Belle, Betje en Aagje;

een vergelijking van Belle van Zuylen met tijdgenotes Wolff en Deken

Op 27 december is het tweehonderd jaar geleden dat Belle van Zuylen overleed, in Colombier bij Neuchâtel. Ze was in 1740 geboren op Slot Zuylen als Isabella Agneta Elisabeth van Tuyll van Serooskerken; en als Isabelle de Charrière had zij vanaf 1771 in Zwitserland gewoond. Vanaf het begin van de jaren zestig van de achttiende eeuw schreef ze verzen, fabels, portretten (van zichzelf en anderen), korte romans, toneelstukken, essays, pamfletten en daarnaast vele honderden brieven. Pas twee eeuwen later zou ze beroemd worden. De in 1984 door Geert van Oorschot voltooide tiendelige uitgave van haar ‹Oeuvres complètes› heeft daartoe de aanzet gegeven. Deze Franstalige publicatie is vooral haar internationale faam zeer ten goede gekomen: haar werk wordt bijvoorbeeld bestudeerd in de Verenigde Staten, Turkije en Japan. In Nederland is men, dankzij de biografie geschreven door Simone en Pierre H. Dubois, meer vertrouwd met de persoon Belle dan met haar literaire werk. Als het gaat over vrouwelijke schrijvers is de neiging groot om vergelijkingen te maken, of zelfs de dames onmiddellijk in te delen in één categorie. Die neiging tot onderling vergelijken van schrijfsters bestaat al heel lang: in allerlei zeventiende- en achttiende-eeuwse commentaren is bijvoorbeeld sprake van Hollandse, Utrechtse, Friese of gewoon «hedendaagse» Sappho’s. Iedere achttiende-eeuwse vrouw die zich in briefvorm uitte kon een vergelijking verwachten tussen haarzelf en de zeventiende-eeuwse Madame de Sévigné, beroemd door de uitgebreide briefwisseling met haar dochter (alleen de kant van de moeder bleef bewaard). En in een artikel over willekeurig welke schrijfster uit de negentiende eeuw vermeldden Nederlandse critici al gauw dat de vrouw in kwestie óf beïnvloed leek door de beroemde Franse romanschrijfster George Sand, óf juist niet – wat in haar te prijzen was.
Belle van Zuylen geeft nu zelf, door het tijdstip van haar overlijden, enige aanleiding tot vergelijken: waren vorig jaar haar tijdgenotes Betje Wolff en Aagje Deken tweehonderd jaar dood, nu is het op 27 december háár beurt. En de vraag zou kunnen zijn of op Belle van Zuylen van toepassing is wat vorig jaar om deze tijd over de beide dames werd gezegd, met name in, en naar aanleiding van, de door Myriam Everard en Peter Altena geredigeerde bundel Onbreekbare Burgerharten.
Belle en Betje leken qua karakter wel iets op elkaar. Joost Kloek beschrijft in zijn artikel in de genoemde bundel de onafhankelijkheid van de jonge Betje en haar onconventionaliteit: ze was voor niemand bang en haar brieven ademen een en al non-conformisme. Ook Belle van Zuylen was – in haar adellijke milieu – een buitenbeentje. Ze liet zich aan de etiquette zeer weinig gelegen liggen, werd door sommige van haar familieleden dan ook niet graag ontvangen, en had zichzelf in Den Haag een minder goede reputatie bezorgd: «A La Haye on ne m’aime pas». Maar Belle van Zuylen – haar man was jonger dan ds. Wolff, en overleefde haar – had geen Aagje en bewaarde, in literair opzicht, haar onafhankelijkheid (hoewel ze laat in de eeuw voor vertalingen wel met een vriendin zou samenwerken). Waar het hun literaire werk en reputatie betreft, zien we vooral verschillen.
Zo bracht het milieu waarin Belle opgroeide met zich mee dat ze zich van kinds af aan in het Frans uitdrukte, vooral de Franse literatuur las en ook in die taal zou schrijven. Dat deed ze al toen ze nog in Utrecht woonde en haar gelegenheidsgeschriften van hand tot hand gingen, en door kennissen en kennissen van kennissen werden overgeschreven en becommentarieerd. Als ze publiceerde, dan gebeurde dat in een van de Franstalige tijdschriften die toen in de Republiek werden uitgegeven. Eenmaal in Zwitserland wonend ging ze uiteraard op die voet verder, en liet ze haar werk verschijnen bij Zwitserse uitgevers, maar ook wel in Parijs. Tegen het eind van de eeuw werkte ze veel samen met het in Neuchâtel wonende schrijversechtpaar Ludwig Ferdinand en Therese Huber, die haar werk naar het Duits vertaalden, zodat het soms eerder in die taal verscheen dan in het oorspronkelijke Frans.
Het gebruik van de ene of de andere taal – en een al of niet directe samenwerking met vertalers – bepaalt uiteraard de omvang van het publiek dat men bereikt. Weliswaar had Belle van Zuylen weinig commercieel inzicht en ook met haar schrijven geen winstoogmerk – wat zich vertaalde in kleine, soms slordig gedrukte oplagen –, maar in de Franse literaire tijdschriften die in heel Europa te lezen waren werd haar werk lovend becommentarieerd. Ook enkele romans van Wolff en Deken zijn vertaald; over het algemeen werden die, ook in vertaling, té Hollands bevonden: «la Muse qui les a inspirées, est le patriotisme», schrijft de Mercure de France in 1789.
En wat de situatie nú betreft: wordt het werk van Belle van Zuylen op het moment in Japan en Turkije bestudeerd, voor dat van Wolff en Deken is dat niet het geval; daar staat tegenover dat het oeuvre van Belle van Zuylen hier, bij de afkalving van de kennis van het Frans, op hindernissen stuit. Met enig recht zou men kunnen zeggen dat zij een onderdeel vormt van de Franse literatuurgeschiedenis. Ik ga in het vervolg nader in op enkele opmerkingen die eind 2004 zijn gemaakt over Wolff en Deken, en op de vraag hoe, vergelijkenderwijs, de situatie is met betrekking tot Belle van Zuylen.

Kees Fens stelde op 30 december in de Volkskrant, naar aanleiding van Onbreekbare Burgerharten, dat de tocht van de beide schrijfsters door de Nederlandse geschiedenis vaak een moeizame en eenzame reis is geweest. Het is niet gelukt de belangstelling voor hun nalatenschap levend te houden. Vooral de bijdrage van P.J. Buijnsters inspireerde Fens tot die sombere conclusie. Buijnsters had, na een kwart eeuw met de geschriften van de twee vrouwen bezig te zijn geweest, weliswaar de voldoening dat er de laatste tijd weinig of geen nieuw materiaal meer boven water kwam, maar stelde vast er níet in te zijn geslaagd hun werk bij een breder publiek bekendheid te geven.
En dat terwijl in de achttiende eeuw de dames Wolff en Deken populair waren bij het lezerspubliek. Van hun Sara Burgerhart verschenen kort na elkaar drie drukken, van de Economische liedjes zelfs nog meer. Tegelijkertijd waren de critici tegenover Wolff en Deken soms nogal narrig. Die narrigheid werd deels door Betje Wolff zelf veroorzaakt, zoals wel blijkt uit haar venijnige reacties.
Hoe is dat bij Belle van Zuylen? Misschien precies omgekeerd. Belle van Zuylen kreeg enthousiaste reacties, ook al publiceerde ze voor haar vertrek naar Zwitserland maar weinig in druk. Toonaangevende literatoren als Rijklof Michaël van Goens en Frans van Lelyveld vroegen zich af of een vertaling van Le Noble (1763) niet tot de mogelijkheden behoorde, en zij bewonderden de schrijfster ervan. Toen Isabelle de Charrière eenmaal in Neuchâtel geïnstalleerd was, bleef ze contact houden met haar familie, en hield ze die op de hoogte van wat ze schreef. Ook via de Franse tijdschriften moet men in Nederland geweten hebben van de publicatie van haar romans. Maar de exemplaren die ze bijvoorbeeld naar haar eigen oude boekhandelaar Spruyt in de Choorstraat stuurde werden lang niet allemaal verkocht, zodat haar broer ze op haar verzoek doorstuurde naar Parijs.
Ook na de dood van de drie schrijfsters verliep het Nachleben verschillend. De manier waarop Wolff en Deken gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw weliswaar kennelijk niet veel werden gelezen, maar toch – zoals Ellen Krol beschrijft – golden als maatstaf voor de beoordeling van nieuw verschenen romans, staat ver af van de onbekendheid waarin Isabelle de Charrière na 1805 leek weg te zinken, hoewel de herinnering aan haar en aan haar werk gekoesterd bleef door een kring van Zwitserse intimi en kinderen van intimi, die er uiteindelijk voor zorgden dat de latere belangstelling op gang kon komen.

Tijdens de latere negentiende eeuw lijkt het postume lot van de schrijfsters meer overeenkomsten te vertonen: Mieke Aerts beschreef hoe vaderlandse literatoren «in de ban» raakten van Wolff en Deken. In diezelfde periode kwam – na de artikelen die de Franse criticus Sainte-Beuve aan Madame de Charrière wijdde – de Zwitserse auteur Philippe Godet in het bezit van het materiaal dat de Charrière-intimi zo zorgvuldig hadden bewaard. Terwijl men in Nederland voor Wolff en Deken monumenten oprichtte, schreef hij over «Madame de Charrière et ses amis» zijn monumentale biografie. Voor ons «vaderlands verleden» en voor op Nederland gerichte «moraliserende volksverheffing» bleek Belle helaas van weinig nut, integendeel. Reden waarom de Nederlandse waardering nog op zich liet wachten. In háár biografie Betje Wolff en Aagje Deken laat Johanna Naber bijvoorbeeld duidelijk merken dat zij zich – 150 jaar na dato – ernstig heeft gestoord aan het gedrag van Belle van Zuylen, die niet alleen als jong meisje een verhouding had met de oudere, en getrouwde, Constant d’Hermenches (dat het contact epistolair was, noemt ze niet), maar ook als getrouwde vrouw met de veel jongere Benjamin Constant een voor beiden zeer belangrijke vriendschap onderhield. Of dit de reden was waarom Naber zich verder niet in het werk van de schrijfster verdiepte, vermeldt ze niet (maar er waren weinig uitgaven van beschikbaar). Ze beperkt zich ertoe nogmaals haar waardering uit te spreken voor «Elizabeth Bekker bij het onherroepelijk en zonder omzien breken <…> met den man, die haar lief was, zoodra hare verhouding tot dezen oneerbaar dreigde te worden».
Het begin van de twintigste eeuw zag de «triomftocht» van Sara Burgerhart in de editie van de Wereldbibliotheek, waarmee zij als het ware de canon en de boekenkast van de geïnteresseerde lezer kwam «binnendonderen», zoals Peter Altena dat noemt. «Generaties scholieren zijn daarmee vervolgens opgegroeid», schrijft Kloek. Ondertussen kreeg de Godet-biografie aandacht van enkele specialisten, onder wie de eerste vrouwelijke lector in Nederland, Marie Loke: een oud-studente van haar beschreef de grote indruk die de figuur van Belle van Zuylen via haar leermeesteres op haar had gemaakt. Het bleef echter bij individuele gevallen: geïnteresseerde lezers en lezeressen – veelal zelf auteur, zoals Victor van Vriesland, tijdens de oorlog vertaler van Caliste (1787) – die voor zichzelf het belang en de waarde van dit schrijfsterschap en van dit werk inzagen, zonder pogingen te ondernemen om er een brede belangstelling voor te genereren.
Pas in het laatste kwart van de twintigste eeuw veranderde er echt iets. De jaren zeventig en tachtig, gedurende welke P.J. Buijnsters zijn leven in het teken van Wolff en Deken had gesteld, waren ook voor de Belle-van-Zuylen-revival van groot belang. Het feminisme speelde hier in beide gevallen een zekere rol, al is die voor de «rebelse» Belle van Zuylen van een heel andere orde geweest dan voor «het monument van onomstreden netheid» waartoe volgens Altena en Everard Betje en Aagje waren gestold. Vooral werd in deze periode, voortbouwend op een in Parijs en Amsterdam in de jaren zestig gehouden tentoonstelling, door een internationale redactie van «dix-huitiémistes» de – eveneens monumentale – editie van het complete werk voorbereid. Daarop werd vervolgens een aantal vertalingen in het Nederlands gebaseerd – van selecties uit de correspondentie, door Greetje van den Bergh, en van een aantal van de romans, door verschillende vertalers bij verschillende uitgevers, en voor het merendeel inmiddels uitverkocht.
En zowaar – in tegenstelling tot de sombere opmerkingen van Buijnsters over de impact van zijn werkzaamheden: vorig jaar drong Belle van Zuylen door tot de top-100 van «Grote Nederlanders Aller Tijden», nadat er al regelmatig dubbelgangsters van Belle waren gesignaleerd bij openingen van meubelwinkels in de regio rond Slot Zuylen en op hoogtijdagen van de Universiteit Utrecht, terwijl tal van salonboten op de Vecht en omstreken haar naam begonnen te dragen, en zij hoofdpersoon was geweest in films en toneelstukken. De vraag naar de zinvolheid van dergelijke verkiezingen is inmiddels afdoende beantwoord; ook Belle’s uitverkiezing, vorig jaar, tot «Grootste Utrechter aller tijden» kan gemakkelijk worden gerelativeerd, maar duidelijk is wel dat Wolff en Deken dit in ieder geval níet bereikten, en kennelijk eerder geschikt worden geacht om te figureren in een roman waar de uitzichtloosheid van het onderzoek hen betreffende aan de kaak wordt gesteld (‹Ter navolging› van Kees ’t Hart – red.).

Wat die wetenschappelijke aandacht betreft, moeten Altena en Everard zich voorlopig inderdaad beperken tot «fantasieën over de vele congressen over Wolff en Deken die er mogelijk zouden zijn». «Verbazingwekkend genoeg» is er tot nog toe niet één georganiseerd. Aan Belle van Zuylen werden daarentegen de laatste dertig jaar vier internationale congressen gewijd, die haar «opkomst» begeleidden: op Slot Zuylen in 1974, waar de basis werd gelegd voor de (bijzonder snel verlopen) publicatie van haar werk; in Neuchâtel in 1993, waar de Europese dimensie van haar werk aan de orde was; in Yale in 2002, mede georganiseerd door Janet Whatley, die ook een Engelse vertaling publiceerde van haar brieven, en in Utrecht dit jaar ter gelegenheid van de «bicentenaire» van haar dood.
Een van de effecten van die internationale belangstelling is ook dat, op een moment waarop voor Wolff en Deken wordt geconstateerd dat men hún werk niet meer leest, Belle van Zuylen/Isabelle de Charrière wel degelijk in de Nederlandse literatuurgeschiedenis wordt opgenomen, al betreft de Nederlandse aandacht wellicht niet genoeg het gepubliceerde werk van de schrijfster, en vooral de correspondentie – en dan bij voorkeur voorzover die kan worden gelezen als een roman: de briefwisseling met Constant d’Hermenches.
Los van wat wij (denken te) weten over de persoon Belle van Zuylen, die ons tamelijk modern voorkomt, is haar literaire werk wellicht veel méér dan dat van Wolff en Deken geschikt voor het huidige lezerspubliek – net zoals het meer geschikt zal zijn geweest voor Franse tijdgenoten. Een ander bezwaar van de Mercure de France-journalist uit 1789 tegen de Histoire de Mademoiselle Sara Burgerhart betrof namelijk: «beaucoup trop de lenteur, une surabondance de détails souvent minutieux». Achttiende-eeuwse Hollanders waren meer gewend aan de volumineuze romans die Wolff en Deken produceerden dan aan de korte vorm waarin Belle van Zuylen/Isabelle de Charrière zich tot haar publiek richtte. En zelfs in Frankrijk is regelmatig gesuggereerd – door tijdgenoten als Germaine de Staël, maar ook door wetenschappers nu – dat Charrière’s romans de indruk wekken niet «af» te zijn: ze had de gewoonte om te «finir sans finir». Een editie van haar Lettres neuchâteloises (1784) bevat bijvoorbeeld op de laatste pagina een mededeling van de uitgever dat hij er niet zeker van is dat dit inderdaad alle brieven zijn waaruit deze roman bestaat.
Yvette Went-Daoust verklaarde al eerder Charrière’s «rebellie» tegen de geldende roman-poëtica door te verwijzen naar het essayachtige karakter van deze romans, die zich om bepaalde waarschijnlijkheidsregels niet bekommeren: de auteur schuift de personages van tijd tot tijd terzijde om ze weer te voorschijn te halen als ze ze nodig heeft om haar punt te maken. Zo kan ze ook, als dat punt gemaakt is, een roman afsluiten zonder dat er een voor de tijdgenoten als zodanig herkenbaar slot wordt gegeven.
Ook inhoudelijk is de kritische geest dominant, als een rode draad door het hele oeuvre, vanaf de eerste (korte) roman Le Noble uit 1763, waar we – in een Frans kader dat doet denken aan Voltaire’s Candide – een adellijk meisje zien ingaan tegen de wens van haar vader: ze wordt verliefd op een jongeman van veel te recente adel. Het komt zelfs zo ver dat ze het voorouderlijk slot verlaat – door het raam, nadat ze een aantal familieportretten in de gracht heeft geworpen zodat ze bij haar sprong droge voeten houdt. De autobiografische dimensie is duidelijk – zij het dat hij door commentatoren soms wel erg zwaar wordt aangezet. Maar in de jaren tachtig situeert ze inderdaad aanvankelijk haar romans in Zwitserland, voor de Lettres neuchâteloises zelfs in haar eigen woonplaats. Daar zijn straten van meer en minder allooi het kader waarbinnen een andere klassenstrijd wordt geleverd: tussen een medewerkster van een naaiatelier en de jonge vrouw voor wie daar een jurk is vervaardigd. De Neuchâtelois zijn not amused over de wijze waarop hun stad wordt beschreven. Wellicht ook niet over de kordate manier waarop de hoofdpersoon, Mademoiselle de la Prise, het door haar gesignaleerde onrecht aanpakt.
Eenzelfde geëmancipeerde houding vertoont de hoofdpersoon uit de Lettres écrites de Lausanne (1785), een moeder die in haar eentje haar dochter grootbrengt – zowel rekening houdend met wat de Franse denkers uit de Verlichting hadden geschreven, als met de «realiteit»: haar dochter zou tenslotte in de eerste plaats ook gelukkig moeten worden. In enkele in Engeland (waar ze als jong meisje ooit enige tijd had doorgebracht) gesitueerde romans voert Isabelle de Charrière minstens even karaktervolle vrouwen op, die dat geluk niet bereikt hebben. In de Lettres de Mrs Henley (1784) komt een jonge vrouw aan het woord, de tweede echtgenote van een weduwnaar. Ze voelt zich gevangen in een dilemma en richt zich tot een vriendin die ze aanspoort om – na de dood in het kraambed waarvoor ze vreest – haar brieven uit te geven als een waarschuwing voor anderen.

Bij bepaalde gelegenheden ziet Isabelle de Charrière zelfs geheel af van het verzinnen van een plot, en schrijft zij regelrechte pamfletten. Dat doet ze met name als bepaalde politieke kwesties haar hoog zitten – of die nu in de Republiek, in Frankrijk of in Zwitserland aan de orde zijn. In deze teksten richt zij zich zonder enige terughoudendheid tot de hoger geplaatsten met wie zij een appeltje te schillen heeft. Zo wendt zij zich bijvoorbeeld in de Réflexions sur la générosité et sur les princes (1788) tot Wilhelmina van Pruisen, de vrouw van stadhouder Willem V, naar aanleiding van het bekende incident Goejanverwellesluis, en stelt ze haar tamelijk direct de vraag: wat voor opvoeding heeft zij eigenlijk genoten?
Ter gelegenheid van de «bicentenaire» heeft het Genootschap Belle van Zuylen van deze laatste tekst een tweetalige gelegenheidsuitgave verzorgd. Daarmee wordt vooruitgelopen op diverse andere plannen om werk van Belle van Zuylen in het Nederlands beschikbaar te stellen. Op basis van het in april gehouden congres, waarvan de acten (in het Frans en Engels) in december verschijnen, zullen er ook Nederlandstalige publicaties volgen. Daarnaast is recentelijk gebleken, dankzij door Kees van Strien verricht archiefonderzoek, dat er in Nederlandse familiearchieven nog belangrijke nieuwe informatie is te vinden. In tegenstelling tot wat Buijnsters voor Wolff en Deken constateerde, is de verwachting misschien gerechtvaardigd dat op korte termijn de biografie van Belle van Zuylen (ongeveer tien jaar geleden kwamen er drie uit, in drie talen) zal moeten worden herschreven. Niet omdat de biografen in onderlinge conflicten verwikkeld zijn, maar omdat er gegevens te voorschijn zijn gekomen over periodes in haar leven waarover tot nog toe onduidelijkheid heerste (Belle van Zuylen spoorde regelmatig aan om haar brieven te verbranden!).
Een van de nog te beantwoorden vragen betreft uiteraard de mogelijke connectie tussen de naar Zwitserland vertrokken «émigrée» en haar vroegere landgenotes. Isabelle de Charrière had Sara Burgerhart (in 1784, in het Nederlands) gelezen en verklaarde zich erdoor beïnvloed. In de correspondentie van Betje Wolff en Aagje Deken is over beïnvloeding in de andere richting niets te lezen. Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat het schrijfstersduo Charrière’s werk en reputatie niet gekend zou hebben: de Zeeuw Cornelis de Perponcher, sinds 1763 getrouwd met Belle’s zuster, wordt door Buijnsters beschreven als een van Betje en Aagje’s «fans van het eerste uur». Buijnsters maakt ook melding van Betje’s correspondentie met Rijklof Michaël van Goens, de bewonderaar van Belle’s eerste publicatie. Veel brieven zijn helaas verloren gegaan, waaronder ook die waaruit bewijsmateriaal voor deze bewering had kunnen worden geput.
Publicaties in verband met de «bicentenaire»:

Belle de Zuylen/Isabelle de Charrière
Education, Creation, Reception
Amsterdam-New York, Rodopi, 2005 (acten van het congres gehouden in Utrecht 7-9 april 2005)

Belle van Zuylen/Isabelle de Charrière
Réflexions sur la générosité et sur les princes / Over de noodzaak van edelmoedigheid, in het bijzonder voor vorsten
ed. Madeleine van Strien-Chardonneau, vertaald door Suzan van Dijk
Oegstgeest, Genootschap Belle van Zuylen, 2005 (tweetalige uitgave)

Kees van Strien
«In de ban van Belle: Nieuw licht op Belle van Zuylen»
in Jaarboek Oud-Utrecht, 2004, p.41-62

Isabelle de Charrière/Belle van Zuylen
Triste contradiction: Portrait de Zélide
ed. Kees van Strien
Leiden, Kopwit, 2005 (tweetalige uitgave)

Isabelle de Charrière (Belle de Zuylen)
Early Writings: New Material from Dutch Archives
ed. Kees van Strien
Leuven etc., Editions Peeters, 2005

Monique Moser-Verrey
Isabelle de Charrière and the Novel in the 18th Century
Universiteit Utrecht, Faculteit der Letteren, 2005 (oratie Belle-van-Zuylen-wisselleerstoel 6 april 2005)

Nicole Pellegrin
Entre inutilité et agrément: Remarques sur les femmes et l’écriture de l’Histoire à l’époque d’Isabelle de Charrière (1740-1805)
Universiteit Utrecht, Faculteit der Letteren, 2005 (oratie Belle-van-Zuylen-wisselleerstoel 4 oktober 2005)

Judith A. Vega
Isabelle de Charrière en de kritiek van de Verlichting
Kampen, Klement, 2005

Nadere informatie op: www.let.uu.nl/bellevanzuylen; www.charriere.nl; www.slotzuylen.com