Islamitisch antwoord op Vlaams Blok

België is te klein voor Abou Jahjah

Staat Dyab Abou Jahjah, het islamitische antwoord op het Vlaams Blok, straks ook in Nederland een grote doorbraak te wachten? Aan de basisvoorwaarden voor een opmars van zijn beweging wordt op dit moment in elk geval in hoog tempo voldaan.

In oktober 2002 ontving minister Hilbrand Nawijn van Integratie en Vreemdelingenbeleid een brief van Filip Dewinter van het Vlaams Blok, waarin deze met klem waarschuwde voor de aspiraties van Abou Jahjah, de charismatische leider van de Arabisch-Europese Liga (AEL) te Antwerpen, om zijn werkterrein uit te breiden naar Nederland. De roerganger van het Vlaams Blok adviseerde de LPF-bewindsman de AEL-activiteiten in Nederland nauwlettend te volgen, en, indien mogelijk, tot een verbod van de organisatie over te gaan.

Dewinter verkeert naar eigen zeggen nog altijd in blijde afwachting van een reactie van Nawijn op zijn schrijven («er kon niet eens een ontvangstbevestiging vanaf»), maar zijn waarschuwingen schijnen niet aan dove mansoren besteed. Afgelopen week vormde Abou Jahjah reeds het middelpunt van een roerige evaluatie in de Tweede Kamer, waar minister De Hoop Scheffer van Buitenlandse Zaken door zijn eigen CDA werd opgeroepen alles uit de kast te halen om het spook uit Borgerhout te weren. Dit zonder dat de Arabisch-Europese Liga van Jahjah ook nog maar een teken van organisatorisch leven in Nederland heeft laten zien.

Jahjahs strijdmiddelen zijn dan ook vooral illusoir. Als bedreven mediacraat bedient hij zich vooral van de televisie en de pers om zijn Malcolm X-achtige boodschap te verkondigen. Zijn publicitaire troefkaart in Antwerpen was zijn aankondiging «burgerpatrouilles» te organiseren ter controle van het volgens hem racistisch opererende politieapparaat. Dit voornemen zorgde voor een ware aardschok en bleek vorige week in de Tweede Kamer ook in Nederland het voornaamste punt van zorg. Het wachten is echter nog steeds op de eerste actie van Jahjahs politie-watchers, ook in België. Het is kenmerkend voor het kat-en-muisspel dat Jahjah met de autoriteiten speelt. Net als wijlen Pim Fortuyn is hij een geboren provocateur, gespecialiseerd in het oproepen van felle reacties, waar hij vervolgens zelf goed garen bij spint. Dit bijzondere talent stelde hem in staat tien jaar na zijn komst in België als gevluchte guerrillastrijder uit Libanon uit te groeien tot een Bekende Belg, die met zijn scherpe tong en perfecte beheersing van het Vlaams reeds zijn grote tegenstrever — sommige Belgen menen tweelingbroer — Filip Dewinter met de staart tussen de benen uit de tv-studio verjoeg.

Net als Dewinter gelooft Jajhah niet in de multiculturele samenleving. Wijzend op het racisme in de Vlaamse samenleving, waar bijvoorbeeld eenderde van de politieagenten van Antwerpen zich zou hebben bekend tot het Vlaams Blok, is volgens hem een vorm van segregatie nodig om het islamitische volksdeel van Vlaanderen waarlijk te emanciperen. Assimileren of deporteren, dat zijn volgens Jahjah de opties die de Vlaamse cultuur aan minderheden geeft. Vandaar zijn pleidooi voor een cultureel-religieuze vorm van «Arabische» Alleingang. Jahjah streeft op zijn manier apartheid na. Ironisch genoeg verkondigt hij zijn boodschap van «Arab Pride» in Antwerpen voor een overwegend Mahrebbijns-Marokkaans publiek, waarvan de Berber-taal en -cultuur in Noord-Afrika sinds jaar en dag juist door de Arabische minderheid worden onderdrukt. Toch gaat zijn boodschap er in als koek bij steeds meer jonge Berbers in België, die zich als tweederangsburgers behandeld voelen, en dat de facto ook zijn, met massale werkloosheid, slechte behuizing en een immer onvriendelijker wordend politioneel-politiek klimaat. Zo’n zestig procent van de Marokkaanse jongens in Borgerhout, waar eind november de vlam in de pan sloeg na de moord op een 27-jarige Marokkaanse Belg door diens 66-jarige Vlaamse buurman, is werkloos. Onder hen woedt de grote recessie al enige jaren.

Jahjah gaf een gezicht aan dit onbehagen. Hij kanaliseerde het voor eigen doeleinden.

Hij deed voor het eerst van zich spreken met het organiseren van betogingen tegen Israël in Antwerpen. Die vonden begin vorig jaar plaats, toen Jahjah het Belgische gerecht inmiddels had ingeschakeld in een poging de Israëlische premier Sharon te vervolgen vanwege diens aandeel in de moordpartijen in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatilla in Libanon. Deze demonstraties veroorzaakten grote beroering, vooral door verhalen dat de betogers het gemunt zouden hebben op de joodse wijk van Antwerpen.

Jahjah, die sociologie studeerde aan de Universiteit van Leuven, wordt er vaak van beschuldigd de intifada te willen importeren naar Belgisch grondgebied. Voor het Vlaams Blok was het al aanleiding om aan te dringen op de «ont-Belging» van Jahjah, die naast de Libanese ook de Belgische nationaliteit heeft.

In oktober 2002 kwam Dewinter met de onthulling dat Abou Jahjah lid zou zijn geweest van de Hezbollah, de militante Palestijnse organisatie in Zuid-Libanon. Uit het asieldossier van Jahjah, dat de Vlaams Blok-leider wederrechtelijk in handen was gespeeld, zou blijken dat deze zich in 1991, na zijn komst naar België, uitgaf voor militant van de Hezbollah. Hij zou naar België zijn gevlucht omdat een islamitische rechtbank hem ter dood had veroordeeld vanwege zijn weigering nieuwe rekruten op te leiden. Een onwaarschijnlijk verhaal, volgens de toenmalige commissaris-generaal voor de vluchtelingen Marc Bossuyt: als zoon van een niet-gelovige sji’itische hoogleraar en een christelijk-maronitische moeder, behoorde Jahjah tot de Libanese bourgeoisie en dat was niet het milieu waar de Hezbollah rekruteerde. De Vaste Beroepscommissie wees zijn asielaanvraag dan ook af. Door te trouwen met een Belgische kreeg Jahjah uiteindelijk toch de Belgische nationaliteit.

Zijn militante verleden steekt Jahjah niet onder stoelen of banken. Ook tegenwoordig is onversneden radicalisme hem zeker niet vreemd. Dat bleek bijvoorbeeld uit zijn bijdrage aan het speciale nummer ter herdenking van 11 september van het Egyptische blad Al Ahram: «Ze glimlachten in het Arabische getto in Brussel. De mensen waren op straat, ze groetten elkaar opeens. Burgers die elkaar niet kenden, knikten naar elkaar. Zoveel blijken van vreugde, terwijl aan de andere kant van de Atlantische Oceaan een paar vliegtuigen in gebouwen waren gestort met drieduizend doden als gevolg… Was het ziekelijk van ons om het zo te bekijken? Nee, het was veeleer zwaar te beseffen dat we er bevrediging uit puurden…»

De Palestijnse Afgevaardigde bij de Europese Unie in Brussel, Chawki Armali, betitelde Jahjah na lezing van diens ontboezeming als «een ondemocratische, onverantwoordelijke dwaas die de Arabische gemeenschap niet dient en wiens uitspraken louter in de kaart van extreem rechts spelen». Opmerkelijk was ook de mededeling van Jahjah korte tijd later, dat er vanuit Israël een moordaanslag op hem zou worden beraamd. Daartoe zou vorig jaar een zevenkoppige Libanese moordbrigade door de Israëlische geheime dienst zijn ingehuurd.

Door andere allochtone politici en migrantenwoordvoerders in België wordt Jahjah met argusogen gevolgd. «Eigenlijk hoort hij thuis in het Vlaams Blok», oordeelde Fauzaya Talhaoui (Agalev). Bahattin Koçak van het Islamitisch Dialoog- en Informatiecentrum: «Wie kreeg vooral de micro na 11 september hier? Abou Jahjah, een man waar wij zelf mee lachen en die de integratie alleen maar tegenwerkt. Alleen het Vlaams Blok is sterker geworden door zijn uitspraken.»

Maar juist dat radicalisme van Abou Jahjah kan ook in Nederland aanslaan, zo meent Seyfi Özgüzel, lijsttrekker van Duurzaam Nederland en socioloog van Turkse komaf. Volgens hem is ook in Nederland een proces gaande zoals dat in Antwerpen fataal is geworden: «Als de balans tussen vrijheid en veiligheid doorslaat, krijg je toestanden als in Antwerpen. De Arabische-Europese Liga in Antwerpen is een signaal dat we niet mogen negeren. Er heerst grote onrust onder de Nederlanders met een Arabische of mos limachtergrond, omdat ze vrezen dat onder het mom van de oorlog tegen het terrorisme toch discriminatie en achterstelling binnensluipen», aldus Özgüzel. «Die balans slaat daar op het moment door, als je op één dag drie of vier keer bent aangehouden en gefouilleerd bij wat door hen toch als razzia’s worden ervaren. Op deze manier pak je echt geen grote vissen, maar maak je de burger onrustig. Juist mensen die uit eigen ervaring weten wat een politiestaat inhoudt, worden argwanend. Ze zien echt wel dat vooral gekleurde mensen uit hun auto worden gehaald en alles moeten uitpakken, ze voelen echt wel dat zij bij voorbaat verdacht worden. Hun vertrouwen in de rechtsstaat neemt nu snel af. Dan hoeft er maar een enkel incident te zijn zoals in Antwerpen en de vlam slaat in de pan. Niet alleen bij de Marokkanen, ook bij andere groepen komt de pijngrens in zicht.»

Özgüzel wijst op «de duidelijk voelbare golf van repressie, politie op straat, controles en negatieve emotie». «Dat moet dus worden omgebogen. We verliezen zo het zicht op de realiteit. Die realiteit is dat ook de ‹nieuwe Nederlanders› onze beste helpers kunnen zijn in de strijd tegen terrorisme, maar dat we hen door generalisering tot vijanden maken. Door hen te vervreemden van hun burgerschap, te vernederen en angst te zaaien, draait dat beeld om, dan zwijgen ze of erger. Wat in Antwerpen gebeurde, is niet uitzonderlijk, ook hier is er vaak een emotionele reactie op een ongeluk of misdaad waar een ‹cultuurgenoot› bij betrokken is.

Die Arabische Liga komt nu wel extreem over, maar als je goed de uitspraken van Jahjah bekijkt, zit daar ook veel waars in. Juist in gebieden waar sprake is van concentratie van allochtonen worden de economische en sociale tegenstellingen schrijnend duidelijk. Tegenstellingen die ook niet minder worden: de integratie waar men op hoopt, blijkt ook in de tweede en derde generatie vaak moeilijk van de grond te komen. Slechte woningen, geen werk en geen kans op werk. Het is dan niet verwonderlijk dat het misloopt. Dat in zo’n klimaat extreme standpunten een kans krijgen, moet voor Nederland een waarschuwing zijn. Als je nu niet goed investeert in het onderwijs, in het leren van Nederlands, in het betrekken van iedere burger bij de samenleving, dan schieten we niets op.»