Belgie lijdt aan de joegoslavische ziekte

In het publieke debat dat in Vlaanderen woedt over de federalisering, verwijzen de partijen regelmatig naar Joegoslavie. Voor het rechtse Vlaams Blok is dat uiteengevallen land het bewijs dat het met multinationale staten onvermijdelijk slecht afloopt; hun tegenstanders zien er een waarschuwing in voor wat er kan gebeuren als multinationale staten uit elkaar worden gehaald. Het zal echter heus nog wel even duren voor Vlaamse en Waalse dorpen etnisch gezuiverd worden.

De werkelijke overeenkomsten tussen Belgie en het vroegere Joegoslavie spreken minder tot de verbeelding, maar zijn daarom niet minder reeel. Joegoslavie was en Belgie is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Zwitserland, een federatie van vaderlanden, bestaande uit deelstaten op etnisch-nationale basis. Dit brengt met zich mee dat in Belgie elk meningsverschil tussen de politieke elites van de deelstaten meteen het karakter krijgt van een conflict waarbij het heil van de Vlaamse of de Waalse natie zelf op het spel staat.
In deze sfeer kon het debat in het Belgische parlement op woensdag 10 juli over een fiscale hervorming ontaarden in een scheldpartij, waarbij de fractieleider van de Parti Socialiste uitriep dat Wallonie aansluiting zou zoeken bij Frankrijk. In beide landsdelen, maar vooral in Vlaanderen, heeft de ziekte van de Belgische politiek ertoe geleid dat alle partijen, en tot veler ontgoocheling in Vlaanderen ook de Socialistische Partij en het groene Agalev, zich laten meeslepen in het ‘communautaire opbod’. De standpunten over federalisering worden steeds radicaler. Dat de inwoners van de ene Belgische deelstaat niet kunnen kiezen voor politici in de andere deelstaat, maakt dat elk gevoel van federale verantwoordelijkheid zo goed als verdwenen is. Deze ontwikkeling, het bijna perfecte spiegelbeeld van de conflicten in Joegoslavie in de jaren tachtig, is des te gevaarlijker, omdat ze door sommige politici gebruikt wordt als een aanloop naar volledige Vlaamse onafhankelijkheid.
'Vlaamse identiteit’ is het woord dat de Vlaamse politici in de mond bestorven ligt. Met graagte refereren ze aan de 'vernederingen’ die de Vlamingen in het verleden hebben ondergaan. Het scheelde geen haar of het Vlaamse parlement had leraren verplicht hun veertienjarige leerlingen het 'spontaan uitdragen van Vlaamse eigenheid’ als 'attitude’ bij te brengen. Door een selectieve politiek van subsidiering en onder het mom van 'de Vlaamse gemeenschap betaalt’ wordt het voortbestaan van Belgische, oftewel tweetalige verenigingen 'ontmoedigd’.
Inmiddels heeft Vlaanderen ook zijn dissidenten, meestal smalend 'progressieve intellectuelen’ genoemd. Ze lijden niet aan een Vlaams minderwaardigheidscomplex of aan nationale zelfhaat, maar pleiten voor een civiele staat, gebaseerd op universele burgerrechten - ook voor migranten en Franstaligen in Vlaanderen -, in plaats van op etno-culturele Zugehorigkeit, een civiele staat, die ruimte biedt voor de optimale ontplooiing van de Vlaamse, Waalse en alle mogelijke andere culturen. 'Belgicisten’ zijn het niet, maar ze hebben er geen moeite mee in Belgie die civiele staat te herkennen.