Bellen met je moeder

Denis Johnson
Tree of Smoke
Farrar, Straus and Giroux, 614 blz., € 19,95
Verschijnt komend voorjaar in de vertaling van Maarten Polman als Een zuil van rook bij Anthos

Denis Johnson is een schrijvers-schrijver: een auteur die door zijn collega’s op hoge waarde wordt geschat, maar verder nooit een groot lezerspubliek heeft gevonden. In het verleden publiceerde hij stemmige verhalenbundels en romans, de bekendste is de verfilmde Jesus’ Son, over mislukkelingen aan de zelfkant van de Amerikaanse samenleving; alle werden lovend ontvangen, maar wisten van de schrijver geen breed erkende grootheid te maken. Met Tree of Smoke lijkt Johnson die kloof naar het grote publiek overwonnen te hebben, een boek over de cia in de Vietnamoorlog, dat dit najaar de prestigieuze National Book Award won.

Vergis u niet: Tree of Smoke heeft een averechts effect op de overijverige lezer die een good read verwacht. Het is een hard read. Het boek is een rommeltje. Johnson werkt niet met een te bevatten plot. Over een periode van zeven jaar voert hij talloze personages op waarvan de rol nooit helemaal duidelijk wordt en vertraagt hij zijn vertelling met ellenlange scènes van meanderende gesprekken. Het wringt wanneer hij zijn personages uit de waan van de dag probeert te halen om ze in de geschiedenis te plaatsen. Hij laat zijn personages, in 1965, dingen zeggen als: ‘It’s a covert World War Three. It’s Armageddon by proxy (…) All we have to do is hang on until Communism collapses under the weight of its own economic silliness.’ Uit dit soort opmerkingen over de Koude Oorlog klinkt een zeker relativisme dat vooral in de jaren negentig opkwam en dat begin jaren zestig, een paar jaar na de Cubacrisis en toen de dominotheorie nog springlevend was, zelden gehoord werd.

Wie de discipline heeft zich daar doorheen te slaan wordt beloond met grootse Literatuur, van een schrijver die zich heeft voorgenomen niets minder dan alle facetten van de Mens in Oorlog te tonen. Meteen in een adembenemende openingsscène toont Johnson waar het hem om te doen is. In de nacht van 22 op 23 november 1962 loopt de jonge soldaat Houston de jungle in om zijn gedachten te verzetten en een zwijn te schieten. In plaats daarvan schiet hij, zonder er goed bij na te denken, een aap neer. Wezenloos loopt hij naar de aap toe en ziet tot zijn verbazing dat hij huilt. Hij gaat door zijn knieën en neemt het beestje in zijn armen, en terwijl zijn ademhaling stokt en zijn hartslag wegvalt huilt Houston als een klein kind met de aap mee. Hij is net achttien geworden en heeft het gevoel dat alles wat slecht is in de wereld zijn schuld is. De scène is doordrenkt van symboliek. Onschuld vermoordt onschuld, in de nacht na de dag waarop Kennedy stierf en Amerika met de donkerste kant van zijn ziel werd geconfronteerd. Dat thema – het verlies van onschuld – overheerst in de roman. De voornaamste protagonisten, de broers Houston en de jonge cia-agent Skip Sands, komen relatief onbeschreven in de oorlog aan en in de ruim zeshonderd bladzijden die volgen raken ze steeds meer zichzelf kwijt.

De soldaten in Tree of Smoke zijn échte mannen, van ver voor de metroseksueel, mannen die elkaar broederlijk aanspreken met ‘sonofabitch’ en wier adem ruikt naar ‘the meat of cattle and cigars and liqour’. Maar zoals in de beste traditie van Chandler, Hemingway, Mailer en DeLillo is die robuuste machokant nooit meer dan een laagje vernis op een kwetsbare ziel, opgejaagd door trauma’s en onzekerheden. Johnson snapt hoe deze mannen in elkaar steken. Hij begrijpt hun ongemak als ze hun moeders aan het thuisfront bellen, de manier waarop ze elkaar opfokken in de bordelen van Saigon en de snijdende stiltes als één zich heroïsch op een granaat werpt en de anderen toekijken of hij wel of niet ontploft.

Vietnam is een chaos, een gebied waar moraliteit alleen in grijswaarden is uit te drukken en voor deze mannen, die geen flauw idee hebben hoe ze tegen hun leven moeten aankijken, is dat een uitweg. Heel origineel is dat eigenlijk niet – chaos en verlies van onschuld zijn hoofdthema’s in alle kunst over Vietnam, van klassiekers als Michael Herrs Dispatches of Stephen Wrights Mediations in Green tot films als Platoon, Apocalypse Now en Full Metal Jacket. Maar bij Johnson heeft die chaos een transcendente, bijna spirituele waarde; de diffuse ellende van oorlog heeft een reinigende uitwerking op de personages, die zich erin onderdompelen en er een catharsis aan beleven. Het besef dat op het moment dat de bommen exploderen en de mitrailleurs beginnen te knallen alles al is verloren, stript een mens van al zijn pretenties totdat een zuivere ziel overblijft. Het voorbeeld van sergeant Storm spreekt voor zich, als hij zich opoffert om een jongen te redden: ‘Storm lay naked on his back and watched the upward-rushing mist and smoke in the colossal firelight and waited for the clear light, for the peaceful deities, the face of the father-mother, the light from the six worlds, the dawning of hell’s smoky light and the white light of the second god, the hungry ghosts wandering in ravenous desire, the gods of knowledge and the wrathful gods, the judgment of the lord of death before the mirror of karma, the punishments of the demons, and the flight to refuge in the cave of the womb that would bear him back into this world.’

In de chaos en ontnuchtering zoekt en vindt Johnson het Hogere. De juiste term voor zo’n boek is ‘meesterwerk’.