Beleidsperspectieven

Wie de reacties uit Den Haag vorige week beluisterde zou het niet zeggen, maar het kabinet werd vorige week met het wrr-rapport op zijn wenken bediend. Bijna exact een jaar geleden veroorzaakte minister Ben Bot (Buitenlandse Zaken) lichte politieke deining door te stellen dat de Europese Unie moest gaan nadenken over een herziening van de relaties met het snel groeiende Hamas. Een voorstel voor zo’n gewijzigde omgang ligt er nu.

Het islamitisch activisme is geen homogeen blok, is de centrale boodschap, en het kán bijdragen aan democratisering en mensenrechten. Het beleid van de Nederlandse regering moet erop gericht zijn zulke positieve ontwikkelingen van binnenuit te stimuleren, zonder te beleren. Bovendien heeft de overheid ook in eigen land nog het nodige missiewerk te verrichten. Met het kennisniveau van de burger over de islam is het volgens de wrr «bedroevend gesteld». Dat moet veranderen, niet alleen via het onderwijs, maar ook door er als overheid voor te zorgen dat de «goede» moslimdenkers vertaald worden.

De kracht van het rapport is dat het de te vaak herkauwde scheidslijn tussen «de islam» en «het Westen» onderuit haalt. In plaats daarvan schetst de wrr een politiek krachtenveld waarin tal van breuklijnen en tegenstellingen dwars door elkaar lopen, ook door «de islam» («the clash within») en het Westen heen, want ook «onze» anti-democratische, theocratische sgp blijft niet ongenoemd.

Het rapport is opvallend kritisch. Het ageert tegen het wij/zij-denken, dat tot de beleidsnota’s van ministeries zou zijn doorgedrongen, tegen de repressie door de Israëlische staat en tegen de «nieuwe intellectuele islamofobie» die het debat in Nederland de laatste jaren domineert.

Bovenal geeft de wrr blijk van een pragmatische en empirische instelling. Het zijn niet de officieel beleden beginselen die getoetst worden – het vertrekpunt – maar de «aard en richting van die islamisering», de vector dus. Nog belangrijker: het rapport brengt de context terug in het debat over de islam. Deze wordt nu eens een keer niet beschouwd als een steriele levensbeschouwing, die aan de op papier beleden westerse, liberale mensenrechten wordt getoetst. Het object van studie is een stroming met een eigen dynamiek die zich ontwikkelt in specifieke samenlevingen, vaak voormalige koloniën met een autoritair regime en enorme inkomensverschillen. In de woorden van de wrr: «Politieke bewegingen en partijen, islamitisch of niet, nemen nu eenmaal de ‹kleur› aan van de omgeving waarin ze verkeren. Autoritaire, repressieve regimes met een politieke cultuur van ‹alles of niets› bieden weinig garanties dat zij bewegingen voortbrengen die niet alleen in woord maar ook in daad democratisch zijn.»

Maar het rapport roept ook vragen op. Allereerst fundamentele: wat is dat precies, democratisering, en wat zijn de algemene voorwaarden los van de islam – sociaal-economisch, geopolitiek et cetera – daarvoor? En willen we dat wel ten koste van alles, als hoogste goed? Je stemrecht kun je niet eten en ook langs democratische weg kan gekozen worden voor het uitroeien van de joden.

Maar de bezwaren zijn ook concreter, ten aanzien van de beleidsaanbevelingen die de wrr doet. Daarbij wordt blijk gegeven van een heilig vertrouwen in de matigende invloed van een rechtsstaat en het parlementaire systeem. Het rapport zet zich af tegen de angst voor «one man, one vote, one time», oftewel de vrees dat islamitische partijen, eenmaal verkozen, de democratie om zeep helpen. In plaats daarvan wordt een proces van «sociaal-democratisering» van de politieke islam geschetst.

Het perspectief van het wegvagen van de seculiere staat maakt plaats voor hervormingen van binnenuit en deelname aan de verkiezingen. Daarbij wordt gerefereerd aan voorbeelden uit de westerse politieke geschiedenis van een soortgelijke «gang van uiteenlopende vormen van breed gesteund activisme naar democratische stromingen. Er is geen reden waarom zich rond islamitisch activisme niet een analoge ontwikkeling zou kunnen voordoen.»

En daar wringt de schoen. Dit is sjabloondenken, gestoeld op de ervaring met het communisme dat in de meeste westerse landen geleidelijk plaatsmaakte voor een reformistische stroming. Maar het islamisme is niet het communisme en bovenal zijn de omstandigheden totaal verschillend. Wat als niet de gematigde krachten de overhand krijgen zoals de wrr hoopt, maar de radicalen het voortouw (blijven) nemen? In dit kader stemt het succesverhaal waar in het rapport voortdurend aan gerefereerd wordt, Turkije, niet al te hoopvol. Het Turkse recept behelst het tegenovergestelde van de voorstellen van de wrr. Slechts onder druk van decennialange, keiharde repressie en voortdurende partijverboden zijn de islamisten hun toon gaan matigen.

De door de wrr gepropageerde beleidsvoorstellen zouden hierdoor wel eens averechts kunnen werken. Met een verwijzing naar het gebrek aan draagvlak van niet-religieuze bewegingen en partijen in islamitische landen wordt gepleit voor een koerswijziging. Verzwegen wordt dat het Westen daar niet zelden zelf aan heeft bijgedragen, zie de steun aan het Taliban-regime tegen de seculiere communisten. Het is slechts een van de oorzaken van de self-fulfilling prophecy. Het rapport stelt namelijk niets minder voor dan het «islamiseren» van het politieke debat. De inwoners van islamitische landen én de allochtonen in het Westen worden niet als burger aangesproken, maar als moslim. Dat gaat verder dan het zinnige voorstel om islamitische bewegingen te erkennen als politieke krachten en ze toe te laten binnen de politieke arena.

Hetzelfde geldt voor het «gebruiken» van de «legitimerende kracht van de sharia in moslimlanden» voor het realiseren van internationale mensenrechten. «Uit het oogpunt van constructieve toenadering is het dus juist van belang dat de EU een positieve, ontwikkelingsgerichte inzet van de sharia onderkent en ondersteunt», stelt de wrr.

Dat is spelen met vuur. Het leidt namelijk tot een nog centralere rol voor islamitische bewegingen in deze landen én tot verdere legitimatie. Mochten de islamisten inderdaad plotseling hun toon niet matigen, dan is er het risico dat een versterkte islamitische beweging en een gelegitimeerde sharia de andere kant op gebruikt gaan worden. Dat alles drukt mensen met een niet-islamitische overtuiging alleen maar verder in de marge. De Arabische wereld wordt zo verder geïslamiseerd, en ook de allochtoon in het Westen, seculier of niet, wordt als moslim aangesproken. Wat te denken van het voorstel de imam uit te nodigen op Nederlandse scholen, zodat allochtone jongeren «over meer kunnen beschikken dan alleen het eenzijdige aanbod van religieus radicalisme van veel geraadpleegde bronnen als internet»? En dat terwijl deze bijvoorbeeld bij de recente gemeenteraadsverkiezingen in Nederland sociaal-economisch, en niet religieus gestemd hebben. Het pleidooi voor partijvorming op basis van de islam of de moslimidentiteit schiet dan ook door. Wat in de houding naar overwegend islamitische landen nog als pragmatisch of realistisch mag gelden, zou in de Nederlandse situatie een stap terug betekenen.