In Napels gebeurt alles eerder

‘Belle giornate’ in een verborgen stad

‘De lente van Napels’ heet het artistieke wonder dat zich in de afgelopen twintig jaar heeft voltrokken onder de rook van de Vesuvius. De weg naar de met een Oscar bekroonde film La grande bellezza voert in vele bochten terug naar Napels en de geheimzinnige man achter de schermen, Angelo Curti.

Medium napels2

Grote zeemeeuwen scharrelen over de okergele rotsen van gestolde lava die ooit door de Vesuvius is uitgebraakt. De zon spat uit de spiegel van de azuurblauwe zee. Vanaf de loggia van het Palazzo Donn’Anna, zo’n tien meter boven de Golf van Napels, kijk je tot de bodem van een onderwaterparadijs. Inhammetjes, mysterieuze grotjes, wuivende algen. Maar nergens de zeebaars waar het allemaal om draait in Ferito a morte, ‘Dodelijk verwond’, de roman uit 1961 die het afgelopen jaar een wedergeboorte heeft beleefd omdat schrijver Raffaele La Capria (92) model staat voor het personage van Jep Gambardella in de Oscarwinnaar La grande bellezza.

Gambardella’s filosofische geslenter door Rome, zijn messcherp verwoorde inner thoughts, de ironische blik van de outsider op de stad waar hij als literair wonderkind uit Napels zijn geluk kwam zoeken: het is gebaseerd op het leven van de Napolitaanse dandy Raffaele La Capria. Die, net als Jep Gambardella, met zijn debuut meteen de belangrijkste literaire prijs van Italië won, de Premio Strega, en altijd de schrijver van dat ene boek is gebleven. Het boek over zijn jonge jaren in Napels, in het ongelooflijke Palazzo Donn’Anna, dat hij uiteindelijk ontvlucht om in het swingende Rome van La dolce vita aan het echte leven te beginnen. Wat hem, net als Jep Gambardella, zo goed lukt dat het schrijven er een beetje bij in schiet.

Regisseur Paolo Sorrentino (44) heeft een enorme hekel aan het gezelschapsspel wie-is-wie-in-La grande bellezza, dat met verbeten inzet in bepaalde Italiaanse kringetjes wordt gespeeld. Hij houdt het liever vaag omdat hij zich niet in zijn kaarten wil laten kijken, maar andersom staan ook grote belangen op het spel. Niets is immers erger dan zelf het onwetende lijdend voorwerp van Sorrentino’s bijtende spot te zijn en achter je rug te worden uitgelachen. De beroemde journaliste Conchita De Gregorio van de grote linkse krant La Repubblica heeft zichzelf uiteraard herkend in de communistische multimiljonaire met haar geknepen mondje en haar arrogante, afkeurende meningen over alles en iedereen. De schrobbering die ze krijgt van Jep Gambardella is een memorabel moment in de film, maar het is inderdaad geen compliment om dat personage te zijn.

‘Hallo Paolo, complimenten met je Oscar voor een film waarin bepaalde mensen zichzelf helaas hebben herkend en niet tot hun vreugde’, bijt Conchita De Gregorio de kersverse Oscarwinnaar toe in een YouTube-interviewtje. ‘O?’ doet Sorrentino verbaasd, ‘ik weet absoluut niet wie je bedoelt.’ Het onbetekenende gesprekje eindigt in de vrieskist, maar het ging de journaliste er alleen om te laten merken dat ze heus wel had gezien wat iedereen had gezien. Want Paolo Sorrentino is een meedogenloze observator met een geweldige pen. In vitriool gedoopte dodelijke humor, helemaal als hij uit de mond komt van topacteur Toni Servillo alias Jep.

De enige waar iedereen natuurlijk graag model voor zou willen staan is de superieure Jep Gambardella, de koning van het niets, al heeft hij in zijn jonge jaren een belangrijke roman geschreven die een grote literaire prijs won. L’apparato umano (‘Het menselijk apparaat’) heet Ferito a morte in de film. Maar van Jep Gambardella heb je er maar één, en dat kan echt niemand anders zijn dan de Napolitaan Raffaele La Capria, wiens ene jeugdige meesterwerk zijn hele leven heeft bepaald. Een joyceaanse stream of consciousness van een jongeman die ontwaakt in de eerste zonnestralen van de dag die door de blinden van het Palazzo Donn’Anna in zijn ogen prikken, met de azuurblauwe zee die lonkt in de diepte onder zijn balkon, waar hij zo vanaf zal duiken, recht het onderwaterparadijs in. Het is een willekeurige dag uit zijn jonge leven dat nog helemaal voor hem ligt, maar tegelijkertijd al definitief achter de rug is. Dat is de dodelijke fuik van de spreekwoordelijke Napolitaanse ‘bella giornata’, ‘mooie dag’, waarin je op deze door de goden uitverkoren plek als zoon van de gegoede burgerij levenslang je rondjes kunt blijven zwemmen, tenzij je de kracht bezit om eruit los te breken.

De ‘bella giornata’ waar het in Ferito a morte om draait is een metafoor voor heel Italië, waar het overrompelende decor en klimaat makkelijk tot dodelijke inertie leiden. Waarom moeilijk doen als het je toch allemaal komt aanwaaien? Waarom überhaupt nog iets doen? Een oneindige reeks ‘belle giornate’ strekt zich uit voor de Italianen van de wieg tot het graf. Zoveel schoonheid verlamt, de kansen van het leven schieten voor je neus weg als de robuuste spigola, de zeebaars, die opdoemt voor de autobiografische hoofdpersoon van Ferito a morte terwijl hij in de onderaardse spelonken van het Palazzo Donn’Anna wat aan het snorkelen is. De vis kijkt hem aan, hij lonkt, pak me dan als je kan, maar terwijl hij zijn harpoengeweer wil richten, voelt hij ‘Het Gevreesde Ding’ weer opkomen, ‘de vervloekte luiheid die het lichaam verlamt, het leven dat je op het moment dat het erom gaat in de steek laat’.

De directe verwijzing is naar het recente trauma van de mislukte eerste keer, het klassieke mannelijke fiasco met het blonde upperclassmeisje Carla waar tout Napels van droomt. Maar de uit faalangst op een haar na gemiste zeebaars blijft het hele boek voor hem uit meanderen, als een treiterende herinnering aan de momenten die het leven biedt aan wie ze weet te pakken. Een meesterwerk, Ferito a morte, over de angst de momenten waar het om gaat in het leven te missen uit angst om ze te missen. Aan deze zelfvervullende profetie van Raffaele La Capria heeft ook Paolo Sorrentino zich gebrand. Lang voor La grande bellezza, al in 2002, heeft Sorrentino noest gewerkt aan een script van Ferito a morte. ‘Maar het resultaat kwam in de verste verten niet overeen met onze verwachtingen’, onthulde de 92-jarige La Capria onlangs in een interview. Sorrentino heeft dit nooit verteld en reageert erg nerveus op vragen over de link tussen Ferito a morte en La grande bellezza. De laconieke, superieure La Capria laat het Siberisch dat hij volgens velen model zou staan voor Jep Gambardella (‘Ja, men heeft mij erop gewezen. Aardige gedachte, als spielerei’).

Het gaat de hoogbejaarde Napolitaanse dandy La Capria tegen het einde van zijn leven niet meer om society-spelletjes die hij zelf op veel hoger en geestiger niveau heeft gespeeld toen hij in de jaren vijftig en zestig flonkerde in het Rome van het net zo onvergetelijke als onherroepelijk voorbije Dolce vita. ‘Het probleem bij de verfilming van mijn boek is dat het is samengesteld uit gevoelens en atmosferen van een stad die niet meer bestaat, en die alleen nog voortleeft in de hoofden en in de herinnering van de inmiddels stokouden zoals ik. Maar veel meer dan over het reële Napels van de jaren vijftig gaat mijn boek over de mentale dimensie van mijn hoofdpersoon Massimo De Luca. Vergeet ook niet dat ik al lang niet meer in Napels woonde toen ik het schreef. Mij was het gelukt in 1950 naar Rome te vluchten. Het was met het script van Sorrentino net als met de zeebaars uit mijn boek, de grote kans die wegglipt onder je vingers. Het risico was dat we het verhaal tot een galerij van Napolitaanse typetjes zouden hebben gereduceerd, terwijl het gaat om het gevoel van verlies, van het leven dat onder je vingers vandaan glipt omdat je te druk bezig bent met andere dingen terwijl waar het werkelijk om gaat zich ondertussen ongemerkt voltrekt.’

Dit begint toch wel verdacht veel op La grande bellezza te lijken. Jep Gambardella die naar het plafond van zijn slaapkamer kijkt, dat langzaam begint te golven en verandert in een azuurblauwe zee, waarin hij als jonge jongen wegduikt voor een aansnellende raceboot, om triomfantelijk weer boven water te komen en direct te kijken naar háár, het meisje in bikini op de rotsen, het mooiste meisje van allemaal dat hem een mysterieus lachje terugseint. Het leven dat zich ongemerkt heeft voltrokken terwijl hij druk was met andere dingen. Het beeld waar de oudere Napolitaanse dandy Jep, na een leven van hol feestvieren in Rome, keer op keer naar terugkeert in zijn hoofd. Zee, meisje, rotsen, dat ene moment, als ze haar bloesje langzaam voor hem openknoopt, ’s nachts bij de vuurtoren. De grande bellezza van zijn leven die ergens diep in de jaren vijftig voorgoed verloren is gegaan.

Maar nu is het december 2014. De man die – vermoed ik – precies weet hoe het zit met het Napolitaanse Droste-effect heet Angelo Curti. Ik zit al een jaar achter hem aan. We blijven maar mails uitwisselen die te maken hebben met de grootste ster van zijn stal, Toni Servillo alias Jep Gambardella. Wie iets van Toni Servillo wil komt uiteindelijk uit bij Angelo Curti. Die zichzelf overigens allerminst belangrijk maakt. Hij pretendeert niet meer te zijn dan slechts de agent van Servillo. Om erachter te komen wie hij werkelijk is moet je je blikveld verleggen van de glorieuze eindstreep van de Oscar in Los Angeles die Servillo en Sorrentino in de nacht van 2 maart vorig jaar samen de lucht in hieven, naar het anonieme begin in Napels. Met beiden heeft Angelo Curti alles te maken, maar nogmaals: hij zal het je niet vertellen.

Het begon mij zo’n beetje op te vallen bij de derde film die ik terugzag in het kader van de speurtocht naar de ‘Lente van Napels’, het artistieke wonder dat zich de afgelopen twintig jaar onder de rook van de Vesuvius heeft voltrokken. Morte di un matematico napoletano (1992), L’amore molesto (1995), Teatro di Guerra (1998). Alle drie geselecteerd door Venetië of Cannes en behoorlijk in de prijzen gevallen. De rode draad die de films verbindt is Napels, maar een Napels dat niet aan de clichébeelden voldoet. Tussen het Napolitaanse uithangbord Sophia Loren en het wereldwijd zeer succesvolle nieuwe maffiagenre in de trieste flatgebouwen van Gomorra ligt nog een heel andere stad, een verborgen stad.

Dat Napels ontrolt zich in deze drie films, die alle drie door Angelo Curti bleken geproduceerd. Een soort undergroundfilms over mensen die op de vlucht zijn voor zichzelf, voor het leven, met schitterende acteurs die uit het theater komen, onder wie een heel andere, veel ingetogener Toni Servillo dan de coole dandy Jep Gambardella met zijn flamboyante pakken. Eenlingen die zich lijken te verstoppen in een mysterieuze, duistere stad, die niets te maken heeft met het uitbundige vertoon van emoties in het helle zonlicht waar Napels om bekendstaat. Een innerlijk Napels, zou je kunnen zeggen.

En de naam Angelo Curti duikt een paar jaar later al weer op de aftitelingen van de eerstelingen op van Paolo Sorrentino, L’uomo in più (2001) en Le conseguenze dell’amore (2004). Wie is hij?

‘E’ rranf mei so’ llong a’ us e purp verac’ (‘Mijn tentakels reiken zo ver als die van de octopus’), had Curti geschreven. Dat was onze twintigste mail. Na een jaar van schriftelijke reverences, kniebuigingen en handkussen in het Algemeen Beschaafd Italiaans kwam ineens dit zinnetje in zwaar Napolitaans dialect. Ik was door de selectie, blijkbaar. Eindelijk stond er dan een afspraak in Napels, zij het dat de details later nog zouden volgen. Het leven definieert zich per dag, of eigenlijk per uur in Napels, en zeker dat van Angelo Curti, de onvermoeibare antenne van talenten, atmosferen en momenten. Iets van tevoren vastleggen kan betekenen dat je een momentum elders mist en dat zou een doodzonde zijn.

Niet begrepen worden, dat blijkt Angelo Curti’s grootste angst. Want het gaat hem om iets heel anders dan ‘het Napels van de Oscarwinnaars’, waar de wereld nu eindelijk ook achter is gekomen en dat voor een belangrijk deel op zijn conto staat. Zijn kantoor – hartje eeuwenoud Napels, diep verstopt in de krochten van zo’n schitterend vervallen adellijk palazzo met portiersloge en binnenplaats, oneindige trappen, gangen, hoekjes, geluiden en etensgeuren – is dan ook een werkplaats, geen showroom.

Vriendelijke bebrilde medewerksters zitten hier boven straalkacheltjes aan de computer – aan verwarmingen doen ze niet in Zuid-Italië, waar het toch ook wel eens winter is. De affiches aan de muren getuigen van experimentele theaterproducties uit lang vervlogen tijden. De geur van de jaren zeventig kringelt op in de neusgaten. Ergens in een gang staat een vrouw met een leren jack en een jongensachtige bos rood krulhaar. ‘Dit is Costanza’, mompelt Angelo Curti, in het voorbijgaan. ‘Zijn vrouw’, glimlacht ze later zelf maar, terwijl we al geruime tijd staan te wachten op Angelo aan de telefoon, Angelo die nog even een mail moet sturen, Angelo die nog iets moet overleggen met een medewerkster. ‘Leven met Angelo is wachten’, zegt Costanza berustend. Zij komt uit het efficiënte, stijlvolle Toscane, de enige streek van Italië die heeft gesnapt hoe je het merk Italië wereldwijd moet verkopen, maar heeft vanwege Angelo haar bakens verzet naar Napels.

Over zichzelf vertellen vindt hij vreselijk, vandaar dat hij Costanza meeneemt naar onze lunch in een trattoria waar hij zo te merken al zijn hele leven komt. Zij verwoordt wat hij bedoelt. Hij gooit af en toe een krent in de pap. ‘Hoe we elkaar hebben leren kennen? Costanza kwam mee naar Napels als regie-assistente van een theaterproductie uit Milaan. Toen ik hen langs de beroemdste kust-ansichtkaart ter wereld reed, de Golf van Napels, zei Costanza achter in de auto: “Ah! Dit doet mij denken aan de oevers van de Arno in Florence.” Dit is de vrouw van mijn leven, wist ik meteen. Zo’n observatietalent mag ik niet laten schieten.’

Angelo Curti is, samen met Toni Servillo en met de veel te jong overleden Napolitaanse dramaturg/regisseur/acteur Antonio Neiwiller, de oprichter van de groep Teatri Uniti, ‘Verenigde theaters’. Het was 1987, en ieder voor zich was al een tijdje bezig. ‘Toni’s groepje kwam uit Caserta, het achterland van Napels dat op zich ook al achterland is, en was voor ons dus eigenlijk de vijand, de concurrentie, want iedereen die niet hoort bij jouw clan is de vijand, hier in Napels’, vertelt Angelo Curti. ‘Maar er kwam een dag waarop ik besefte dat het bundelen van de krachten het verschil kon maken. En dat is wat ik sindsdien heb gedaan: het bundelen van de krachten.’

De enige die zelf niet zo nodig hoefde was Angelo Curti en daarom werd hij de spil. Ook hij was in de wilde jaren zeventig begonnen als theateracteur, ook hij had aspiraties als regisseur, maar hij had de grootheid die weinigen is gegeven om in te zien dat anderen dat beter konden. En dat hij weer iets kon dat de anderen niet konden: krachten bundelen. Uiteindelijk is dat het grote geheim van Teatri Uniti: een experimentele stal van Napolitaanse raspaarden creëren die zijn uitgewaaierd en over heel Italië – sommigen zelfs over de hele wereld – beroemd zijn geworden. Schilders, componisten, beeldhouwers, grafici, theateracteurs, filmmakers, alle crossovers mochten worden uitgeprobeerd. Tot uiteindelijk de goudklompen in de zeef van Angelo Curti overbleven.

‘Ik ben heel streng’, zegt hij, met de mildste glimlach ter wereld. De frictie tussen ‘zij die bleven’ en ‘zij die vertrokken’ is voor Angelo Curti de kern, of misschien is het wel de kern van Napels. ‘De ultieme droom van iedereen in Napels die het een klein beetje begint te maken, is vertrekken, en dan het liefst naar Rome, onze zogenaamde wereldstad. Dat is het complex van de provinciaal, zie Mario Martone (regisseur), zie Mimmo Paladino (schilder, beeldhouwer), zie Paolo Sorrentino, illustere voorbeelden uit de stal van Teatri Uniti te over. Maar ik, in mijn oneindige arrogantie, zeg dat Napels het centrum van de wereld is. En dat de uitdaging schuilt in blijven. Blijven in Napels.’

Nu valt Costanza hem hevig hoofdknikkend bij. ‘In Napels gebeurt alles eerder. Napels is de spiegel van de wereld, een front van breuklijnen, de aarde trilt met grote regelmaat onder je voeten, als je, zoals wij, vlak bij de Vesuvius woont. De breuklijnen voel je voortdurend letterlijk en figuurlijk hier in Napels, de krachtvelden tussen politiek en maffia, tussen het rijke noorden en het arme zuiden, alles wat op dit moment wereldwijd gebeurt zie je in Napels eerder, en in heviger vorm. Het dagelijks leven is hier doodvermoeiend, je kunt nergens op rekenen, alles hangt af van de dag, of de bus rijdt, of er een leerkracht op school zal zijn. Drie opgroeiende kinderen heelhuids door hun schooljaren loodsen is een prestatie in Napels, maar als het je lukt, krijg je er ook kracht van. Het maakt je sterk. Ik zou nooit meer ergens anders willen wonen dan hier. Napels is de spannendste, creatiefste plek ter wereld, voor wie het aan kan.’

Mijn spaghetti con polipetti arriveert. Met ontroerende bezorgdheid dringen de Curti’s aan op een glas kruidige witte wijn van de vruchtbare Vesuvius-aarde dat hier perfect bij past (‘Nee, neem, neem nou! Trek je niets van ons aan!’). Zelf zijn ze geheelonthouder, maar daar gaan ze niet prat op. Ze gaan nergens prat op. Dingen worden tussen neus en lippen vermeld, alsof ze vanzelfsprekend zijn. Zo heeft Costanza de casting voor de film Gomorra gedaan, die wereldwijd hoge ogen heeft gegooid en de Juryprijs van Cannes won in 2008. Dat betekent dus dat ze onder de gelederen van de camorra heeft gecast, want dat was de grote truc van Gomorra: real life camorra-uitschot dat op het podium van Cannes in smoking stond te stralen voor ze in Napels weer binnen de kortste keren achter de tralies waren verdwenen, want het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Maar Costanza heeft er niets bijzonders over te melden. Ze heeft gewoon haar werk gedaan, vindt ze.

We duiken Napels in. Costanza vertrekt ‘naar Caserta’, wat waarschijnlijk betekent naar Toni Servillo, die er nog altijd woont, maar dat wordt er niet bij verteld. Angelo Curti neemt mij mee naar de première van de film Una bella giornata, door hem geproduceerd, maar dat staat niet op de poster. ‘Het streven is om uiteindelijk geheel te verdwijnen’, zegt hij tevreden, terwijl hij gewoon twee kaartjes voor ons koopt aan de kassa. Ik val zowat van mijn stoel van verbazing terwijl de prachtige docu-fictie zich voor onze ogen ontrolt. Dit is de film over het boek van La Capria, die begint met de meanderende zeebaars onder water, en die langzaam uitdijt naar alle metaforische kringen waar de zeebaars voor staat. De film waar Sorrentino over is gestruikeld!

‘Hoe lang hebben jullie hieraan gewerkt?’ vraag ik overdonderd na afloop. ‘Vier jaar’, zegt Angelo Curti droog.

Medium napels3

Het is tijd voor een caffé cremato. Er zal iemand langskomen om ons te begroeten. Een schilder uit de stal van Teatri Uniti. Hij komt en wisselt in hoog tempo wat gegevens in codetaal uit met Angelo Curti. Tentoonstellingen, ontmoetingen met Paolo Sorrentino in Rome, de viering twee dagen geleden in Palazzo Donn’Anna van de 92ste verjaardag van Raffaele La Capria, razen voorbij. ‘Ziet het er nog uit zoals toen?’ probeer ik. Het verhaal stopt abrupt. ‘In Palazzo Donn’Anna?’ vraagt de schilder. ‘Welnee. Dat is nu een hypermoderne ruimte van een galeriehoudster die zo aardig was om La Capria uit te nodigen in het literaire monument dat hij zelf heeft opgericht. Alles wit, hoog, strak, met doeken aan de muren waarvan ik de prijs niet eens kan uitspreken. Hij was erg in zijn nopjes, il grande Raffaele. Alleen het uitzicht is nog hetzelfde: de zee. Il mare de’ Napule.’

Iedereen moet weer door. Ik struikel achter Angelo Curti door de ‘salon van Napels’, feestelijk verlichte winkelstraten met een combinatie van winkeltjes met ambachtswerk en peperdure topmerken. Hij is onafgebroken aan de mobiel en ziet niet waar hij loopt, wat ook niets uitmaakt, want in Napels kent het menselijk verkeer nog de natuurlijke elegantie van elkaar glimlachend ontmoeten en ontwijken zonder dat iemand ooit botst.

Om de drie meter worden we aangehouden door iemand die iets vreselijk dringends aan Angelo Curti moet vertellen en al de hele dag probeert om hem te pakken te krijgen. Hij handelt alles af of hij alle tijd van de wereld heeft. ‘Scusa un momento’, zegt hij in zijn mobieltje, om vervolgens alle aandacht te schenken aan wie hem aanklampt, als een herenboer die bij het vallen van de avond een beetje over zijn landgoed kuiert en toevallig de buurman tegen het lijf loopt.

‘Ah Toni’, zegt hij ontspannen, als we een paar meter zijn gevorderd en het schermpje al weer oplicht. ‘Ja. Nee. Nou, dat lijkt me wel. Je kunt toch ook komen ná de voorstelling? Maar je moet wel komen, ja. Die mensen hebben zich er een jaar op verheugd. Goed. Regel ik. Gewoon, na het kruispunt met de benzinepomp. Je zult ontvangen worden in een warme zaal. Wat? Ja, dat is na de Kerst in Rome. Natuurlijk. Paolo wil jou er natuurlijk ook bij. Prima. Ciao, Toni.’

‘Jullie praten samen niet in het Napolitaans’, merk ik op, terwijl Angelo Curti me ineens met een professionele politiegreep bij de elleboog vat en een donker steegje in loodst. Hij kijkt me even met een schuin lachje aan. ‘O, had je dat verwacht? Sorry dat we de couleur locale niet hebben geleverd. Napolitaans is voor als we op de planken staan. Dienstmededelingen doen we natuurlijk gewoon in het Italiaans. Gaat wat sneller.’

Een groep mensen blijkt al urenlang op hem te wachten in een steegje waar we na zeventien scherpe bochten komen. ‘Angelo!’ Hij loodst me door, nog steeds aan de elleboog. ‘Kan iemand even de lichten in het theater aandoen? Dit is een Nederlandse journaliste, ik moet haar wat laten zien.’ Vrijwilligers rennen voor ons uit de trappen op in een Achterhuis-achtig gangenstelsel. Lichten schieten aan in een zaaltje dat sterk doet denken aan De Balie. ‘Voel je je thuis?’ grijnst Angelo Curti. ‘Net Amsterdam hè? Hier hebben we Teatro di guerra opgenomen.’

Er wordt dringend op hem gewacht, dus ik denk dat ik de weg uit de beruchte Quartieri Spagnoli zelf wel kan vinden. Het ziet er enorm gezellig uit allemaal, die steegjes waar je het huis aan de overkant kunt aanraken als je je arm uit het raam steekt. Met die leuke typisch Napolitaanse lijnen met wasgoed. En met al die typische Napolitanen die beleefd groeten omdat ik door Angelo Curti ben binnengeloodst. Maar in m’n eentje hier doorheen!? Geen sprake van. Hij houdt mijn arm in een schroefgreep tot ik weer op de grote, veilige winkelstraat sta. Pas daar neemt hij afscheid met een handkus.

‘Iedereen die niet hoort bij jouw clan is de vijand, hier in Napels’

Medium napels1

Paolo Sorrentino

Na de productie van de eerste twee ‘Sorrentino’s’ – L’uomo in più (2001) en Le conseguenze dell’amore (2004) – troggelt een leerling van Angelo Curti hem de latere Oscarwinnaar min of meer af. Producent Nicola Giuliano (48) heeft het vak van Curti geleerd op de burelen van Teatri Uniti in Napels en richt in 1999 zijn eigen filmmaatschappij Indigo op in Rome. Sorrentino verhuist mee, maar de onbetwiste ster van zijn films, Toni Servillo, blijft in Napels bij Curti. De contacten zijn uitmuntend, en het echtpaar Curti was erbij in Los Angeles toen La grande bellezza de Oscar won. De Curti’s logeerden samen met de Sorrentino’s bij een bevriende Napolitaanse acteur. Daar had Paolo Sorrentino op gestaan. ‘In een echte Hollywood-villa met zwembad’, zegt Angelo Curti met een klein spotlachje.

Momenteel begeleidt Angelo Curti de zeer succesvolle theatertour van Toni Servillo door Italië en de wereld. Het toneelstuk Le voci di dentro uit 1948 van de Napolitaanse dramaturg Eduardo De Filippo trekt overal volle zalen en gaat zijn derde jaar in.

Verder heeft Angelo Curti momenteel nog zes andere theatertournees lopen, en wordt voortdurend gewerkt aan bijzondere producties, zoals de groepsfilm Napoli 24, de visie van 24 regisseurs op Napels.

De nieuwste Sorrentino, Youth, met Michael Caine en Harvey Keitel in de hoofdrol, is net af. De eerste die hem moest zien was Angelo Curti. ‘Davvero assai bello’ (‘Werkelijk heel mooi’), luidt zijn oordeel.

‘Napels is een front van breuklijnen, de krachtvelden tussen politiek en maffia, tussen het rijke noorden en het arme zuiden’


Maria Goos

Angelo Curti mailde na afloop van onze ontmoeting in Napels: ‘Ik ben ook nog bezig met een Nederlandse televisieproductie die geschreven wordt door Maria Goos. Een soort Sopranos alla olandese.’

Het blijkt waar. Maria Goos schrijft inderdaad momenteel aan een tv-serie voor de Avro/Tros die La Famiglia gaat heten en in 2016 zal worden uitgezonden. Het is het levensverhaal van de jonge producent van de serie, Lucio Messercola (24), zoon van een Napolitaanse vader en een Nederlandse moeder. Zijn jeugd in een Italiaans restaurant in de Nederlandse provincie bleek onweerstaanbaar, toen hij eenmaal begon te vertellen.

‘Ik wilde helemaal niet’, aldus Maria Goos. ‘Wat moest ik met het verhaal van zo’n jong Italiaantje, ik heb zelf nog zo veel dat ik wil schrijven!’ Maar Lucio Messercola zette door. Na wel tien ontmoetingen in cafés had hij Maria Goos om. ‘Puur omdat hij het zo goed kon vertellen. Ik zag het er ineens toch in.’

En nu ze toch bezig waren: waarom niet Toni Servillo voor de hoofdrol? Er werd contact opgenomen met Angelo Curti, die ze uit deze droom moest helpen, maar nu wel betrokken is bij de casting voor La Famiglia vanuit Napels. ‘We hebben Angelo ontmoet in Milaan’, vertelt Maria Goos, ‘om te kijken naar het toneelstuk van Toni Servillo. En daar zijn nu toch een aantal acteurs uit gerold voor onze serie. Vooral Peppe Servillo, de broer van Toni, daar hopen we erg op. Wat een fantastische acteur ook!’


Beeld: (1) Palazzo Donn’Anna waar Ferito a morte van Raffaele La Capria zich afspeelt (Alessandro Grassani / LUZ / HH). (2) De schrijver Raffaele La Capria (hier in 2000) die model stond voor het personage Jep Gambardella in La grande bellezza (Giovanni Giovannetti / effigie / HH). (3) Producent Angelo Curti, culturele herenboer van Napels (Renato Rizzardi)