Sylvain Ephimenco

Belgisch toneelstuk

In een lugubere woonkamer ergens in een Belgische achterbuurt zit de Oude Schrijver vastgeketend aan zijn stoel. Voor hem staan op een tafel een broodje kaas en een glas karnemelk. In een hoek van de kamer zit ook Levenspartner (een vette vieze man met zware sleutels hangend om zijn nek) geldbriefjes te tellen.

Oude Schrijver: «Heb honger, Levenspartner maak me los! Wil broodje kaas!»

Levenspartner: «Houd toch op, Oude Schrijver, ik ben je geld aan het tellen. Als je er straks niet meer bent, zet ik het allemaal op mijn eigen rekening.»

O.S.: «Heb ook dorst. Misery! Misery! Mijn karnemelk!»

L.P.: «En dan verkoop ik ook het archief, de biografieën, de eerste drukken en het zilverbestek. Ziezo, het is bijna volbracht!»

Plots komt een jongetje van hooguit dertien jaar in de kamer. Levenspartner stopt met het tellen en trekt het broekje van het jongetje naar beneden.

L.P.: «Zullen we pielemuisje even kietelen ventje? Je wordt later vast en zeker een sterke kerel.»

Op dat moment schuift een man de kamer in. Hij draagt een kroon op zijn hoofd en houdt een cheque in zijn hand.

Koning: «Heu, sorry. Ik ben de koning der Belgen en kwam een literaire prijs aan de Oude Schrijver overhandigen. Ik wou u beiden op mijn paleis ontvangen. Maar… het gaat niet meer want ik zie dat Levenspartner aan het kietelen van het pielemuisje is geslagen. Ik stuur die cheque wel per post.»

O.S.: «Wil geen prijs, wil geen cheque, wil broodje kaas.»

L.P.: «Ja, ja, stuur maar per post stomme koning. Ziet u niet dat ik met pielemuisje bezig ben? Oude Schrijver komt toch nooit zonder mij naar uw stinkpaleis want ik ben de rechtmatige cipier.»

Koning: «Ik ben misschien maar een koning, maar ik vind u een ordinaire kietelaar. En ook een onbeschaamde profiteur van andermans roem.»

L.P.: «Joh, man, blijf met je banale fikken van onze mooie cultuur en hangsloten. Waar ben je bang voor? Dat Oude Schrijver jouw paleis straks onder gaat pissen? Doe niet zo raar. Schrijf ons gironummer op en storten maar. En een beetje snel ook. We hoeven je Belgische bonbons en koude koffie helemaal niet, zeikerd!»

Het dertienjarige jongetje rent huilend de kamer uit met zijn broekje op de enkels.

Koning: «De wet geldt voor iedereen. Duralex sed lex!»

L.P.: «Rot op met je wet en geef de poen! Nu is pielemuisje ook weg. Weet je wel wie ik ben? In mijn land eten ze allemaal uit mijn hand. Als ik een wind laat, betalen ze allemaal om te mogen ruiken. En weet je waarom die hele grachtengordel aan mijn voeten ligt? Omdat ik de sleutels van de boeien en de kettingen heb.»

Levenspartner staat op, veegt wat speeksel van zijn mondhoek en knipt met zijn vingers. Uit de tuin klinkt onmiddellijk het Wilhelmus en een groepje Nederlanders stormt de kamer binnen. Hanneke Groenteman, Paul Haenen en Remco Campert verschijnen buiten adem, gevolgd door Femke Halsema.

Halsema: «Niets aan de hand. Het proces van Levenspartner moet nog starten en bovendien heeft Levenspartner toch alleen maar naar pielemuisje gekeken?»

Haenen: «Hi, hi, pielemuisje, kent u die uitdrukking?»

Groenteman: «Wat een preuts gedoe hier, zeg! Die vader van dat jongetje is toch maar een Belgische tuinman, toch?»

Campert: «Ik roep al vast de Belgische ambassadeur op het matje.»

En alle vier beginnen de koning der Belgen met rotte eieren te bekogelen terwijl het Wilhelmus nog harder klinkt. Alleen de stem van de vastgeketende Oude Schrijver is nog hoorbaar.

O.S.: «Wil een broodje met vette kaas. Misery!»