Bellen

De gewrochte vormen van Roger Hiorns lijken soms stillevens. Maar hun stilheid is schijn, want ze zijn steeds in trage beweging. Af en toe maakt Roger Hiorns van die wonderlijke knutseldingen die vederlichte vormen van zeepschuim produceren. Er zijn er die met ijzerdraad van het plafond neerdalen en op ooghoogte blijven hangen. Dat zijn een soort roestvrijstalen bussen of glimmende trommels, vaak ook twee van die dingen los tegen elkaar.

Medium fuchs1

Andere zijn er van keramiek (als smalle stukken schoorsteenbuis) die als vazen (ook gestapeld) op een houten krukje op de grond opgesteld staan. Binnen in het vreemde organisme bevindt zich, doorgaans niet te zien, een hoeveelheid gewoon zeepsop. Daar doorheen wordt via een plastic slangetje perslucht gevoerd zodat via de ronde opening bovenin tergend traag een kolom wit schuim te voorschijn komt. Eerst gaat die recht naar boven totdat zelfs het bijna gewichtloze schuim toch te zwaar wordt voor de opwaartse druk van de geblazen lucht. De kolom van schuim begint dan in elkaar te zakken. Dat grillige, scheef zakkende wolkige schuim raakt in de war met het nieuwe schuim dat almaar naar boven blijft komen.

Het is onbeschrijflijk. Wat mij vooral opviel was de stilte van de vertoning. Die was vooral zo onnavolgbaar omdat het te voorschijn komen van het schuim en daarna het vallen ervan een proces van heel langzame beweging is. Bij het kijken ernaar word je, als je de tijd neemt, je dat uiterst trage kolken van het schuim ook bewust. Soms, als de wolk te zwaar wordt, dwarrelt er een vlok schuim naar beneden en slinkt en droogt op de grond. Het is die geruisloze beweging vooral die de stilte van deze dingen zichtbaar maakt. De ijlheid van de gestaag groeiende en slinkende vormen, in die stilte, maakt deze werken zo

Medium fuchs2

sprookjesachtig. Als bellenblazen is het eigenlijk, zoals kinderen dat doen. Je doopte de kop van het witstenen pijpje in een kommetje zeepsop dat je moeder had geklopt. Er ontstond dan een dun vlies. Je begon behoedzaam te blazen. Het was de bedoeling de bel zo groot mogelijk te maken voordat je hem met een korte beweging van de pijp kon loslaten. Dan zweefde de zeepbel, goudgroen glanzend, statig en kwetsbaar in de zon door de lucht. Gespannen volgde je hem met het oog. Hoe ver nog tot hij knapte – en ineens onzichtbaar was. Tegenwoordig gebruiken kinderen een plastic ringetje op een stokje dat je kant-en-klaar in een kokertje met zeepsop kunt kopen. Het vlies van zeep is daar vaak zo taai dat je een reeks kleine bellen achter elkaar kunt blazen. Maar dat maakt niet uit: het gaat erom dat je als kind, door te kijken, iets wonderbaarlijks leert kennen dat je zelf gemaakt hebt. Misschien heb je niet eens in de gaten dat je, zoals in de kunst, iets maakt uit bijna niets dat weliswaar beperkt van duur is maar qua vorm van een onzegbaar perfecte schoonheid.

Ik kwam daar in ieder geval pas later achter hoewel ik me het bellenblazen in de tuin nog goed herinner. Ook wist ik toen niet van allerlei emblematische figuren met het lemma homo bulla – de mens is een zeepbel. Dat is een antieke aanduiding van de onberekenbare fragiliteit van het leven – door Erasmus opnieuw geformuleerd en daarna terechtgekomen in het vaste repertoire van allerlei _vanitas-_voorstellingen. Bij het tere schuim in de werken van Roger Hiorns kun je die aspecten van vergankelijkheid, als ze eenmaal in je hoofd zitten, niet meer wegdenken – maar die vanitas heeft met de intentie van die dingen, en het maken ervan, niets te maken. Wel misschien het adembenemende bellenblazen.

In de praktijk van de klassieke abstracte kunst is het vormgeven en organiseren van vorm, ten opzichte van daarvoor, fundamenteel veranderd. Daarna is in de kunst (in wat conceptueel is gaan heten) ook de ogenschijnlijke stabiliteit van die oude abstractie verder in verwarring geraakt. Vandaag denk ik bijvoorbeeld aan Joseph Beuys en Bruce Nauman als centrale figuren. Nu is de kunst verzeild geraakt in een gebied van grote formele onzekerheid waarin ook nieuwe materialen een rol spelen. Dat is heel spannend. In zekere zin lijken de gewrochten van Hiorns ook stillevens. Hun stilheid is echter schijn want de vormen van schuim zijn steeds in trage beweging. Eigenlijk worden ze, als een zeepbel, van onderen steeds verder opgeblazen totdat ze uiteenvallen en vormloos wegdwarrelen. Vormloze vorm is, na de heldere vormen van abstracte kunst, een fascinatie die kunstenaars erg bezig lijkt te houden – en misschien altijd al: het groeiende. Leonardo da Vinci kreeg geen genoeg van drachtige wolken en kolkend stromend water. Ik denk ook aan de videosculptuur Washing Hands van Bruce Nauman of, om bij huis te blijven, een werk van Marijke van Warmerdam: een filmloop van een druppel melk in een glas water die vervolgens in grillig slingerende slierten verder uiteenvalt totdat het hele glas bleekwit is. Een prachtige Hollandse eenvoud. Maar deze langzaam kronkelende schuimplastieken van Roger Hiorns zijn nog veel ijler en fragieler.


PS Roger Hiorns is nu te zien bij Annet Gelink Gallery in Amsterdam. Afgelopen zomer had hij een tentoonstelling in De Hallen in Haarlem. Daar is een catalogus verschenen.

Beeld: Michael Claus / Courtesy Annet Gelink Gallery, Amsterdam