Belegerde identiteit

Sioux tijdens de Slag bij de Little Bighorn tegen generaal Custer, 1876 © Art Media / Print Colector/ Getty Images

Wie een roman van de Ierse schrijver Sebastian Barry ter hand neemt dient te beseffen dat die vaak voortborduurt op vorige romans, maar altijd vanuit een verrassend nieuw perspectief. Zijn oeuvre vormt een netwerk van in elkaar grijpende vertellingen over één thema: overleven. Barry’s recente roman Duizend manen is een rechtstreeks vervolg op Dagen zonder eind (2016), een verhaal dat op zijn beurt niet voor het eerst draait om de Ierse familie McNulty. Duizend manen is weliswaar een zelfstandig verhaal, maar dat krijgt nog meer dramatische diepte als de lezer het historische decor kent.

De openingszin van Duizend manen is een eenvoudige maar tegelijkertijd gecompliceerde mededeling: ‘Ik ben Winona.’ Achter dat simpele zinnetje schuilt de ingewikkelde en gewelddadige ontstaansgeschiedenis van de Verenigde Staten. Winona is een Sioux-meisje dat eigenlijk Ojinjintka heet. Thomas McNulty, in 1847 een uitgehongerde illegale Ierse immigrant die zijn geluk beproefde in de Nieuwe Wereld, overleeft in Amerika omdat hij, in Dagen zonder eind, dienst neemt in het leger. Dat leger leeft zich uit in de zogenaamde Indianenoorlogen in de jaren vijftig van de negentiende eeuw, een strijd vol verbroken verdragen en systematische moord op de Native Americans. McNulty en zijn vriend en minnaar John Cole, in wie ook een beetje Indiaans bloed stroomt, ontfermen zich over een nichtje van het opperhoofd Caught-His-Horse-First, Winona, getuige van de afslachting van haar naaste familie en stamgenoten. Uiteindelijk, na de Burgeroorlog, vestigt het ‘echtpaar’ McNulty/Cole zich met hun ‘dochter’ Winona (de naam Ojinjintka kunnen ze niet uitspreken) op een boerderij bij Paris, Tennessee. Een andere veteraan en twee vrijgemaakte slaven complementeren de ‘familie’, een wonderlijk en ideaal minimaatschappijtje dat zichzelf kan bedruipen maar dat al te vaak belegerd wordt.

Op die boerderij eindigt Dagen zonder eind, achteraf verteld vanuit het perspectief van de overlever Thomas McNulty, die zich graag in vrouwenkleren hult. Duizend manen is de achterafvertelling van Winona, die zich aanvankelijk noodgedwongen in jongenskleren hult en haar zwarte haar afknipt om zo te ontkomen aan begerige blikken van blanke mannen. Tevergeefs. Maar ondanks alle geweld dat haar wordt aangedaan weet ook zij te overleven – en hoe!

Barry durfde het aan om een verhaal te schrijven vanuit een Sioux-meisje

Wat het eerst opvalt aan Duizend manen – spelend in de jaren zeventig van de negentiende eeuw, ten tijde van de Reconstructie – is het taalgebruik. Dat heeft iets plechtigs. Het wijkt vaak af van het vanzelfsprekende. Mocht je denken dat de vertaler ernaast zat toen hij koos voor ‘en zulks’, ‘ons bedoelden te beroven’, ‘begonnen te weten’ of ‘zijn elegante gezicht was in schrik gesluierd’, vergeet dan niet dat Winona’s Engels een later aangeleerde taal is (haar moedertaal is ze vergeten) die zodoende in woordkeus en beeldgebruik verrassend is.

Wie in Paris, Tennessee, heeft Winona mishandeld? Jas Jonski, een blanke jongen die hopeloos verliefd is op haar? Winona zelf weet het niet meer omdat het drinken van whisky haar herinneringen heeft gewist. Als ze terugkeert naar de boerderij ontdekt de zwarte kokkin Rosalee dat Winona niet alleen mishandeld is, maar ook verkracht. ‘Mijn wond was dat ik een verloren kind was.’ Volgens de Onafhankelijkheidsverklaring hoort Winona bij de ‘genadeloze wilden’ en volgens de wet is ze niet eens een tweederangsburger. Duizend manen, waarin de tijd een cirkel of hoepel lijkt waarbinnen alles en iedereen rondcirkelt, concentreert zich op de vraag wie de dader is.

Maar Sebastian Barry is een schrijver die niet alleen buitengewoon subtiel met de mogelijkheden van een plot kan spelen maar veel meer nog met de vraag wie iemand is. De beginzin ‘Ik ben Winona’ levert veel meer antwoorden op dan de lezer kon bevroeden. Hij moet als het ware ‘ikjes sprokkelen’ omdat Winona een zeer veelzijdige persoonlijkheid blijkt te hebben. De plot navertellen is zinloos. Die kan ik eenvoudig samenvatten door te zeggen dat alle moedige inspanningen van Winona om gerechtigheid te krijgen in een rechteloze maatschappij botsen op botte boosdoeners en leugenachtigheid. Aan het slot van haar overlevingstocht en haar proces (volgens de rassenjustitie heeft zij haar verkrachter Jas Jonski vermoord) kan ze, als vervolg op de schijnbaar eenvoudige openingszin, zeggen: ‘Ik was nu een andere Winona, een nieuwe. Een veroordeelde. Een meisje, een jongen.’

Barry weet de werkelijke toedracht van de verkrachting tot de laatste pagina’s uit te stellen, zoals ‘het hoort’. Toch is de plot bijzaak. Hoofdzaak blijft de belegerde identiteit van Winona. Als zij, verkleed als jongen met een geweer, stiekem op haar ezel achter de militie aangaat, die een stel bendeleden alias nachtruiters wil aanvallen, verandert haar leven voorgoed. Bij toeval redt ze het Indiaanse meisje Peg. Die redding heeft verstrekkende gevolgen voor haar en voor Peg(asus). Haar ‘moeder’ Thomas McNulty, ‘getrouwd’ met John Cole, verkleedt zich graag als vrouw, Winona komt erachter dat zij liever jongenskleren draagt en Peg ziet als meer dan een vriendin.

De Ier Sebastian Barry schreef met Dagen zonder eind een Amerikaanse historische roman. Dat was al een waagstuk. Met Duizend manen durfde hij het aan om met behulp van grondige research een verhaal te schrijven vanuit een Sioux-meisje dat door de Amerikaanse geschiedenis werd geteisterd. Zeer goede schrijvers kunnen zich zo goed inleven in wie dan ook dat het resultaat overtuigend is. Barry is vaak genomineerd geweest voor de Man Booker Prize. Met Duizend manen zal het ongetwijfeld de vijfde keer zijn. Vijf keer is scheepsrecht?