Profiel: Suske & Wiske

Belegen bengels

«Is het je weleens opgevallen, vroeg hij, dat de helden van die kinderstrips geen vader en moeder hebben? Een gewoon gezin komt niet voor. Neem Suske en Wiske. Zij wonen in huis bij een tante, tante Sidonia. Bij die tante thuis verkeert of woont een oom. Lambiek genaamd. Maar deze Lambiek is niet getrouwd met tante Sidonia, noch zijn Suske of Wiske haar of zijn kinderen.»

Dit profiel van de stripserie Suske & Wiske komt uit Nacht op de kale berg (1961) van Karel van het Reve en is een vroeg voorbeeld van belangstelling in geschoolde kringen voor strips; aan het eind van de jaren zestig zou het zelfs mode worden. Toen deze roman verscheen, was de strip Suske & Wiske al zestien jaar oud en lagen er meer dan vijftig uitgaven in de winkel.

«Traag graag! Denk aan onze vriendjes!» manen Suske en Wiske tegenwoordig op borden bij Vlaamse woonerven. Traagheid is echter nooit het motto van schepper Willy Vandersteen geweest, gezien zijn output van elke dag een af levering in De Standaard en vier tot vijf nieuwe albums per jaar. Bovendien creëerde hij behalve zijn helden ook een Studio, waar Paul Geerts in 1972, achttien jaar voor de dood van Vandersteen, de strip had overgenomen. Mei volgend jaar zal Geerts op zijn beurt Suske & Wiske overdragen aan Marc Verhaegen, die zich ook al jaren warmloopt.

Onlangs verscheen album nummer 269 (eigenlijk 204, over die nummering zullen we het niet hebben), De stugge Stuyvesant. Allitererend zoals vaak. Wie dat wil, kan daarbij voor een paar gulden extra de cd-rom De dappere duinduikers aanschaffen, de eerste interactieve Suske & Wiske. Want Standaard Uitgeverij en de erfgenamen gaan met hun tijd mee.

Volgens veel fans gaan ze daarin te ver. Onlangs werd bekend dat Geerts & Verhaegen tegen hun zin door de erfgenamen waren gedwongen de strip eigentijdser te maken. In De koeiencommissie, dat dit voorjaar verscheen, dragen Suske en Wiske dus eigentijds jongerenschoeisel, heeft Suske zijn eeuwige spijkerbroek met omgerolde rand verruild voor een hiphoppantalon en draagt Wiske een kort zwart rokje onder een topje dat haar buik bloot laat. En riep Suske in 1947 nog — trots op zijn buurt — «Seefhoek, vooruit!», op een van de eerste plaatjes in De stugge Stuyvesant is het «Wow, keitof!»

De erfgenamen kozen eieren voor hun geld en beloofden dat de veranderingen zullen worden teruggedraaid nadat de albums zijn verschenen die nu op stapel staan. Want het merk Suske & Wiske is een melkkoe. Met kerst komt de speelfilm De duistere diamant in de bioscopen, geregisseerd door niemand minder dan Dominique Deruddere. Tegen die tijd verwacht Standaard Uitgeverij ook het 150 miljoenste album te verkopen.

Andere mijlpalen is de strip al gepasseerd. Suske & Wiske bestaat meer dan vijftig jaar en het 250ste (officiële) deel van de serie is al enige tijd geleden verschenen. De commerciële aanpak is steeds verder uitgebouwd. Denk aan de onvermijdelijke merchandising met tv-filmpjes, snoepjes, kleren, beeldjes, musicals, ballonvaarten, mokken, telefoonkaarten en een week blad. Er worden albums gemaakt speciaal voor de kleintjes, andere heruitgegeven in luxe-edities, waarvan sommige tachtig gulden per stuk kosten. Er zijn vertalingen in 25 talen, waaronder het Limburgs en het Twents, waarvan je het idee hebt dat ze vooral door Nederlandse stripliefhebbers worden verzameld.

De Engelse vertaling van De knokkersburcht (1954), The Highland Games, is gebonden in tartanstof en voorzien van een massief zilveren zwaardje. Prijs op aanvraag. Welke gek betaalt dit voor een middelmatig Spike & Suzie-verhaal? Verder zijn er de Suske & Wiske-albums in opdracht. Maakte Vandersteen tussen 1958 en 1975 een aantal verhalen voor toeristische verenigingen, daarna verkocht de Studio aan Dash, Smarties, Kodak, Sony en noem maar op het alleenrecht voor speciale albumpjes die gratis bij de koopwaar werden weggegeven.

Wie via De stugge Stuyvesant kennismaakt met Suske & Wiske, kent meteen tachtig andere verhalen, zo vast is het stramien. Vaak zet de tijdmachine van professor Barabas het verhaal in werking, is er sprake van een verborgen schat, wordt er verwezen naar een ouder verhaal en beslist Jerom met zijn spierkracht de strijd tussen de goeden en de kwaden, geholpen door Suske en Wiske, Lambik en Sidonia. Door het verhaal heen zijn verwijzingen naar de populaire cultuur en de actualiteit gestrooid

Deze keer is het Peter Stuyvesant, de directeur-generaal van het zeventiende-eeuwse Nieuw-Amsterdam, die naar onze tijd komt. Hij weet een schat in een gezonken galjoen. Lambik en Jerom treden in dienst bij de NYPD (zie de tv-serie), voor hun schutterskwaliteiten verwijzen ze naar De Texasrakkers (1959). Was de gsm al eerder geïntroduceerd, deze keer vindt Suske informatie op het internet. Actueel zijn ook de New Yorkse gangsta’s; die spreken elkaar echter aan met «mother» in plaats van «motherfucker».

Opvallend is dat Peter Stuyvesant gewoon terugvliegt naar het verleden. Tot voor kort was er altijd sprake van een vloek waarvan een personage ten slotte werd verlost, zodat zijn ziel eindelijk rust kreeg. Een zeer katholiek element, ook in visueel opzicht, met erg veel duivels en wolkjes. Vergelijkbaar is ook het offer van hun leven dat personages brengen om boete te doen. De jongen Knul in De kleppende klipper (1955) bijvoorbeeld, een sigaretten rokende nietsnut die zich bekeert.

Uit het vaste repertoire ontbreken in De stugge Stuyvesant een paar elementen, zoals de Onbekende, onder wiens vermomming zich altijd een bekende blijkt te verschuilen — meestal tante Sidonia; lezers verwachten geen kordaat optreden van een oude vrijster. Eveneens keert er geen bijfiguur terug uit een ouder verhaal.

De vaste crew bestaat uit Wiske uit Antwerpen, haar pop Schanulleke (eerst Schalulleke en een tijd Schabolleke in het Nederlands) en haar tante Sidonia (eerst Sidonie), alle drie uit 1946, Barabas (eigenlijk Wargaren, 1947), Suske (uit Amoras, 1947), Lambik (1948, eerst Pukkel en een tijd op zijn Nederlands Lambiek) en Jerom (bekeerd holenmens, 1953).

Voor de continuïteit put Studio Vandersteen uit een grote voorraad vaste bijfiguren. De geest Sus Antigoon en de tandarts Jef Blaaskop uit Amoras (1947), het sprekende autootje Vitamientje en Lambiks broer Arthur, «de vliegende aap» (beiden 1948), de gekke kasteelheer Van Zwollem (1958), de gehaaide verkoper Theofiel Boemerang (1959) en de pillenslikkende misdadiger Dokter Krimson (1963). Amoris van Amoras (1984), het tweehonderdste album, laat ze bijna allemaal opdraven. Geen Van Zwollem, maar voor hem in de plaats keren de Zwarte Madam en haar trawanten uit 1949 terug, alsmede de hond Tobias uit Het hondenparadijs (1962).

Als werkelijk de bodem van de inspiratiebron in zicht is, introduceert Vandersteen zichzelf of zijn kennissen als personage (De sterrenplukkers, 1952; Het rijmende paard, 1962). Geerts liet zijn voorganger zelfs een hoofdrol spelen in De belhamel-bende (1982) en zette daar bij ook zichzelf en zijn collega’s in het zonnetje. Die realistische koppen zorgen voor een lelijke stijlbreuk.

Ooit verscheen Suske & Wiske in Hergés weekblad Tintin. Hergé had geen hoge dunk van zijn collega Vandersteen, maar zag wel de commerciële potenties van diens creatie. Overigens heeft Vandersteen erg veel van Hergé overgenomen. Suske & Wiske is een eigenzinnige variant op diens serie Jo, Suus en Jokko. Verhaallijnen komen uit Kuifje-verhalen als Het geheim van de Eenhoorn, Theofiel Boemerang is Serafijn Lampion. Vandersteen leende ook bij Marten Toonder (en bij Dumas, Hope, Cervantes en Poe).

Hergé vond de eerste Suske & Wiske-verhalen te volks en te knullig (en natuurlijk te Vlaams, met anti-Waalse grappen). Die oude verhalen waren soms ook smakeloos. In De stierentemmer komt een akelige baby voor die plast op boeven; in Het bevroren vuur gaan twaalf prinsesjes voortdurend op twaalf potjes. Historische samenlevingen als het Egypte van de farao’s en het Griekenland van Demosthenes waren knullig op de maan of in uithoeken van de aardbol gesitueerd. Dan was die onvermijdelijke tijdmachine minder erg. Kneuterig was dat Sidonia opeens een vader bleek te hebben, net als Lambiek in een ander verhaal.

Het taalgebruik moet de meester uit Brussel eveneens een doorn in het oog zijn geweest. Neem het allereerste verhaal, Rikki en Wiske in Chocowakije (1946, nog zonder Suske). Zo spreekt het communistische radiostation Kroko: «Heden morgen heeft onze luchtmachtowitz de rakettank vernieldochka. Dit bericht werd niet formeel gelogenstraftowitz!» In Het Spaanse spook stelt het titelpersonage zich voor als: «Salodos, kamarados! Waarom verstopica jullie voor Don Persilos Y Vigoramba? Kom naderios, ik ben immers ook niet bamgaramba!» De duivel zegt in de Middeleeuwen tegen Wiske: «Gij waagt het mij te tarten ende uit te dagen? Welaan dan… aanschouw degene die voortaan uw heer ende meester zal zijn!»

Hergé eiste dan ook een andere aanpak van Vandersteen. Geen tante Sidonia met haar bemoeizucht in het stripblad Kuifje, geen Jerom en geen Barabas met zijn onwaarschijnlijke uitvindingen. Helaas is de Onbekende gebleven, maar Hergé zelf was daarvan in Kuifje ook niet vies. Lambik werd een serieuze figuur en Wiske kreeg zelfs een leuk kapsel. Deze verhalen voor Kuifje — bekend als de «blauwe reeks» — zijn de beste die Vandersteen heeft gemaakt.

De commotie dit jaar over het gewijzigde uiterlijk van de personages was dus een beetje overdreven, gezien het nieuwe kapsel van Wiske. Suske en Wiske waren aanvankelijk lelijke dwergjes met kromme pootjes. Het zwarte, korte broekje van Suske werd ergens in het begin van de jaren zeventig verruild voor blue jeans. Jerommeke werd een vlotte yup die gestileerd bussen optilt als niets anders meer baat. Oude vrijster Sidonia werd al spoedig door bijfiguren ten huwelijk gevraagd vanwege haar slankheid, al blijft Lambik grappen maken over bezemstelen en bonenstaken.

Het kan verkeren. Wat Hergé rond 1950 nog afschuwelijk vond, werd ruim een decennium later gekoesterd door een nostalgische generatie: de volkse verhalen over de Zwarte Madam en de bokkenrijders; grappen over schoonmoeders, belasting en doktershonoraria; de tijd dat Suske, Wiske en Lambik gewoon een zakje friet aten en de politie oerdom was; de tijd dat de radio de belangrijkste bron vormde voor amusement en nieuws. Met de onverbloemde katholieke burgermansmoraal en educatieve ijver. Het was de tijd dat bladen als Stripschrift veel aandacht besteedden aan «klassieke» series als Suske & Wiske. En weerspiegelden die oude albums een volks, Antwerps element, nieuwe als De toornige tjiftjaf (1971) en De boze boomzalver (1972) zouden lezers de liefde voor het milieu bijbrengen. Coltruiprogressief zijn die verhalen. De toor nige tjiftjaf is een aanklacht tegen het stropen van vogels, maar stelt alleen het grootschalige karakter ervan aan de kaak. Lambik wil «de gewone man niet zijn hobby afnemen». In De boze boomzalver bekeert een natuurbedreigende projectontwikkelaar zich omdat zijn dochtertje dreigt te sterven.

De strip is coltruiprogressief gebleven. Sidonia en Wiske maken obligate praat jes met Suske en Lambik over de rol van de vrouw, maar verder wordt die rol niet ter discussie gesteld. Gelaten doen Suske en Wiske een beroep op het nostalgische Vlaamse hart van de overheid om het dorp Doel aan de Schelde te behouden, aan het eind van Het verdronken land (2000). In Jeanne Panne (2000) vergelijken Suske en Wiske de oorlogstoestand in 1600 (jawel, het speelt bij Nieuwpoort) met de huidige in Joegoslavië. Maar net als vroeger zijn de Spanjolen de slechten en prins Maurits en zijn huursoldaten de goeden.

De koeiencommissie vertelt wat er gebeurt als de dieren kunnen spreken en een kabinet vormen. Voor Nederland was de timing wat onhandig: het album lag in de winkels toen de consument door diverse runderziekten werd verontrust. Aan het eind verliezen de dieren hun spraakvermogen en worden ze alsnog geslacht. Het was de tijd van de massale ruimingen op tv.

Als de strip zich niet inhoudelijk vernieuwt, zorgt dan het medium cd-rom voor een andere aanpak? Want van het verhaal moet De dappere duinduikers het niet hebben. De Studio heeft niet goed opgelet, want er komt opnieuw een gezonken galjoen met een schat in voor, net als in De stugge Stuyvesant. Locatie is alweer de Vlaamse kust en er komen voor de zoveelste keer geheimzinnige kleine wezens in voor. Het zijn de duinduikers die onder leiding van hun koninginnetje, de Kokkeline, al eeuwenlang de planten verzorgen opdat de duinen niet verstuiven. Tasjesdieven met een meeuw op hun masker dwingen hen tot schatgraven. Zoals altijd weten de vrienden na wat onderlinge strubbelingen en met hulp van Barabas en Jerom de zaak te klaren en de meeuwenbende door de politie te laten inrekenen.

Het enige voordeel van het medium is de tweetaligheid: er is ook een versie Les pique dunes pickpockets met Bob en Bobette. Voor de rest is het een normale aflevering van Suske & Wiske. Je ziet een plaatje verschijnen. Als je de cursor naar een mond beweegt, verschijnt er een tekstballon. Als je in die ballon klikt, komt het volgende plaatje. Dit proces vergt veel meer tijd dan het lezen van een album. Ik werd er ongeduldig van, ondanks het feit dat er soms iets op de achtergrond beweegt — een vogel schuift onhandig over het scherm, de auto van Lambik hobbelt het beeld uit. Of de geluiden — veel zee- en strandgeluiden en geluidseffecten die vroeger in ballons moesten worden verwerkt. Dat lijkt een winstpunt, maar het maakt het verhaal visueel een stuk saaier.

Interactief? Nee, het is een papieren stripverhaal op cd-rom. Je kunt het verloop niet beïnvloeden. De meeuwenbende laten winnen bijvoorbeeld. Of professor Barabas dood laten gaan, opdat nooit meer de tijdmachine gebruikt kan worden. Of Sidonia en Lambik eindelijk laten trouwen, net als juffrouw Doddel en Heer Bommel, zodat de strip eindelijk is afgelopen.