klein plattelandsdorp - dan kwamen er niet zo veel klanten. Later werd hij studentenarts in Groningen. Hij wilde tijd hebben om te kunnen leven, dat wil zeggen om te kunnen reizen en schrijven, fantaseren en denken, hetgeen resulteerde in zijn zeer eigenzinnige belletrie en filosofie.
Zijn eerste verhalen schreef Belcampo, geboren in 1902, in de jaren twintig. Hij las ze voor aan bevriende, artistieke studenten. Na een teleurstellende confrontatie met een vrekkige uitgever gaf hij zijn 'rare verhalen’ zelf uit. Een paar maanden later was de oplage van vijfhonderd exemplaren uitverkocht, voornamelijk aan studenten.
Het zijn vreemde verhalen, ja bizarre verhalen in een eenvoudige stijl zonder poespas. Bijvoorbeeld over een man die zichzelf opeet. Of over een paasfeest, gesitueerd in het stijve Rijssen van zijn jeugd, waarbij de algemene waanzin uitbreekt en men zich van een brandweerladder in het vuur stort na elkaar de kleren van het lijf te hebben gescheurd. 'Hossende en stampende naakte dominees, de handen tastend op het vlees van naakte ministersvrouwen. (…) Oude wijven met zwalpende borsten liepen rond en voerden met ranselarijen de lustprestaties der mannen op.’ Oneerbiedig, wreedaardig en onweerstaanbaar komisch.
Sommige zinnen lijken afkomstig uit een van de prozavertellingen van Franz Kafka: 'Wat ben jij voor bed, fluisterde hij. Ik ben je doodsbed, fluisterde het terug en met een flinke sprong vloog het bed door de kapotte ruit en draafde langs de stille straat.’ Latere critici spraken dan ook van Kafka’s invloed en noemden ook Meyrink, Poe en Jarry. Ze wisten zich geen raad met deze vreemde vertellingen. Maar Belcampo haalde daar zijn schouders over op. Zelf wees hij op de invloed van de volslagen onbekende professor Hans Nar wiens 'Wijs en onwijsgerige beschouwingen’ in De Prins der geillustreerde bladen hem in zijn jeugd diep raakten.
'WIJS- EN ONWIJSGERIGE beschouwingen’ - daarmee zou je ook Belcampo’s werk kunnen karakteriseren. Al vanaf het begin zijn belletrie en filosofie bij Belcampo onlosmakelijk met elkaar verbonden. Alleen klinkt filosofie wel erg zwaarwichtig als je het over Belcampo hebt. Hij was immers geen ernstig theoreticus, maar een lichtvoetig levenskunstenaar. Het belcampisme was zijn levensvorm. Hij voelde zich er gelukkig bij. Gevoelens van ongeluk, schreef hij, worden veroorzaakt door denkbeelden die niet bij je passen.
Het zijn vooral ook oorspronkelijke verhalen. Als je de grootheid van een schrijver kunt afmeten aan zijn eigenwijsheid, dan behoort Belcampo tot de allergrootsten. 'Zijn eigenheid’, liet Belcampo weten, 'is de kurk waarop de kunstenaar drijft.’ Ontwrichting en het surrealistisch verbreken van gangbare gedachtenassociaties spelen een belangrijke rol. Belcampo vond in zijn eentje en als eerste schrijver in Nederland het surrealisme uit, ook al is dat procede volgens zijn zeggen al 'zo oud als de weg naar Rome of liever Athene’. Alleen, schreef Rodenko, geeft de surrealist zich bewust over aan de angst, terwijl Belcampo die in de humor tracht te neutraliseren. De obsessie is in beide gevallen dezelfde.
In de crisistijd geniet Belcampo zoals alleen hij dat kan van de werkloosheid. Verwonderd om de koude drukte daarover stelt hij vast dat in de hemel van geen enkele godsdienst gewerkt wordt. Hij heeft zijn rechtenstudie voltooid maar het advocatenkantoor vindt hij maar niks. Hij gaat als portrettekenaar op reis door Europa. De zwerftocht van Belcampo is het resultaat van een van die reizen - een van de beste reisverhalen die in het Nederlands geschreven is. De tocht voert via Belgie en Frankrijk naar het fascistische maar prachtige Italie ('een bijna onophoudelijke verrukking’) en langs de westelijke Balkan, die in die jaren net als nu zwanger ging van een fatale nieuwe staatsvorming die Belcampo treffend analyseert. Het is de getuigenis van een avonturier met een opgeruimd karakter, die gek is op vrouwelijk schoon en goed om zich heen kijkt. Die beseft dat hij het zwerven nooit zal kunnen laten. 'Je bent steeds vrij, om alles, wat je niet bevalt, voor altijd achter je te laten en er nooit van je leven meer aan te denken. In ’t gewone leven moet men daar zelfmoord voor plegen.’
Voor het eerst klinkt daarin iets door van benauwenis. Vrijheid was hem het allerliefst. Het huwelijk bijvoorbeeld achtte hij immoreel, in strijd met de menselijke natuur. Maar al spreekt de hele wereld over vrijheid als het hoogste goed, hij die zich werkelijk vrij van alle dogma’s probeert op te stellen, wordt niet geduld. Dat ondervindt Belcampo al tijdens zijn reizen. 'Wanneer de mensen niet weten waar je van leeft, weten ze niet of ze je moeten achten of minachten en die onzekerheid is hun zo pijnlijk, dat ze je het liefst zouden vernietigen.’ Verscheidene van zijn verhalen behandelen dan ook de eenzaamheid van de zonderling, zoals het meisje met de twee neuzen in 'Het hardnekkige verlangen’.
Maar hoe vaak het ook later nog zou gebeuren dat de mensen hem niet lekker lieten leven, verbittering bleef hem vreemd of stond hij zichzelf niet toe. Want ondanks de teleurstellingen die hij moest doormaken, bleef Belcampo een onverbeterlijke optimist. In zijn jonge jaren had hij een ernstige ziekte overleefd en sindsdien genoot hij van iedere dag die hem gegeven was.
De zwerftocht eindigt met een 'drom van indrukken’, een belcampistisch traktaat dat de kiem vormt voor zijn latere filosofie van het belcampisme. Een uitgever vindt hij niet. Hij betreurt het in de oorlog geen dagboek te hebben bijgehouden. 'Het zou een boeiend en belangrijk document zijn geworden.’ Maar na de oorlog verschijnt een nieuwe bundel verhalen bij een echte uitgever (Kosmos), en daarmee trekt hij de aandacht. Deze verhalen zijn langer, minder direct en vernuftiger van opzet.
BELCAMPO’S WERK is ideeenkunst. Alles stond in dienst van de idee die logisch en consequent - tot in het absurde - moest worden uitgewerkt. Soms duurde het jaren voordat het idee rijp was om in een vorm te gieten. En die vorm moest altijd het doel dienen. Aan het woordkunstige proza van de Tachtigers, die in de eerste plaats dichters waren, had hij een broertje dood. 'Een woord kan alleen door zijn klank al een emotionele waarde hebben, maar verweg de grootste emotionele waarde ontleent het aan de idee die het vertegenwoordigt.’ Belcampo had meer op met Multatuli.
In zijn nieuwe verhalen maakt de snedige satire plaats voor fijnzinnige ironie, het lugubere blijft aanwezig maar meer ondergronds. Het zijn verhalen met een dubbele bodem. 'Humor met een souterrain’, schreef Rodenko. En Belcampo zelf verklaarde zijn succes met de vatbaarheid bij de lezer voor 'mijn onderaards lachen’. Opvallend is dat bijna al zijn verhalen gelukkig eindigen - ook aan het dogma van de slechte afloop liet hij zich niets gelegen liggen. Die zinde en die paste hem niet. Bij hem geen katharsis maar de bevrijdende lach. Een onthoofding met een knipoog. Belcampo achtte de humor even diepzinnig als ernst, maar wel veel verkieslijker. En dat kwam niet voort uit behaagzucht: 'Wanneer het essentiele van de kunst is het overdragen van gevoelens, waarom dan ook niet zijn onvrede, zijn weerzin, zijn walging en zijn verveling op anderen overdragen!’ Nee, van bekrompenheid kun je hem niet betichten.
Zijn produktie is niet groot maar wel constant. Zo om de vijf jaar verschijnt er een nieuwe bundel verhalen. Steeds verrassend van inhoud, sprankelend van taal en stijlvol geconstrueerd. Meesterlijk. Ontevreden met de kritiek heeft hij zelf maar eens uit de doeken gedaan hoe het verhaal Het olografisch testament in elkaar steekt. Het is een verbluffend kijkje in de keuken. Je ziet dat er een echte maitre aan het werk is.
DAN WAAGT HIJ ZICH aan een onderneming die op hevig verzet stuit bij de deftige gevestigde orde van denkers: Belcampo publiceert zijn Filosofie van het belcampisme. Het is zijn 'eigen wijsheid’ (hij was een groot liefhebber van woordgrapjes). Het is het resultaat van al zijn vrij- en vooral ook eigenzinnige overdenkingen en vormt het pendant van zijn verhalend werk: de 'Verzamelde ideeen’ van Belcampo. Het bevat verrassend moderne inzichten, bijvoorbeeld dat de traditionele filosofische vragen betrekking hebben op voor de mens onweetbare gebieden, waarover dus geen zinnig woord valt te zeggen: 'De filosofie in enge zin zou dus moeten eindigen met zelfopheffing.’ Alles geschreven in dezelfde heldere stijl en even onorthodox als altijd.
In het eerste gedeelte van het boek ontvouwt hij zijn moderne, agnostische levensleer van het joie de vivre. In het tweede deel geeft hij vervolgens een uitstekend maar ook (o schande) bijna vermakelijk overzicht van de filosofie door de eeuwen heen en steekt daarin de momenteel populaire Luciano de Crescenzo (die is Italiaan, die mag dat) naar de kroon.
Maar hoe bijzonder of eigenaardig ook, het werk stuit op de benauwende hokjesgeest van de literatoren en hooggeleerde professoren in de filosofie. De eerste groep oordeelt: 'Het is geen literatuur.’ De tweede groep: 'Het is geen filosofie.’ Maar het is het natuurlijk allebei. Net zoals dat geldt voor het werk van Plato, Augustinus, Montaigne, Kierkegaard, Russell (die de Nobelprijs voor literatuur kreeg).
Zijn helderheid wordt verward met oppervlakkigheid, zijn positivisme met simplisme. De kritiek, wel oppervlakkig en simplistisch, valt vooral over de kern van zijn humanistische levensbeschouwing, de slogan 'Lekker leven en lekker laten leven’ - zo zonder context inderdaad een beetje zotte uitspraak. 'Deze kreet had ik nooit moeten slaken’, zei Belcampo dan ook ooit. Toch zegt bijvoorbeeld de door onder anderen Stendhal en Nietzsche hooggeschatte Chamfort ook zoiets: 'Geniet en laat genieten zonder jezelf of iemand anders te schaden; dat is naar mijn mening de hele moraal.’ Niemand die daar ooit over gevallen is.
Wel is het een beperkte filosofie: 'Het belcampisme is bij uitstek een filosofie voor blijmoedigen en zo het ooit aanhangers krijgt, pessimisten zullen daaronder niet zijn.’ Want de blijmoedigen en zwaarmoedigen zullen elkaar nooit met hun argumenten kunnen overtuigen: dat is eenvoudig 'een hormonale kwestie’. Eigenlijk is het meer een persoonlijke filosofie (Belcampo heeft het ook niet voor niets belcampisme gedoopt), een getuigenis van de zwerftocht die Belcampo als denker heeft gemaakt en zijn particuliere conclusie daaruit. Maar geldt zo'n persoonsgebondenheid niet voor alle filosofieen? Dat het belcampisme zo slecht, ja onheus werd ontvangen heeft hem dan ook verdroten. 'Het had een beter lot verdiend dan tussen de wal en het schip, dat is in casu tussen de litteratuur en de wetenschap terecht te komen.’
EEN BETER LOT verdienen ook zijn twee bundels heiligenlevens. Deze fantastische verhalen liggen in het onmiddellijke verlengde van zijn eigen verhalen: bizar, met een gruwelijke ondertoon en tegelijkertijd hilarisch. Zijn interesse ervoor werd gewekt toen hij als student eens las over een toucher bij Maria door een vroedvrouw. Na de geboorte van Jezus weigerde zij namelijk in Maria’s ongeschonden maagdelijkheid te geloven, maar toen ze haar hand terugtrok waren als straf twee van haar vingers verschrompeld. Belcampo heeft de verhalen - met alle respect, dat wel - naar zijn hand gezet, waardoor het onvervalste Belcampo- verhalen zijn geworden. Vol waanzin, vrij van vroomheid. Het verhaal van Antonius werd het verhaal van een verslaafde aan wierook die in een van zijn visioenen ziet dat God de Heilige Maagd in het gezicht slaat. Zoon Jezus begint zich ermee te bemoeien, evenals de Heilige Geest, in de gedaante van de duif. 'In de Drieeenheid was de eenheid volkomen zoek.’ Hij kreeg prompt ook 'reacties die regelrecht uit de jaren van de Inquisitie stamden’. Dat een criticus erover valt dat Antonius zich 'verneukt’ voelt is, zo verdedigt hij zich, geheel ten onrechte 'in een verhaal dat helemaal over een manlijk teeltorgaan gaat’. Bovendien dekte die volkse uitdrukking de lading precies. 'En staat een heilige zo ver van de mensheid af dat hij zich nooit verneukt kan voelen?’
Belcampo’s heiligenverhalen zijn er juist op gericht die personen weer in ons midden te brengen. Met een uitgesproken voorkeur voor motieven die van alle tijden zijn en bijna alle mensen betreffen. Want hij vond het een prettig idee als zijn werk tot het Nederlandse volksbezit zou gaan behoren, zoals dat van Vader Cats. Een radiogesprek te Brussel - het enige dat hij ooit heeft gehouden - eindigde hij met: 'In elk Nederlands gezin de bijbel en Belcampo!’ Ironie natuurlijk, maar met een serieuze ondertoon.
GEZIEN DIT ALLES is het uitermate betreurenswaardig dat het Literaire Produktiefonds onlangs heeft besloten de uitgave van Belcampo’s Verzamelde Werk niet te subsidieren. Men acht de literaire kwaliteit van zijn werk 'te inconsistent’. Wat een benepen zuinigheid - het gaat hier immers om in totaal drie banden! Iets meer respect voor een oeuvre zou het fonds niet misstaan. En wat een vergissing: het werk van Belcampo is, ook al door de geringe omvang ervan, juist een van de meest consistente oeuvres in de Nederlandse literatuur! Daarom had hij ook een baan als studentenarts: om zijn werk zuiver te houden en niet in broodschrijverij te vervallen. Nee, de beoordelingscommissie heeft het slecht gelezen, slecht begrepen of is afgegaan op de communis opinio - iets wat Belcampo verafschuwde.
En wat zegt zijn uitgever? 'Het is onzinnig het Produktiefonds er de schuld van te geven dat het niet is doorgegaan.’ En hij laat het er verder bij. Maar wiens schuld is het dan wel? En moet een uitgever niet opkomen voor het nagelaten werk van zijn auteur? De vuist op tafel! Een schrijver beoordeel je op zijn hoogtepunten en waardeer je met de uitgave van zijn hele werk. Commissie, lezen en dan lekker laten lezen!