Bellen blazen

Het is alsof ik aan het verzinnen ben welke vakanties ik de komende twaalf maanden beslist nodig heb. Vakanties en dagjes uit en visites om te overleven.

Tot half september zijn er nog dingen te doen, de achttiende wordt De wereld van Bernard Heesen te Acquoy gepresenteerd, daarna krijg ik het moeilijk. Ik verval in oude en nieuwe gewoonten, sta op straat uren achtereen met deze en gene te praten, verberg mijn geeuwen niet en begin gek tegen vrouw, dochtertje en mezelf aan te kijken. Tijd om eens naar Zierikzee te gaan en de Coopertest te lopen. ‘Kunnen we gelijk langs bij oom Henk en tante Nora.’ Paar dagen later is de Wilpermolenloop in Posterenk. 'En als we daar toch zijn, gaan we kijken of die ene man nog leeft, waarmee ik vroeger op een rare manier naar het Comomeer ben gelift. Staan jouw ouders tegen die tijd daar niet nog ergens op een camping? Weet je wat, dan doe ik op 29 september mee aan de Waterborghloop in Zuidhorn. Precies, daar woonde kleine meneer Kees, met die honden, wat een krankzinnige toestand was dat. Janny woont er niet ver vandaan, die heeft wel een logeerkamertje in haar nieuwe huis. Misschien kunnen we bij haar een weekje boeken lezen of iets anders doen. En als zij daar geen trek in heeft, dan nemen we de boot naar Schiermonnikoog. Wat, welke boeken? Nou, kijk maar, kan me niet zo heel veel schelen.’ Want ik blader in het Trimloopboekje. Stel de juiste voedselpakketten samen, bel organisatoren en keuringsartsen, en droom van het aantal kilometers dat ik waar en wanneer kan afleggen. De wereldbol, al verkrijgbaar wanneer ik tienduizend kilometer achter de rug heb, draait verleidelijk rond en ik ben vanzelfsprekend lid van Le Champion. Diep in november zijn we door familie en vrienden heen. 'Schat, dat is geen enkel punt, we hebben mensen op de gekste plekken leren kennen. Die begrijpen wat me beweegt, die ontvangen ons met open armen, sommigen hebben al twee wereldbollen. De donkere maanden zitten eraan te komen, ik moet echt lopen waar ik maar kan, anders zijn we nog tien jaar zwervend onderweg. Trouwens, in dit seizoen moet je plannen maken. Morgen is de Zwartepietenloop in Bemmel, daar ben ik nog nooit geweest, maandag is Bolsward en zaterdag is Nijeveen, de Henk Bijker Bovenboerloop, die tikt mooi aan. Voor Sinterklaas lijkt Weert me wel aardig.’ In februari 2000 is alles weer bij het oude. Ik heb familie en vrienden terug, zet attributen in een kistje in de gangkast en sta op straat uren achtereen met deze en gene te praten over de zin van het bestaan, over mensen in de buurt en over gedane zaken. 'Ik wilde een wereldbol’, leg ik uit, 'toen ik klein was had ik er ook eentje, met een lamp binnenin. Ik snap niet goed waarom ik die wens plotseling koesterde, het doet er eigenlijk niet toe. Nee, dat is zo, er gaat niks boven vast werk, ik heb mijn konijnen en mijn postzegels en mijn bundels, de dagen zijn te kort. Ik voel me niet gezond en niet ongezond en ik heb zin in de werkelijkheid. Misschien gaat mijn vrouw glasblazer worden.’