Belofte

Peter Ghyssaert publiceerde zijn zevende dichtbundel, Ezelskaakbeen. Net als in zijn vorige bundel Kleine lichamen wisselt hij gedichten in dichtregels af met gedichten in prozavorm. Dat betekent bij een musicus als Ghyssaert vooral een tempoverschil: de ritmeversnelling van het proza doet zijn poëzie goed. En dat verandert de hele aard van het werk.

Ghyssaert debuteerde in 1991 met Honingtuin. Hij heeft altijd als een belofte gegolden. Hij stelde de in 1997 verschenen bloemlezing Turkooizen scheepje van verschil samen uit werk van twaalf Vlaamse dichters. Zijn vorige bundel werd genomineerd voor de VSB-poëzieprijs.

Ezelskaakbeen opent met een serie die de sterk aangezette titel ‘In het licht van wildvreemd huilen’ draagt. In het gedicht De strijkstok heeft hij het over ‘geen snaar die hem langs onder streelt’. Peter Ghyssaert speelt en doceert viool. Zijn poëzie is enigszins geciseleerd en vooral geciviliseerd, hij schuwt geen gedragen taal. Hij schrijft evenwel te indringend om veraf te blijven.

De jeugd te zien doet pijn

en maakt je oud - jij in de plooien

van je kermisjas getild; je kleuren

vloeken, onverzoend, als clowns

die messen trekken

en gaan vechten in dat korte,

onbegrijpelijke uur.

Surreële beelden, abstracties, ze weerhouden het werk van Ghyssaert er niet van om direct en aanspreekbaar te blijven. Ik heb moeite met een regel als ‘het landschap vangt verspilde pijn op’. Ja hoezo, wil ik dan roepen, hoe doet dat landschap dat? Het kan een oogopslag zijn, zo ziet het landschap eruit, het kan een dergelijk effect hebben. Ghyssaert maakt het letterlijker. Iemand heeft last van tinnitus, dat zoveel als oorsuizingen betekent, en houdt het hoofd scheef. Als hij het over bomen heeft, schrijft hij: ‘hun kruinen zijn trechters vol tranen’. Is het regen? ‘Alles huilt zich kaal en stil;/ in regengeur worden de mieren weer/ beschaving die niets om jou geeft.’

Het gedicht is een voorstelling, die mieren zijn onder het bed gekropen en dragen de toegesprokene naar buiten. Peter Ghyssaert zet een verwijzing naar de Zevende symfonie van Beethoven eronder. Het volgende gedicht heet Een Schubertiade, waarin wilgen spreken en populieren ratelen. Ghyssaert roept zijn eigen surreële voorstellingen een halt toe, in Wilgen in de avondzon:

Kijk, waar gaan die bomen heen?

Nergens heen. De wind

gaat ergens heen, maar zij staan stil.

Maar als de wind nu stilstond?

Ja, dan waren zíj op reis

onder die loden wind, die grauwe zon;

dan liepen wij erbij,

voor altijd naamloos en beweeglijk blij.

Peter Ghyssaerts voorstellingen zijn herleidbaar, ze leggen zichzelf uit: ‘Plotseling vloeit al de inkt weg uit de lucht/ in het laken van de grond’. Aan het eind van de eerste serie volgen een aantal gedichten over het sterven van zijn vader. In de tweede serie, ‘Onze-Lieve-Heer van Dementie’, aan zijn moeder opgedragen, is dat sterven evenzeer expliciet. De serie bestaat uit twaalf blokken proza, waarin uitspraken tussen aanhalingstekens en opmerkingen van de dichter elkaar afwisselen. Het is indrukwekkend en af en toe ook ijzingwekkend werk, waarin Ghyssaert de aftakeling van de vader volgt, hem bijstaat. Er staan krachtige beelden tussen: ‘Het wrede cellofaan van noordenwind in ons gezicht’. Misschien is het prozagedicht voor Ghyssaert wel de beste vorm, hij raakt erin op dreef.

De vlonders, de klokken, de kleine magere jongens, de nacht in de mansarde_, de fonkelsterren, de cafés leeglopend in de wittige stad. De onaangeroerde pennen. De boeken hardnekkig in hun kaften. De planten die bij aanraking verwonden. En de geur. De geur van een jaartal, de geur van stilte. De geur van de eigen hand, intiem gekust als een trofee en bevochtigd met speeksel. Het wonderlijke te trage van gebaren, de bleke ruimte waarin ze nooit zullen aankomen._

Na deze sterke en stuwende teksten lijken de ‘gewone’ gedichten die erop volgen vooral landerig, een ritmevertraging. Dat is minder het geval in Miljoenen dochtertjes van zon, dat leest alsof een kind een sprookje wordt verteld, maar wel in de slotserie, ‘Inleiding tot het gebergte’. Wat irriteert zijn regels als: ‘Nu de avond een helderheid is’. Ik wil best geloven dat Ghyssaert daar ook iets bepaalds mee bedoelt en dat hij zich niet heeft laten verleiden doordat het mooi klinkt. Maar ‘een helderheid’, vooral met het onbepaalde lidwoord, heeft iets te terloops. Ghyssaert dicht hier over een mug die van ‘een bloedzwart ven’ dronk en lijkt het om een tegenstelling te doen. In de laatste afdeling van de bundel is er meer plaats voor lyriek, zoals die in De gordijnen ontwaken klinkt:

Schoonheid slaapt in hem

als een getroebleerd kind

in een bijna leegstaand huis;

ontvelde muren, spijkers

waar de schilderijen hingen;

de gordijnen ontwaken

op de wind van

een giftig stille ochtend.

Ontwaak dan, kind

en schrik niet maar lach.

Ontwaak dan, kind

en dans.

Het is niet in ieder gedicht dat Ghyssaert ergens aankomt. Het ene eindigt hij met opzet met een onaffe regel, het andere laat hij ontsporen. In een van de slotgedichten van Ezelskaakbeen heeft hij het over een wandelaar (‘loper’ schrijft Ghyssaert) die per ongeluk of slaapwandelend in een baan rond de zon terechtkomt, ‘tot een begin/ dat overal tegelijk begon’. Hij schrijft poëzie die mij confronteert met de vraag waarom ik nu in hemelsnaam dit wel en dat niet goed vind. Hij danst van unverfroren lyriek naar surreële duisternis. Nog steeds een belofte, na al zeven bundels en al twintig jaar? Ja, ik blijf benieuwd naar het vervolg.

Peter Ghyssaert, Ezelskaakbeen. Atlas, 80 blz., € 17,95