Tweemaal rukten de Turkse legers tijdens hun Europese veroveringstochten op tot voor de poorten van Wenen, eerst in 1529, daarna nog eens in 1683, beide keren werden ze door de troepen van de Habsburgse keizer teruggeslagen, de laatste keer definitief. Daarmee kwam er een eind aan de eeuwenlange dreiging van de islamitische Ottomanen en kon christelijk Europa opgelucht ademhalen. Hoeveel indruk die overwinning had gemaakt bleek wel uit de talloze herdenkingen, zelfs nog een eeuw na dato, toen het feest werd opgeluisterd met de première van het eerste grote Singspiel van Mozart, onder leiding van het jeugdige genie zelf. Plaats van handeling: het Weense Burgtheater. Titel van het stuk: Die Entführung aus dem Serail.

Sindsdien heeft de opera moeiteloos repertoire gehouden. Op 20 september 2014 vond er in het Amsterdamse Concertgebouw een spectaculaire concertante uitvoering plaats onder leiding van René Jacobs en de Berlijnse Akademie für Alte Musik. Hoewel er, haaks op de algemeen geaccepteerde gewoonte, geen enkele poging was gedaan het stuk te actualiseren, leken flinke delen van het libretto zojuist, nog onder de indruk van nieuwe gruweldaden in de islamitische wereld, te zijn geschreven. Maar goed dat het publiek grotendeels uit het beschaafde Amsterdamse Oud-Zuid afkomstig was en niet uit de gestreste Twitter-gemeenschap, een schandaal zou anders onvermijdelijk zijn geweest.

Aan de muziek lag het niet, vanaf de eerste, spetterende maten betoont Mozart zich mede dankzij de integratie van Turkse trom, bekkens, ratels, schellenboom en piccolo’s een pionier van het interculturele componeren. Maar in het libretto worden de tegenstellingen tussen Oost en West scherp aangezet. Er is een harembewaker die zo uit een kamp van IS kon zijn weggelopen, de man is een botte en hypocriete sadist, vindt het drinken van alcohol zondig en dreigt de gevangen genomen westerse vrouwen met geweld, verkrachting en onthoofding als ze zijn zin niet doen. Anderzijds bijten die vrouwen fel van zich af: zij weten wat vrijheid is en laten zich door geen doodsdreiging intimideren, laat staan als geschenk voor de sultan gebruiken. Uiteindelijk toont Mozart zich, als man van de Verlichting, optimistisch over de civilisering van de barbaren, hij laat de harembezitter tot het onverwachte inzicht komen dat liefde en dwang onverenigbaar zijn.

Helaas speelt Mozart geen rol in de grote tentoonstelling die momenteel onder de titel Het rijk van de sultan te zien is in het Brusselse Bozar en vanaf juni in ietwat gewijzigde samenstelling in het Nationaal Museum Krakau. De reden daarvoor is even simpel als aanvechtbaar: de tentoonstelling behandelt de anderhalve eeuw tussen 1453, het jaar waarin de uit Anatolië afkomstige, tot leidende islamitische grootmacht opgeklommen, Ottomanen Constantinopel veroverden, en 1606, toen de sultan en de keizer van het Heilige Roomse Rijk vrede sloten. Daarbij gaat het de organisatoren minder om de clash of civilizations dan om de wederzijdse invloeden, in het bijzonder om ‘de Ottomaanse wereld in de kunst van de Renaissance’, zoals de ondertitel van de tentoonstelling en het dikke begeleidende boek luidt. Ik noemde die begrenzing in de tijd aanvechtbaar omdat je moeilijk kunt volhouden dat na 1606 het eeuwigdurende tijdperk van vreedzame co-existentie van de islamitische en de christelijke wereld is aangebroken.

Daarvan zijn de samenstellers zich uiteraard ook bewust. De conflicten in genoemde anderhalve eeuw laten volgens hen hun sporen na tot in de tegenwoordige tijd, aangezien ze ‘bepalend waren voor de niet-aflatende fundamentele tegenstelling tussen het zogenaamde islamitische Oosten en het zogeheten christelijke Westen’. Maar het is hun nadrukkelijke intentie dat antagonisme te doorbreken en te demonstreren ‘hoe gevarieerd de kijk van de Europeanen op de Ottomanen al die tijd was, zelfs op het ogenblik dat zij voor de poorten van Wenen of Venetië stonden’. Dat is ook de teneur van een begeleidende tekst van de Turkse romanschrijfster Elif Shafak. Zij verwijst weliswaar in één zin naar het huidige dieptepunt in de betrekkingen tussen de Europese Unie en Turkije, maar acht het juist daarom des te belangrijker ‘elkaar te leren begrijpen’.

Dan zou ik denken dat de invloedrijkste bronnen van een bevooroordeelde westerse kijk op het Oosten niet hadden mogen ontbreken. Ik denk aan het romantische oriëntalisme van de negentiende eeuw, aan monumentale schilders als Delacroix, Ingres en Gérôme, allemaal vooral geobsedeerd door excessieve erotische en gewelddadige scènes waarin odalisken (haremvrouwen) een centrale rol spelen. Dat neemt niet weg dat er in Brussel ook zonder deze beeldbepalende kunstenaars, en zonder aandacht voor componisten als Mozart en Rossini, nog veel te ontdekken valt, meer dan een mens in één bezoek kan opnemen. Dat komt ook doordat er van de bezoeker het nodige leeswerk wordt verwacht: veel schilderijen, tekeningen, boekillustraties, gebruiksvoorwerpen, exotische stoffen, wapens en sieraden zijn vorstengeschenken die betrekking hebben op roemruchte historische gebeurtenissen, vaak voorzien van een symbolische en allegorische laag, die zonder toelichting nauwelijks of niet zijn te begrijpen.

Opvallend bij Bellini is de oecumene van de grote, conflicterende monotheïstische religies

Het kan misschien verbazen dat er tussen alle vijandelijkheden door nog ruimte was voor een soort culturele uitwisseling, zeker als we bedenken dat de belangrijkste promotor daarvan iemand was als sultan Mehmet II (1432-1481), die behalve als een succesrijk krijgsheer bekend stond als een meedogenloos heerser. Maar dus ook als een bevorderaar van kunsten en wetenschappen. Mehmet wist maar al te goed dat de beste portretschilders uit Italië kwamen, meer in het bijzonder uit Venetië, en omdat hij, net als de Romeinse keizers, voor zijn culturele en diplomatieke contacten zijn beeltenis op penningen en schilderijen wilde laten vereeuwigen, nodigde hij vooraanstaande Italiaanse penningmakers en schilders uit aan zijn hof in Constantinopel.

Dan dient allereerst Gentile Bellini te worden genoemd. Bellini had in Venetië naam gemaakt als schilder van de monumentale verhalencyclus in het dogepaleis. Dus lag het voor de hand dat hij door het bestuur van de lagunestad werd uitgekozen toen Mehmet om de beste portretschilder had gevraagd. Anderhalf jaar (1479-1480) bleef Bellini in Constantinopel, lang genoeg om een aantal belangwekkende portretten, landschappen en stadsgezichten te schilderen die voor latere collega’s die de stad nooit bezochten, onder wie Dürer, als voorbeeld hebben gediend. Het topstuk is een betrekkelijk klein, al door Vasari geroemd portret van Mehmet dat tot de collectie van The National Gallery in Londen behoort, een portret in driekwartprofiel waarin Bellini’s renaissancistische stijl is vermengd met elementen uit de Ottomaanse iconografie.

Het is interessant om te zien dat de portretten van Bellini en andere Italiaanse meesters van grote invloed zijn geweest op een nieuwe picturale traditie in Constantinopel. Een aan Sinan Bey toegeschreven portret van Mehmet laat zien hoe moderne technieken van modellering en schaduwwerking werden toegepast in een overwegend vlakke, lineaire islamitische stijl. Eveneens fraai en veelzeggend voor de – op z’n minst gesuggereerde – verfijnde smaak van Mehmet is een aan Siblizade Ahmed toegeschreven portret waarop we de sultan zien ruiken aan een roos.

Dat Bellini zijn ogen in Constantinopel goed de kost had gegeven moge ook blijken uit later werk, bijvoorbeeld Prediking van de Heilige Marcus in Alexandrië (1504-1507, te zien in de Pinacoteca di Brera in Milaan), waarop naast een christelijke delegatie een ruime afvaardiging te zien is van in Ottomaanse ceremoniële kleding uitgedoste mannen. Gezien de kolossale afmeting (3,5 bij 7,7 meter) en de volheid en complexiteit van de voorstelling mag deze prediking een wonder van lichtheid, gratie en evenwicht worden genoemd. Maar het meest opvallend is de oecumene van de grote, conflicterende monotheïstische religies waar het werk van getuigt.

De populariteit van de grote Italianen – behalve Bellini schieten Tintoretto, Veronese, Pintoricchio en Titiaan erboven uit – is volkomen begrijpelijk als we hun werk vergelijken met dat van Ottomaanse miniatuurschilders. Dat heeft de charme van de naïviteit: de compositie wordt niet bepaald door het aan één moment gebonden perspectief maar door de projectie van ongelijktijdige elementen in een plat, vaak door mathematische ornamenten gestructureerd vlak. Bijzonder de moeite waard zijn de boekillustraties in De geschiedenis van sultan Süleyman de Prachtlievende van de hofgeschiedschrijver Lokman (1579), die de verovering van de Hongaarse vestingstad Szigetvar laten zien. De burcht van die stad is in handen van Ottomaanse krijgers, de weg naar de burcht ligt vol lijken en afgehakte hoofden, sommige krijgers hebben een hoofd aan hun koppelriem gehangen of op een speer gespietst.

Maar de hoofdprijs gaat wat mij betreft naar een schilderij dat, behalve in de catalogus, helaas alleen straks in Krakau is te zien: Titiaans ongenaakbare portret van Laura Dianti, de minnares van de hertog van Ferrara die ook wel de mooie hoedenmakersdochter werd genoemd. Misschien valt het door Laura’s legendarisch knappe verschijning en haar weelderige azuurblauwe kleding niet onmiddellijk op, maar zij houdt een hand op de schouder van een zwart kind, een slaafje, dat naar alle waarschijnlijkheid deel uitmaakte van een Ethiopische familie die aan het hof in Ferrara woonde. Dat was een gekopieerd statussymbool: men meende dat zwarte slaven typisch waren voor de hoogste kringen in de Ottomaanse samenleving. Alle pracht ten spijt is het schilderij dus ook, om met Walter Benjamin te spreken, een onverholen document van barbarij. Het is zonneklaar dat de Ottomaanse en islamitische cultuur, tot de veertiende eeuw in vrijwel alle opzichten superieur aan de Europese, ten tijde van Bellini en Titiaan ernstig achterop is geraakt. Het definitieve keerpunt is de Turkse nederlaag bij het tweede beleg van Wenen in 1683, tevens het begin van een gevaarlijke geschiedenis van gekrenkte trots, schaamte, frustratie, fundamentalisme en revanchisme. Het is lofwaardig dat Het rijk van de sultan wil bijdragen aan een genuanceerde kijk op ‘de ander’, maar ook onbegrijpelijk dat die belangstelling ophoudt als het echt spannend wordt.

‘De voor de hand liggende wens om de expositie ook in Istanbul te tonen, kon door de huidige cultuurpolitieke ontwikkelingen helaas niet doorgaan’, meldt de inleiding van de catalogus summier en eufemistisch. Des te meer reden, zou ik denken, om aan die ‘cultuurpolitieke ontwikkelingen’ althans enige aandacht te schenken. In Turkije rukt de politieke islam op, het land glijdt in hoog tempo af naar een onvrije, intolerante, autocratische staat. Orhan Pamuk, wiens roman Sneeuw nog altijd de beste diagnose levert van de diverse varianten van obscurantisme in het huidige Turkije, wordt in regeringsvriendelijke media, en andere zijn er niet meer, uitgemaakt voor vijand van het volk. Een componist die een eigentijdse versie zou schrijven van Die Entführung aus dem Serail moet vrezen dat hij op een nacht van zijn bed wordt gelicht door de geheime politie. Daarover had men in Brussel niet mogen zwijgen.


Het rijk van de sultan, t/m 31 mei, Bozar, Brussel


Beeld: (1) portret van Laura Dianti, ca 1523, geschilderd door Titiaan, 118 cm x 93 cm (Kisters Collection in Kreuzlingen); (2) portret van Sultan Mehmet II , 1480, geschilderd door Gentile Bellini, 18,70 cm x 25,71 cm (The National Gallery London)