Film ‘Il traditore’

Bellocchio’s oorlog

Al sinds de jaren zestig maakt Marco Bellocchio films over de eenling die in opstand komt. Met Il traditore heeft de tachtigjarige Italiaanse regisseur de film van zijn leven gemaakt.

Pierfrancesco Favino als Cosa Nostra-lid Tommaso Buscetta © Cineart

Het leven van Tommaso Buscetta is zo geschikt voor de film dat het bijna té is. Alle elementen voor een schuimend maffia-epos zitten erin. De eerste kroongetuige van Cosa Nostra, ‘Onze Zaak’, zoals de Siciliaanse maffia zichzelf noemt, was een onweerstaanbare figuur die zó goed kon vertellen over de toen nog onbekende spelregels van het leven aan de verboden kant van de streep dat zelfs de stoïcijnse Siciliaanse maffiaexpert Giovanni Falcone als een blok voor hem viel. ‘Nee, signor giudice, dat woord gebruiken wij niet, mafia’, zegt Buscetta tegen onderzoeksrechter Falcone bij het eerste verhoor in 1984. ‘Dat is een woord van u, van uw wereld. Wij zeggen “Cosa Nostra”. Dat om te beginnen.’

En het eerste pakje sigaretten wordt zwijgend over tafel geschoven door Falcone. ‘Als u mij een dicht pakje zou geven, of een slof, dan zou ik het nooit kunnen aannemen’, zegt Buscetta. ‘Maar omdat u mij een sigaret aanbiedt uit uw eigen geopende pakje, accepteer ik hem.’ Hij zal er nog honderden accepteren in de bijna twee jaar die ze samen doorbrengen. Buscetta ontleedt de op dat moment machtigste en gevaarlijkste maffia-organisatie ter wereld tot in de haarkloven voor de enige man ter wereld die in staat is om te begrijpen wat hij zegt. Het relaas van Buscetta resulteert in het Maxi-proces tegen Cosa Nostra van 1986 tot 1992, met honderden veroordelingen, vaak levenslang. ‘De vraag is of ze eerder u of mij zullen vermoorden’, waarschuwt Buscetta de onderzoeksrechter.

Het wordt Falcone, op zijn 53ste. In mei 1992 wordt hij de lucht ingeblazen met een enorme hoeveelheid springstof, die klaarligt onder de weg van het vliegveld van Palermo naar de stad. Was getekend, Cosa Nostra. Buscetta sterft in 2000 op zijn 71ste aan kanker, ‘in mijn eigen bed’ zoals hij altijd wilde, in Florida, ver van Sicilië, als beschermde getuige van het Amerikaanse Federal Witness Protection Program. Italië is dan al klaar met Buscetta, want Italië houdt niet van ‘verraders’. Na Falcone zal alles in Italië in werking worden gesteld om Buscetta in discrediet te brengen en dat lukt, zoals de shockerende filmscène over het maffiaproces tegen zevenmalig oud-premier Giulio Andreotti laat zien.

Il traditore, ‘De verrader’, is een film van Marco Bellocchio, niet van Francis Ford Coppola of Martin Scorsese, wier werk gedrenkt is in hun diepzuidelijke Italiaanse roots. Voor Scorsese en Coppola is de Siciliaanse maffia – waar de Amerikaanse uit voortvloeit – een vanzelfsprekendheid die ze van binnenuit vertellen, haast alsof ze er deel van uitmaken. Voor Marco Bellocchio is de Siciliaanse maffia een net zo ver van hem afstaand onderwerp als het zou zijn voor een regisseur uit Göteborg. Want dat kan, geboren en getogen Italiaan zijn en helemaal niets met de maffia te maken hebben. Het hangt af van waar je geboren wordt.

In Bellocchio’s Bobbio, een geïsoleerde bergplaats in het hoge noorden van Italië, sterf je aan een langzame mentale dood, tenzij je vlucht. Maar je vindt er geen afgehakt paardenhoofd tussen je lakens en mannen zoenen elkaar niet op de mond. De lange, lange cinematografische weg die Marco Bellocchio aflegt van Bobbio naar de wereld en naar hopelijk zichzelf, voert langs vele psychische gruwelmomenten, onverdraaglijke seksscènes en wreedheden, onbegrijpelijke uitbarstingen van woedende mensen waarvan niet duidelijk wordt of ze gewoon echt gestoord zijn of reageren op iets onderhuids in de Italiaanse maatschappij. Maar dat Bellocchio nu, op zijn tachtigste, eigenlijk de film van zijn leven heeft gemaakt over een onderwerp waar hij op papier helemaal niets mee te maken heeft, dat is iets wonderbaarlijks.

En toch ook weer niet. Want het Bellocchio-brandmerk dat op al zijn films zit, is de eenling die in opstand komt tegen de context waarin hij zich bevindt en waar niet uit te breken valt, behalve door je op te stellen als gek. Dat is wel een typisch Italiaans probleem, de context. Bellocchio is slachtoffer van een heel andere oorlog, die in Italië de normaliteit heet. Toen hij op zijn 25ste net klaar was met de regisseursopleiding aan het Centro Sperimentale del Cinema, de beroemde filmschool van Rome, en op een avond aanbelde bij zijn vriend Silvano Agosti, ontbrandde hij in een monoloog die zes uur duurde.

‘Ik heb hem laten praten zonder hem ook maar één keer te onderbreken’, aldus Agosti, die toen, in 1965, net terug was uit Moskou, waar hij als beste leerling van zijn jaar op een studiebeurs van het Centro Sperimentale een tijdje had mogen rondkijken in de wereld van Eisenstein. Hij was een jongen die je om raad kwam vragen, en op dat moment onbetwist Bellocchio’s meerdere. ‘Toen Marco na zes uur uitgeraasd was, zei ik tegen hem: “Marco, ik denk dat je dit materiaal in scènes moet zien te gieten en dan kijken we ernaar.” Zo veel woede, zo veel frustratie, het was bijna niet te behappen, ook niet voor hem.’

Het resultaat, I pugni in tasca (1965), De vuisten in de zak, was een donderslag die nog altijd nadreunt in Italië, maar ook daarbuiten enorm opviel binnen de avant-garde van de internationale filmwereld. ‘Toen ik die film zag, was ik helemaal kapot. Ik besefte dat Marco dé film van ons tijdperk had gemaakt. We hadden samen op het Centro Sperimentale in Rome gezeten, we waren jaargenoten van dezelfde opleiding. Maar dit… Daar kon niemand meer overheen’, vertelde Frans Weisz ooit tijdens een van zijn vele verblijven in Rome.

Wat Marco Bellocchio in 1965 met I pugni in tasca al dan niet bewust heeft gedaan, geldt als dé voorbode van de aanrollende donder van het wereldwijde protestjaar – of bevrijdingsjaar – 1968. Een claustrofobisch verhaal dat uitsluitend gaat over één familie in Bobbio, gefinancieerd met leningen van familieleden en van de lokale bank van Piacenza, waarvoor Bellocchio’s oudere broer Piergiorgio zijn respectabele reputatie in de waagschaal had gesteld.

‘De familie in de villa’, zoals ze beneden in het stadje Bobbio worden genoemd, is niet helemaal fris en leeft afgezonderd van alles en iedereen in een groot en verstikkend huis dat volgepropt staat met de meubels en snuisterijen van de gegoede katholieke burgerij. De moeder is blind, twee zoons lijden aan epilepsie en zijn ieder op een andere manier geestelijk gestoord; met de dochter is ook iets vreemds aan de hand en de enige die normaal lijkt, is de oudste zoon, een advocaat.

‘De vraag is wie ze eerder zullen vermoorden’, waarschuwt de kroongetuige de rechter

Om zijn oudere broer te bevrijden van het nutteloze zooitje dat door hem wordt onderhouden, besluit de jongste broer om de hele familie uit te moorden. Hij begint met de blinde moeder, die hij met een klein duwtje van zijn vinger recht het ravijn in laat lopen. Dan volgt de andere geesteszwakke broer, die hij ook weer met een klein duwtje van de vinger onder water drukt in de badkuip, nadat hij hem heeft verdoofd met slaapmiddelen. Voor hij aan zijn zuster toekomt, die hij in haar slaap wil smoren met een kussen, stikt hij zelf in een epileptische aanval tijdens de stervensarea van Violetta uit Verdi’s La traviata, die hij met de overgave van een waanzinnige meezingt. Finish.

En dit horrorverhaal, dat eenzelfde machteloze woede uitademt over het tot elkaar veroordeeld zijn van een familie als Gerard Reve’s De avonden, draaide Marco Bellocchio in het familiehuis van zijn moeder. Nog altijd wonen daar zijn twee ongetrouwde, bejaarde en zwaar katholieke zusters en nog elke zomer brengt hij er zijn vakantie door. Je moet maar durven, al lijkt hij zelf het niet zo moedig te hebben gevonden. Toen Il traditore uitkwam op het filmfestival van Cannes in mei van dit jaar zei Bellocchio in een interview: ‘Tommaso Buscetta zien als een held is natuurlijk onzin, maar het is wel een hele moedige man – door mijn ogen gezien, want zelf heb ik niet zo veel moed.’

Het is de vraag of het moed is geweest waarom Bellocchio zijn eigen familiehuis, familiegeschiedenis en familiekapitaal gebruikte om het naargeestigste familieportret te draaien dat ooit in Italië is gemaakt. Het was het enige huis dat gratis voor handen was en het was bovendien perfect. Niets hoefde hij te laten veranderen om de verstikking over te brengen van een uitzichtloos familiebastion in de Italiaanse provincie. En ook dat was weer claustrofobisch: dat je zelfs je baanbrekende protestfilm tegen het allerheiligste wat er is – la famiglia! – nog thuis moet draaien.

Geen enkele Italiaanse regisseur is ooit zo meedogenloos tekeer gegaan tegen de familie als Bellocchio, bij andere angry young filmmakers als Pasolini of Bertolucci zat het altijd ingebed in een ideologische context, maar hij praat er zelf makkelijk overheen: ‘Ik besef dat ik Bobbio tot een symboolplek van de Italiaanse provincie heb gemaakt, wellicht een negatief symbool, maar gelukkig zijn ze er in Bobbio nooit kwaad over geweest. Ik was wel een beetje bang bij de eerste publieke vertoning in Bobbio, maar niemand – zelfs mijn familieleden niet, die ook nog zeer katholiek waren – heeft ooit iets over de inhoud gezegd. Vanaf het begin overheerste de trots dat een zoon van Bobbio een wereldsucces had gemaakt. Uit Bobbio was nog nooit iemand tot het grote podium doorgedrongen.’

I pugni in tasca, 1965. Paola Pitagora als Giulia, Liliana Gerace als (dode) moeder en Lou Castel als Alessandro © Everett

Dat niemand van de familie iets over de inhoud heeft gezegd kan natuurlijk van alles betekenen. Marco Bellocchio’s tweelingbroer Camillo verhing zich op Tweede Kerstdag (Kerst! Familie!) 1968, drie jaar na de film, maar dat hoeft er geen verband mee te hebben. Waar de trauma’s vandaan komen en wat ermee is gedaan in het zeer telgenrijke katholieke gezin Bellocchio, houdt iedereen voor zich. Marco is de ‘traditore’, net als Buscetta, maar echt uit zijn context stappen, dat is hem ook weer niet gelukt. Daarvoor had hij altijd anderen nodig.

De al eerder genoemde Silvano Agosti lacht souverein achter de balie van zijn legendarische bioscoop Azzurro Scipioni in Rome, al sinds de jaren zeventig de tempel van de internationale arthousefilm. Hele generaties Romeinen zijn opgegroeid met de educatieve filmselectie van Agosti, die altijd zelf achter de balie staat en iedere bezoeker aan een kleine psychologische test onderwerpt voordat hij of zij door mag naar de film.

‘Het gaat niet om wie wat heeft gedaan bij I pugni in tasca’, zegt Agosti als de films in zijn twee zalen met in totaal zes toeschouwers zijn gestart en we even wat tijd hebben. ‘Ik had de naam een heel goede editor te zijn, die had ik al op het Centro Sperimentale. Marco was aan het draaien in zijn familiehuis in Bobbio, ik kreeg de rushes te zien zodra ze klaar waren. Dat ging toen uiteraard nog allemaal per auto, per trein, met voordurende pendeldiensten tussen Bobbio en Rome van vrienden en familieleden met filmrollen onder de arm. En ’s avonds zat ik uren met Marco aan de telefoon. “Laat hem niet gewoon door de deur naar binnen stappen, maar door het raam”, zei ik bijvoorbeeld. En dus draaide Marco dan de volgende dag de scène van Lou Castel die door het open raam de woonkamer binnenstapt, zodat zijn blinde moeder zich rot schrikt. En wat ik ook had bedacht was dat gebaar van hem voordat hij iemand vermoordt, die gestrekte hand die hij tussen zijn ogen houdt, alsof hij er een soort van rechtlijnige logica in probeert te brengen.’

Agosti, inmiddels ook in de tachtig, net als zijn medestudenten Marco Bellocchio (80), Frans Weisz (81) en Liliana Cavani (86), vertelt graag over zijn bijdrage aan I pugni in tasca, iets wat Bellocchio zelf helemaal niet graag doet. ‘Het was een magisch moment, waarin niemand nog “iemand” was, en dus niemand de film in de weg zat. Marco vertrouwde mij blindelings en liet de montage in Rome helemaal aan mij over. Ik heb er 26 dagen over gedaan, en nog een hele maand over de laatste zes minuten, de sterfscène van de magistrale Lou Castel, die van mij dood moest, terwijl Marco hem in leven wilde houden: de familiemoordenaar Lou Castel, dat was hij zelf natuurlijk. Daarmee is inderdaad een heel andere film ontstaan dan alle films die hij daarna heeft gemaakt, en dat zeg ík niet alleen, dat zeggen er velen. Ook zijn psychiater Massimo Fagioli, met wie hij vier hele slechte films heeft gemaakt.’

Wijlen psychiater Massimo Fagioli (1931-2017) was een begrip in de Italiaanse psychiatrie met goeroe-achtige neigingen. Hij heeft Bellocchio dusdanig beïnvloed dat er in de jaren tachtig inderdaad sprake was van ‘Fagioli-films’. Wie hier veel van moet weten is de Nederlandse actrice Maruschka Detmers, die op haar 24ste de hoofdrol speelde in Bellocchio’s Il diavolo in corpo (1986). Behalve dat ze bijna de hele film naakt moet rondlopen, is er de shockscène van een echte blow job, heel close ingezoomd op haar gezicht en de erectie.

Geen enkele Italiaanse regisseur is ooit zo meedogenloos tekeer gegaan tegen de familie

De Parijse agente van Maruschka Detmers, Myriam Bru, vertelde in 2015 aan Mischa Cohen voor een portret over Detmers in Vrij Nederland hoe het eraan toe ging op de set. Hoewel Detmers haar dringend had gevraagd zo snel mogelijk naar Rome te komen, kreeg de agente geen toegang tot de set van Bellocchio. Pas na de première begreep Bru waarom. ‘Ik vroeg haar: “Maruschka, waarom heb je dat in hemelsnaam gedaan?”’ zei Bru tegen VN. ‘Ze zei: “Ik wilde het niet echt, maar Bellocchio was op de set onafscheidelijk van zijn psychiater en samen hebben ze me ervan overtuigd dat het moest, in het belang van de film.”’

Volgens Bru, die in het verleden ook de agente van actrice Maria Schneider was, heeft het internationale schandaal rond die scène Detmers ernstig beschadigd. Il diavolo in corpo (een bewerking van de Franse roman Le diable au corps uit 1923) heeft een warrige verhaallijn, waarin alles wat in die jaren speelde in Italië de revue passeert zonder dat duidelijk wordt waarom. Rode Brigades, psychotherapie, Latijn en Grieks, traditie, scholen, ouders, verwende rijkeluiskinderen, dure huizen, gevangenissen, processen, rechtbanken, roept u maar. Maruschka Detmers moet voortdurend uit de kleren, dat vooral. ‘Opgedragen aan Massimo Fagioli’ staat op de titelrol aan het begin van de film.

Later zou het worden ‘met medewerking van Massimo Fagioli’ en uiteindelijk zelfs ‘scenario door Massimo Fagioli’. Dat was bij de laatste van Bellocchio’s Fagioli-cyclus, Il sogno della farfalla, zo onduidelijk dat het verhaal helemaal niet meer na te vertellen valt. Maar altijd: bloot, bloot, bloot, en altijd de jonge, sexy, vrouwelijke hoofdrolspeelsters. Die altijd maar één ding willen in de films van Bellocchio/Fagioli.

‘Ik kan niet zeggen dat mijn jeugd in het teken stond van sadistische handtastelijkheden of andere lijfelijke horror, er kwam niet eens een vieze priester met grijpvingers aan te pas. Voor mij is onze familietragedie juist de totale afwezigheid van een seksuele dimensie. Op dat gebied was het een woestijn bij ons. Uiteraard was masturberen streng verboden. Ik begon er pas heel laat mee, en het heeft me altijd diep ontevreden achtergelaten. Alsof het een nederlaag was, of iets zieligs.’

Een uitspraak van Marco Bellocchio, die het niet graag heeft over dingen of mensen die een grote rol in zijn leven en werk hebben gespeeld. Dat geldt ook voor Silvano Agosti, die overigens nog steeds goed met Bellocchio kan opschieten en voor diens tachtigste verjaardag op 9 november dit jaar een speciale vertoning van Il traditore in zijn arthousebioscoop had georganiseerd ‘onder aanwezigheid van de auteur aan wie na afloop vragen kunnen worden gesteld’. En het geldt voor de in 2017 overleden goeroe-psychiater Massimo Fagioli, die minder sportief was dan Agosti en het niet kon verkroppen dat hij niet werd genoemd in Bellocchio’s dankwoord bij de uitreiking van de Gouden ere-Leeuw voor zijn oeuvre op het filmfestival van Venetië van 2011. Dat was de definitieve breuk met ‘de man die mijn leven heeft gered’, zoals Bellocchio zijn psychiater bij diens dood in 2017 omschreef – toen kon hij het wél.

Het geldt tenslotte ook voor de thema’s waar hij jaren mee heeft geworsteld, en misschien nog steeds, maar er is duidelijk iets in zijn blik veranderd. Bellocchio is, los van zijn daverende, bijna surrealistische aftrap I pugni in tasca, eigenlijk nooit losgekomen van een tamelijk letterlijke benadering van de Italiaanse hoofdzondes. De afschuwelijke jaren op het priestercollege (Nel nome del padre, 1972). De afschuwelijke militaire dienst (Marcia trionfale, 1976). Het incestueuze, zieke, misdadige klimaat dat onderhuids broeit in het bolwerk van de gegoede burgerij, het burgerhuis (I pugni in tasca, 1965; Salto nel vuoto, 1980; Gli occhi, la bocca, 1982). De seksuele bevrijdingscyclus onder leiding van zijn psychiater (Diavolo in corpo, 1986, La visione del sabba, 1988; La condanna, 1991; Il sogno della farfalla, 1994). Euthanasie voor langdurige comapatiënten, toen dat eindelijk eens op de agenda kwam in Italië (Bella addormentata, 2012). IJver kun je Bellocchio niet ontzeggen, hij heeft het allemaal in kaart gebracht, maar pffft… Het was zó ploegen, zijn werk.

En dan ineens, dan gebeurt het. Hij komt los! De kentering zet in met Buongiorno, notte (2003), over de ontvoering van de christen-democraat Aldo Moro in 1978 en diens bijna twee maanden durende gevangenschap in een (burger!)appartement dat de Rode Brigades hadden gehuurd. Het verhaal wordt verteld vanuit de enige vrouw die deel uitmaakt van het groepje terroristen dat Moro dag en nacht bewaakt. Je ziet alles alleen door haar ogen, en dat werkt heel goed, de dader tot hoofdrolspeler maken – zie ook Il traditore. Vooral sterk is dat er geen morele veroordeling in zit, zoals in alle andere fims over de Rode Brigades, maar een bijna meewarige camerablik die zich alleen richt op al het gedoe, de enorme organisatie die nodig was voor het ontvoeren, opsluiten en uiteindelijk executeren van een keurige man die niets had misdaan. Al die moeite – voor wat eigenlijk, is de vraag waarmee de film je achterlaat.

Een andere piek is Vincere (2008), ‘Winnen’, over de eerste vrouw van Mussolini voordt hij de Duce werd, en het gruwelijke lot dat haar en hun zoon Benito uiteindelijk ten deel viel. Heel mooi wordt de gepassioneerde erotische verhouding tussen de twee neergezet door twee topacteurs. Ineens kan Bellocchio het wel, seksuele aantrekkingskracht zo filmen dat je hem vóelt. En ook de daaruit voortvloeiende meedogenloze opsluiting van Ida Dalser en hun zoon in het gesticht, de twee mensen die gewist moesten worden uit het leven de Duce. Natuurlijk is het thema fascisme, maar het is zo persoonlijk en mooi gefilmd dat het over veel meer gaat.

Prachtig is ook weer Fai bei sogni (2016), ‘Droom zacht’, naar de hartverscheurende gelijknamige autobiografische roman van een bekende Italiaanse journalist, Massimo Gramellini. ‘Droom zacht’ zijn de laatste woorden die de moeder haar zoontje influistert in zijn slaap voordat ze van het balkon springt. Een moeder die psychisch niet helemaal in orde is, maar een diepe band met haar tienjarige zoontje heeft. Een prachtfilm, schitterend geacteerd, over een lange, lange zoektocht naar wat het leven dan wel is, het leven na ‘haar’. Geen thema, maar een persoonlijk verhaal.

En nu dan Il traditore (2019). Het is Bellocchio gelukt om een geweldig goede film over een hoofdrolspeler van de maffiageschiedenis te maken zonder dat het een maffiafilm is geworden, met alle respect voor de meesterwerken van Coppola en Scorsese.

Bellocchio’s verfilming van het verhaal van Buscetta (razend knap gespeeld door de sprekend op hem lijkende Romeinse acteur Pierfrancesco Favino) is de Italiaanse inzending voor de Oscars van 2020. Bellocchio is nog nooit ingezonden voor de Oscars en heeft ook nog nooit zoveel succes gehad in het buitenland als met deze film, die is verkocht aan 85 landen en overal volle zalen trekt. ‘Marco zei tegen mij: het is eigenlijk helemaal niet mijn film, want de producent had zoveel eisen, en in de montage is ook nog zo veel veranderd. Dat is een goed teken. Il traditore maakt denk ik een grote kans bij de Oscars’, aldus Silvano Agosti.


Il traditore draait vanaf 16 januari 2020 in de bioscoop