België in bange dagen

EEN PAAR JAAR geleden schreef Willem van Toorn in een themanummer van het literaire tijdschrift Raster over schrijven in de actualiteit een polemisch essay onder de veelzeggende vlag ‘Nederland bestaat niet’. Van alle literaturen die hij kent, stelt Van Toorn daarin, is de Nederlandse literatuur het minst gericht op de politieke en sociale werkelijkheid. Schrijven over de werkelijkheid - in Nederland wordt het al snel banaal, of erger nog: saai gevonden. Politieke en sociale kwesties zijn voor Nederlanders per definitie saai.

‘Literatuur gaat bij ons over het persoonlijke en hogere’, schrijft Van Toorn, 'niet over de banale wereld van de straat en de stad - laat staan het dorp, laat staan de politiek.’ Je kunt zeggen dat hij chargeert. Hij relativeert zelf ook door op te merken dat er de laatste jaren sprake is van een lichte kentering met schrijvers als Van der Heijden, Noordervliet en Van Weelden. Maar als hij zich afvraagt waarom Nederland geen schrijvers als Bellow, Doctorow, Roth, Naipaul, Rushdie, Böll, Grass, Enzensberger, Bernhard, Sciascia of Celati kent, heeft hij een punt. Al schrijven Nederlandse schrijvers na Ton Anbeeks befaamde oproep om straatrumoer in de Nederlandse letteren meer over de stad, het vuil en het geweld, over de politieke werkelijkheid laten ze zich zelden uit. Veel van die boeken over de stad en het vuil zijn bovendien afkomstig van een al weer bijna vergeten nieuwe generatie die de harde werkelijkheid bekijkt met de verschrikte ogen van de plattelandsjongen. Die plattelandsogen zien de werkelijkheid niet. Ze zien, aldus nog steeds Van Toorn, alleen clichés: 'neuken, drank en dope’.
Van Toorn klaagt niet alleen aan; hij probeert in zijn essay ook een antwoord te formuleren op de vraag waarom Nederlandse schrijvers zich zo graag achter hun schrijftafel verschansen. Zijn antwoord: Nederlanders zijn al te snel geneigd te denken dat elke buitenlandse samenleving interessanter is dan de onze. In een mengeling van zelfhaat en zelfgenoegzaamheid huldigen de Nederlandse opiniemakers het idee dat er in Nederland 'niets gebeurt’. Wat natuurlijk onzin is. Daarnaast bestaat er in Nederland geen verschrikkelijker scheldwoord dan het woord 'moralist’. Er bestaat geen eenvoudiger manier om een schrijver in discrediet te brengen dan hem een moralist te noemen. Ook dat is natuurlijk onzin. Grote schrijver zijn vaak moralisten.
ALS HET OM schrijven in de actualiteit gaat, steekt de huidige Nederlandse literatuur schril af bij de Vlaamse. In de recente romans van bijvoorbeeld Hugo Claus, Tom Lanoye, Herman Brusselmans en Peter Verhelst - en er zijn zonder twijfel nog meer boeken te noemen - wordt meer of minder expliciet naar de nieuwste verschrikkingen van beerput België verwezen. Je kunt zeggen dat België zich zo diep in de drek van allerlei affaires bevindt dat de schrijvers niet afzijdig kunnen blijven, maar dat is geen afdoende verklaring. Misschien is het al typerend dat Mulisch zijn 'grote’ boeken De compositie van de wereld en De ontdekking van de hemel noemt, terwijl Claus het veel aardser en concreter over Het verdriet van België heeft. Het is waar dat een aantal Belgische schrijvers zo geschokt is door de laatste affaires dat ze niet meer om de politiek heen kunnen of willen, maar dat neemt niet weg dat de naoorlogse Vlaamse literatuur hoe dan ook aardig wat schrijvers kent die zich, om met Van Toorn te spreken, laten inspireren door de politieke en sociale werkelijkheid. Denk behalve aan Claus aan Louis Paul Boon, aan Monika van Paemel en Walter van den Broeck. De affaire-Dutroux is niet meer dan pokon die op een vruchtbare bodem is gestort.
HET KOMT ER uiteraard op aan hoe de verrotte Belgische werkelijkheid literair wordt verbeeld. Tom Lanoye schreef afgelopen najaar met Het goddelijke monster een satire waarvan België de waarachtige hoofdpersoon is. Handjeklap, sjoemelende hoge heren, corrupte politici, machinaties om zwart geld in veiligheid te brengen, een onontwarbaar kluwen van belangen - niets blijft achterwege. Ook de directe verwijzingen naar meisjesmoordenaar Dutroux niet: 'Ze hadden eindelijk ook hun seriemoordenaar. Een echte Belg (hoera) had in gezinsverband (typisch) een half dozijn maagden om zeep geholpen, keurig federaal verdeeld (twee Vlaamse en twee Waalse, één uit Brussel en één uit Marokko). Beng! Voorpaginanieuws, al drie, vier dagen lang.’
Het probleem van de roman van Lanoye is dat deze zo tegen de actualiteit aan leunt dat hij niet meer dan een verontwaardigde krabbel in de kantlijn is. Ook De geruchten van Hugo Claus heette 'uiterst actueel’ te zijn. Toen het boek in het najaar van 1996 werd uitgebracht, was de uitgever er veel aan gelegen dat het geassocieerd werd met de affaire-Dutroux en de zeer Belgische neiging onrustbarende feiten zo snel mogelijk in de doofpot te stoppen, het deksel klemvast erop. Het vervolg op De geruchten, het twee weken geleden verschenen Onvoltooid verleden, zit, als je de kritieken mag geloven, de actualiteit nog dichter op de huid.
Dat is waar en toch ook niet. Het klinkt paradoxaal, maar Claus weet over de actualiteit te schrijven zonder ooit werkelijk tegen de actualiteit aan te schurken. Het gaat bij hem om suggestie, om de broeierige sfeer van bederf, om de combinatie van gruwel en doofpot, om de hypocriete Belgische mentaliteit. Niet voor niets had hij De geruchten reeds geschreven vóórdat de affaire-Dutroux uitbrak. Hij zegt het ook vaak met nauw verholen ironie in vraaggesprekken: een goede schrijver heeft profetische gaven. Ook in Onvoltooid verleden hekelt Claus niet zomaar de smeerlapperij van 'het schoon volk’ van België of de misdadigheid van de meisjesmoordenaar, nee, zijn roman staat losser van het huidige verdriet van België dan je op het eerste gezicht denkt. Welbeschouwd schrijft hij over een tijdloos onderwerp: over het kwaad. Omdat hij het kwaad op het Vlaamse platteland situeert, in zo'n typisch Vlaams dorp waar meneer de notaris, meneer de pastoor en meneer de grootgrondbezitter de dienst uitmaken, wordt het algemene kwaad het Belgische kwaad in het bijzonder. Eigenlijk kun je constateren dat Claus met zijn laatste twee romans niet alleen naar de actualiteit verwijst, maar dat actualiteit ook weer de lezing van die romans stuurt.
ONVOLTOOID verleden werd als feuilleton in De Morgen gepubliceerd en is een nadrukkelijk vervolg op De geruchten. De geruchten speelt zich af omstreeks 1965 in het fictieve dorpje Alegem, dat in de buurt van het West-Vlaamse Walegem gesitueerd moet worden. Het verhaal is eenvoudig samen te vatten: René Catrijsse keert na een driejarig verblijf in het postkoloniale Kongo terug naar zijn geboortedorp om te sterven. Hij heeft een raadselachtige ziekte onder de leden die, zo vermoeden de dorpsbewoners, het begin is van een epidemie van sterfgevallen in het dorp. Het wantrouwen tegen hem groeit; hij is de personificatie van het kwaad dat moet worden uitgeroeid.
Het gaat dan ook niet om het verhaal in De geruchten, maar om alle verhalen die de ronde doen in Alegem. De bewoners treffen elkaar in de dorpscafés, vooral in café De Doofpot, waar ze elkaar boven een pinteke vertellen wat anderen weer gezien en gehoord hebben. Ze zijn als het ware het koor van de tragedie. De werkelijke tragedie is niet de ondergang van rauwdouw René, maar het feit dat niets is wat het lijkt in het dorp. De notabelen delen meer de sponde met de twee dorpshoeren dan met hun wettige echtgenote. De postbode schendt niet alleen het briefgeheim, hij gluurt tegen betaling ook graag in de gleufjes van dertienjarige nimfijnen. De burgemeester tovert landbouwgrond om in bouwgrond, 'Jezus in Cana met zijn water-in-wijn kan daar niet aan tippen’. De minister van Staat blijkt contact te hebben met een oorlogsmisdadiger. Het kwaad is alom aanwezig - daar kan de steile ex-commisaris Blaute niets aan veranderen. Niemand weet hoe het kwaad werkelijk in elkaar steekt. 'Tis all in pieces, all coherence gone’, luidt het motto van John Donne. 'Alles hangt met alles vast, alleen weten wij niet hoe’, zegt een van de personages. Er bestaan alleen geruchten.
DE VORM VAN de roman weerspiegelt prachtig dat de werkelijkheid onkenbaar en het kwaad niet te betrappen is. In korte hoofdstukken wordt steeds weer het perspectief van een van de vele personages gegeven. Je hoort zo een koor van stemmen, krijgt een lappendeken van verhalen gepresenteerd die elkaar aanvullen. Even vaak vallen er gaten tussen de verhalen. De schrijver zweeft niet boven de lappendeken en geeft niet aan wat de werkelijkheid is. Alleen door de groteske manier waarop hij zijn personages en het Vlaamse platteland schildert, besef je dat de tragedie voor hem tegelijk een farce is.
Onvoltooid verleden heeft de vorm van een verhoor. De roman speelt ergens in de jaren negentig. Blaute uit De geruchten is nog steeds ex-commissaris. Hij verhoort Noël, de onnozele broer van de verdwenen René. In De geruchten is al beschreven hoe Noël de zachtaardige en goedmoedige dorpszot is, het tegendeel van zijn gevaarlijke, explosieve broer. Noël is ooit als kind met zijn moeder van de tandem gevallen en met zijn hoofd op de stoep terechtgekomen; hij is daarna nooit meer het intelligente jongetje geworden dat hij was.
HET VERHOOR begint bij het begin en laat je eerst denken dat Noël een brave onnozelaar is. Alice, de vrouw met wie hij aan het eind van De geruchten is getrouwd, heeft hem verlaten. Hij heeft het nooit verder geschopt dan magazijnbediende in een kantoorboekhandel en ook die baan raakt hij kwijt. Langzaam maar zeker begin je te vermoeden dat het niet helemaal goed is met hem. Hij heeft het soms over honden die in zijn gedachten opduiken, grote gevlekte doggen met een klodderige bloedende snoet. Soms is er sprake van een trillerig gevoel en een pilletje dat hij niet heeft geslikt. En dan is er nog de obsessie voor Patrick Dekerpel, een van de 'geeleerden’ op zijn werk die hij van een voorkeur voor jonge meisjes verdenkt. Is het niet de tijd dat een dertienjarig meisje aan de kust en twee meisjes van veertien in de streek van Haspengouw worden vermist? Hij probeert in te grijpen, door dreigbrieven te sturen en door zenuwachtige toespelingen te maken.
Aanvankelijk kun je nog denken dat Noël door rechtvaardigheid wordt gedreven. Dekerpel heeft echt polaroids van jonge meisjes toegestuurd gekregen. Na verloop van tijd weet je niet meer wat je moet denken. Net als in De geruchten weet je niet meer wat waan en werkelijkheid is, wat leugen en waarheid, wat gerucht en bewijs. Je weet alleen dat 'de idioot van het dorp’, zoals Noël zichzelf noemt, allerminst ongevaarlijk is. Dat beseft hij ook zelf: 'Nu ben ik zo zot en zo wreed en zo krapuleus als mijn broer. Alleen wist hij dat hij zo was, terwijl ik het met me meegedragen heb al die jaren zonder te beseffen dat ik de vuiligheid in mijn kapotte hersenen en mijn ziek lijf gekoesterd heb in een kapotte bedrieglijke jas van goedheid en goedertierenheid.’
Het onvoltooid verleden uit de titel is onder meer het verleden van de verdwenen René dat Noël op zijn schouders torst. Algemener wijst de titel op de manier waarop België met het pijnlijke verleden omgaat: het blijft borrelen in de doofpot. Misschien geldt dat hoe dan ook voor gruwelen: ze worden nooit werkelijk verleden. Je kunt het kwaad niet kennen, dus kun je het ook niet uitbannen.
Gruwelijk wordt Onvoltooid verleden in ieder geval. Er blijken moorden gepleegd, meer dan één zelfs. Met slagersmes, ijzerzaag, in stukken verdeelde lijken in plastic zakken, Thais bestek dat in oren en ogen wordt gestoken en al. Met sardonisch genoegen smeert Claus de moorden uitgebreid uit. Het is daardoor allemaal heel spannend en Onvoltooid verleden leest als een heuse misdaadroman waarin alle belastende informatie heel zorgvuldig is gedoseerd. De roman is helaas ook wat eendimensionaler dan het onheilspellend veeltonige De geruchten.
OP EEN PLEK in Onvoltooid verleden verwijst Claus, hoe vaag ook, expliciet naar de affaire-Dutroux. Dat is in die twee regels dat Noël het over de vermiste meisjes heeft. Voor het overige vormen De geruchten en Onvoltooid verleden een tweeluik over het kwaad dat over twintig jaar, als de affaire-Dutroux veilig is opgeborgen in de geschiedenisboekjes, nog steeds onrustbarend is. Want de romans ademen de geest van de tijd uit, maar ze gaan over veel meer dan de actualiteit. Ze laten zich lezen als gruwelsprookjes over België in bange dagen, als groteske satire waarin het verdriet van België de boosaardige vrolijkheid van de schrijver is geworden.
Zowel De geruchten als Onvoltooid verleden bevat de nodige verwijzingen naar bijbel en mythologie. Ook daarin laat Claus zien dat het hem te doen is om eeuwige thema’s. De geschiedenis van René die terugkeert van zijn beestachtige avonturen in de Kongo doet denken aan de mythe van Oedipus. De Griekse held veroorzaakte ook een epidemie toen hij naar zijn geboortestad terugkeerde. In Onvoltooid verleden wordt op de bloedschande in de Oedipus-mythe gezinspeeld. Noël ontmoet Judith, de dochter van de Algerijnse hoer Nedjma uit Alegem. Hij voelt zich erotisch zeer tot haar aangetrokken; de lezer van De geruchten weet dat het goed mogelijk is dat hij haar vader is.
In De geruchten haalt de dorpspastoor de Bijbelse parabel van de verloren zoon aan om duidelijk te maken dat de vuile ziekteverspreider René niet als zodanig moet worden aangemerkt. De gewelddadige René en zachtaardige Noël hebben in De geruchten bovendien veel weg van de Bijbelse broers Kaïn en Abel. Het is natuurlijk een kwalijk teken dat de Abel-achtige Noël, die zich in De geruchten nog met een schroevendraaier van de christelijke stigmata voorziet, in Onvoltooid verleden een Kaïn is geworden. Het kwaad is onberekenbaar en onkenbaar.