De prijs van opvoeding

Bemoeizorg

Preventie is de inzet van het nieuwe jeugdbeleid. Vanuit de consultatiebureaus wordt een veranderingsslag gemaakt met als sleutelwoorden gezinscoach, bemoeizorg en elektronisch kinddossier. ‘De vrijblijvendheid is voorbij. Hulp vragen en geven bij opvoeding is geen taboe meer.’

Den Haag – In de Haagse wijk Regentesse/Valkenbos gaan de moskeeën uit. Door de straten slenteren jongens in witte pofbroeken en djellaba’s richting het koffiehuis. Op de Beeklaan begint op hetzelfde moment in de Sint-Agneskerk de jaarlijkse kerstviering voor bejaarden. Uit drie ronkende touringcars worden rolstoelen met een lift uitgeladen. Mensen die slecht ter been zijn, krijgen bij het trapje – ‘Hé hup’ – steun in de oksels. Goedgemutst dirigeren de allochtone mannelijke hulpverleners de schuifelende groepjes naar de ingang.

Deze multiculturele, levendige wijk is het werkterrein van Thea Rieff. Ze is als jeugdverpleegkundige verbonden aan het consultatiebureau van Meavita Opgroeiende Kinderen. ’s Ochtends ontvangt ze ouders met kinderen van nul tot vier jaar. In de middag legt ze huisbezoeken af. Bij ieder nieuwgeboren kind gaat ze standaard één keer thuis langs en als daar aanleiding toe is bezoekt ze een gezin frequent. Thea Rieff: ‘Ik krijg dan een indruk van de huiselijke omstandigheden. Ik wil persoonlijk contact. De essentie is: tot iemand doordringen en een relatie opbouwen.’

Voor deze gure middag is een reeks afspraken gemaakt. Bij sommige adressen doet de bel het niet en kleppert Rieff geroutineerd aan de brievenbus. In alle bezochte woonkamers staat de tv prominent te loeien. Er is geen luxe en geen privacy.

Rieff voert de gesprekken vriendelijk en open. Maar niet vrijblijvend. Gevoelige kwesties, zoals anticonceptie bij Turkse vrouwen of een vermoeden van mishandeling, gaat ze niet uit de weg. Of ze geeft verpakt in complimenten een advies mee. Ze zegt een hekel te hebben aan betuttelen maar nog meer aan pamperen. Zo was de cultuur van de (jeugd)hulpverlening jarenlang, maar daarvoor is een te hoge prijs betaald. Rieff: ‘Ik wijs altijd op de eigen verantwoordelijkheid voor het kind en ik maak duidelijke afspraken. Heb je de dokter al gebeld? Laat eens zien, dat briefje van school. Ik push moeders, voorzichtig, tot zelfstandigheid. Ik probeer aan te haken op iets wat ze zelf aangeven.’

Op een verdieping, twee hoog, woont Diana, 24 jaar. Ze is zes dagen geleden bevallen van een zoon, haar tweede kind. Trots toont ze de piepkleine slapende baby. Tijdens het gesprek over bevalling en borstvoeding wordt er en passant geïnformeerd naar hoe haar vriend het vindt. Nou, zegt ze, deze man is anders dan haar eerste vriend, de vader van haar vijfjarige dochter. ‘Wat hij mij allemaal aandeed, wil ik nóóit meer meemaken.’ Haar nieuwe vriend vindt ze lief en zorgzaam. Hij heeft als schoonmaker van olietankers in de Rotterdamse haven ‘een mooi inkomen’. Diana verliet zeven jaar geleden Curaçao om in Nederland een hbo-opleiding te beginnen, maar viel in de armen van een foute man, werd zwanger en staakte haar toekomstplannen. ‘De grootste fout die ik heb kunnen maken’, zegt ze met haar handen zwaaiend door de lucht.

Rieff vertelt dat ze een melding kreeg over ‘een agressieve vriend’ van de kraamhulp. Diana: ‘Nee, hij heeft mij nóg niet geslagen, ik ben niet bang dat hij een mishandelaar is. Hij komt van Bonaire en daar zijn de mannen minder macho dan op Curaçao.’ Ze weet wel hoe het komt dat Rieff die melding kreeg: ‘Die kraamhulp is een heel jong Turks meisje en toen mijn vriend uit de douche kwam, zag ze zijn “bovenbody”, ze ging gillen en hij werd boos. Ze zijn dat niet gewend, dus ja, dat ging helemáál niet goed.’ Ze moet er een beetje om grinniken, maar staat niet onwelwillend tegenover het voorstel tot opvoedkundige ondersteuning.

Bij het volgende bezoek liggen de verhoudingen ook niet eenvoudig. De Turkse Kaya ontvangt terwijl haar héél dikke dochter van drie door het huis scharrelt. Moeder zit in de tang van een bemoeizuchtige schoonfamilie en een dwingende peuter. Soms laat haar man, die radijsjesbinder is, zijn vader voor onbetaalde tijd uit Turkije overkomen en inwonen op de krappe bovenwoning. Misschien om schoondochter te controleren.

Het meisje propt tijdens het gesprek gauw een plak chocoladecake, geserveerd voor het bezoek, naar binnen. Kaya klaagt dat haar dochter ’s nachts kortademig is en dat het steeds erger wordt. Maar ja, bewegen, dat lukt niet. In de zomer laat het meisje zich vervoeren in een karretje en in de winter wil ze helemaal niet naar buiten, omdat het te koud is. Vanaf haar hemelbedje, naast het ouderlijk bed, kijkt ze de hele dag naar haar eigen tv’tje. Ze lacht engelachtig tegen het bezoek, maar haar moeder is onmachtig tegenover dit prinsesje. Een ander probleem is dat de vader veel naar porno kijkt en moeder dat maar niks vindt. Kaya, die eigenlijk borduurlerares is, geeft aan dat ze nu een computercursus in het buurthuis wil gaan volgen.

Even later op de fiets vertelt Rieff dat dit een ‘lastig geval is om te doorbreken’. Ze is zelfs bang dat er eerwraak om de hoek loert, omdat moeder zich snel ontwikkelt en vader haar niet bijhoudt. En dit probleem, zegt ze, neemt alleen maar toe, juist vanwege de emancipatie van de tweede generatie allochtonen. ‘Mannen pikken de mondigheid niet.’

Rieffs huisbezoeken geven inkijkjes achter de voordeur van gezinnen met sociaal-maatschappelijke problemen, waarvan de politiek vindt dat er harder en eerder moet worden ingegrepen. Dramatische escalatie, zoals de dood van ‘het Maasmeisje’ en Savanna, heeft duidelijk gemaakt dat jeugdhulpverleners vaak langs elkaar heen werken en het belang van de ouders te veel vóór dat van het kind gaat. Om te voorkomen dat Jeugdzorg volloopt en bureaucratisch vastdraait, wordt nu ingezet op preventie.

De consultatiebureaus zijn hiervoor de aangewezen instanties. Dit fijnmazige netwerk van medisch-sociale poortwachters ziet met een dekking van 98 procent bijna alle Nederlandse kinderen van nul tot vier jaar regelmatig voor controle. Vroeger richtte het consultatiebureau zich voornamelijk op de lichamelijke basisscreening: de vaccinaties, het testen van oren, ogen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling. Jeugdzorg was er voor de geïndiceerde zorg. De wachtlijsten zijn daar zo gegroeid dat de zorg ‘naar voren’ wordt gehaald. Er wordt scherper gelet op risicofactoren. Daarvoor is dit jaar een waslijst met confronterende vragen voor de ouders ontwikkeld, over onder andere de eigen jeugd, drank- en drugsgebruik, depressies, criminaliteit. Risicofactoren worden afgewogen tegen ‘beschermende factoren’, die neerkomen op de triviale ingrediënten van opvoeding: warmte, liefde, veiligheid en geborgenheid. De vragenlijst vullen ouders direct na de geboorte van hun kind in.

Hiermee begint de eerste selectie. Sinds ruim een jaar wordt gewerkt met het elektronisch kinddossier. Alle kritiek op de eventuele risico’s van digitale vastlegging ten spijt, Rieff ervaart het als winst. ‘Het voorkomt dat je eerst van alles moet uitzoeken of nabellen. Je kunt ook meteen zien welke instanties er al betrokken zijn en of ouders bij hulpinstanties shoppen. Dat vertellen ze je namelijk uit schaamte of manipulatiegedrag niet altijd. De gewonnen tijd kun je nu besteden aan gesprekken.’

Simone Zimmermann, manager bij Meavita, spreekt van een ‘grote veranderingsslag’ die gaande is. Nieuw is de ‘bemoeizorg’, bedoeld om druk te zetten op situaties die voorheen te vrijblijvend werden benaderd. ‘Als je bijvoorbeeld via een screenspel merkt dat een kind niet kan spelen, verwijzen we door naar een peuterspeelzaal of een voorschool – belangrijk bij het inhalen van taalachterstanden. En we bellen meer dan vroeger na of de aanmelding al is gelukt.’

Met ‘vangnet’ kunnen medewerkers kinderen opsporen die na diverse oproepbrieven en telefoontjes niet op het consultatiebureau verschijnen. Simone Zimmermann: ‘Hoewel het bezoek aan het consultatiebureau vrijwillig is, willen we weten wat de oorzaak is van de afwezigheid. Als het een bewuste keuze is, prima. Maar is het uit onverschilligheid of vanwege een asociale thuissituatie, dan gaan we druk uitoefenen. In Den Haag gaat dat om vijfhonderd kinderen per jaar.’

En er is ‘stevig ouderschap’. Mochten voorheen maximaal drie huisbezoeken voor een kind tot zes maanden worden afgelegd om extra opvoedingsondersteuning aan huis te verlenen, nu zijn dat er zes tot negen. Dat kan tot het kind anderhalf jaar oud is. ‘In Den Haag zijn hiervoor twaalf jeugdverpleegkundigen extra opgeleid.’

Om ervoor te zorgen dat de instanties beter samenwerken, start Den Haag volgend jaar met centra waarin alle jeugdhulpverlening onder één dak wordt gebracht. Het eerste Centrum voor Jeugd en Gezin wordt geopend in het roerige Laakkwartier. Zimmermann: ‘Ketenpartners kunnen sneller samenwerken, zodat een “warme overdracht” mogelijk wordt. Consultatiebureau, ggd – jeugdgezondheidszorg voor kinderen van vier tot negentien jaar – een voorpost van Bureau Jeugdzorg voor opvoedondersteuning en Jeugdhulpverlening komen in één pand te zitten. Daardoor zal het proces van indicatie sneller verlopen dan vroeger en kunnen verwachte problemen preventief worden aangepakt. Voor “zorgmijders” kun je tegen de wil van de ouders via de ggd een gezinscoach inzetten, de zwaardere gevallen gaan naar Jeugdzorg. Uithuisplaatsing door de Raad van de Kinderbescherming is het uiterste middel.’

Daarnaast fungeert het Haagse stadsdeel Segbroek als pilot voor een verwijsindex: alle zorgorganisaties worden aangesloten op een risicosignaleringssysteem dat is gekoppeld aan het elektronische dossier. Zimmermann: ‘Als er aanleiding is, zijn instanties verplicht te handelen.’

Het voordeel van directer doorverwijzen naar ambulante hulpverleners is niet alleen groot voor kinderen in de knel. Zimmermann zag hoe in het oude systeem medewerkers gefrustreerd raakten door wat er uit hun handen weggleed. Het eerste contactmoment bij de arts is bovendien verlengd van 15 naar 25 minuten, het eerste contact bij de jeugdverpleegkundige, als het kind elf maanden is, van 15 naar 30 minuten. Zimmermann: ‘Dat betekent ook dat niemand zich kan verschuilen achter tijdgebrek. We moeten leren bij een “niet-pluis-gevoel” door te prikken. Als iemand bijvoorbeeld zegt: “Ik heb een zware tijd achter de rug”, moet je gegarandeerd alert zijn.’

Soms is dat lastig. Zimmermann memoreert een geval van twee ouders met drukke, goede banen: ‘Thuis zag alles er picobello uit. Maar het jongetje van negen jaar had een ongelukkige blik in de ogen. Hij liep in de woonkamer te stofzuigen. Toen de wijkverpleegkundige vroeg: “Mag ik eens boven kijken”, trof ze daar één grote chaos aan. Moeder bleek het niet aan te kunnen, had al een depressie achter de rug. Iedereen wordt nu achteraf aangesproken op wat hij heeft gedaan, of niet heeft gedaan. De toekomst is case management: één aanspreekpunt voor één kind met één plan en één coördinator.’

Op het Meavita-hoofdkantoor schetst directeur Ivonne Plekkenpol de achtergronden van het nieuwe beleid. ‘Hoewel er veel mis is, zeker in de grote steden, denk ik niet dat het slechter is gesteld met onze jongste jeugd. Alleen is het sociale netwerk weggevallen door de individualisering en de vrouwenemancipatie. Als het even niet lukt, kun je het minder dan vroeger tijdens een kopje koffie met elkaar regelen.’ Op het hulp vragen bij de opvoeding rust echter niet meer zo’n taboe, onder andere dankzij opvoedprogramma’s als Supernanny, denkt Plekkenpol. ‘Ouders zien hoe gewone opvoedkwesties worden aangepakt. Maar ondanks alle hulp en preventie kun je gevallen als Savanna nooit voorkomen. We zien in ons gebied bijna alle baby’s en peuters – zo’n 22.000 – maar dat wil niet zeggen dat je ook álles ziet. Al is de tijd van ogen sluiten wel voorbij.’

Hoe is het zover gekomen? Enerzijds is de problematiek complexer geworden. Verwaarlozing, kindermishandeling, huiselijk geweld – alles komt op het consultatiebureau voorbij. Bij allochtonen moet worden gelet op taalachterstand, die mede wordt veroorzaakt door de ‘importbruiden’ die geen Nederlands spreken. Er zijn toenemende welvaartsproblemen, zoals obesitas – door een combinatie van fastfood, zoete tussendoortjes en tv-kijken – en er is het ‘dertigersprobleem’: twee werkende ouders met de moeder op de rand van een burn-out.

Anderzijds sloeg begin jaren negentig de managementcultuur toe op de werkvloer. Alle gesprekken, ongeacht de situatie, moesten in vijftien minuten geperst worden. Consultatiebureauartsen met een goed oog voor sociale problemen en wijkverpleegkundigen van het ouderwetse slag – ‘aanpakken’ – kregen opeens van managers te horen hoe ze ‘gestructureerd’ moesten praten. Velen hielden er toen moedeloos mee op en een nieuwe generatie werd gekneed in protocollen en timemanagement.

Na vijftien jaar schade en schande wordt dit teruggedraaid. Het wiel wordt tegen veel geld opnieuw uitgevonden. Artsen en jeugdverpleegkundigen moeten leren doorvragen. En, heel omineus: ‘het kind staat weer centraal’, waarbij het nodig is geworden om persoonlijke gegevens elektronisch vast te leggen. Efficiënt voor de hulpverleners is het zonder meer. Hopelijk is het óók effectiever voor de doelgroep – nog los van de mogelijkheid van misbruik door derden.

‘Maatwerk’ noemt Plekkenpol het. ‘Te veel werd van bovenaf geregeld. Er komt weer ruimte voor de professional op de werkvloer. En of ouders het willen of niet, de bemoeizorg is in het belang van het kind. Deze houding wordt door de maatschappij weer geaccepteerd. De discussie is voorbij dat eerst gemeten moet worden wat de output is van preventie. Wij geven geen overmatige hulp en werken laagdrempelig. Veel problemen zijn te voorkomen door mensen te helpen in hun onzekerheid bij het opvoeden. Vroeger deed de schoonzus dat, nu gebeurt het op andere plekken. Ik zeg wel eens voor de grap: af en toe moet je de ouders een “apk” geven. Ouders vinden het heerlijk om te horen dat het goed gaat.’

Thea Rieff hoeft met haar ruime ervaring in ieder geval niet op cursus ‘doorprikken’. Ze is het type dat meer haalt uit een bezoek dan uit de computer en niet van mailen houdt maar van praten. Ze wijst op een map met folders van tientallen projecten, van de Opvoedtelefoon tot ‘Als je het allemaal niet meer ziet zitten’. Rieff zucht: ‘Er is al zo veel. Ik denk wel eens, te veel.’

Op het ochtendspreekuur op het bureau verloopt het gesprek met een jonge vader vlot. Hij vertelt opgewekt over alle ins en outs van zijn blozende zoontje.

Een Turks echtpaar daarna kost meer tijd. De moeder spreekt geen Nederlands en het jongetje is veel te dik. Hij wordt verwend door de vader met chips en cola. Rieff zegt dat ze het probleem van te dikke kinderen altijd voorzichtig benadert. ‘Mensen zijn soms snel in hun wiek geschoten.’

Volgens Rieff vergt het sowieso timing om iets op scherp te zetten. ‘Ik was thuis bij een jong stel, beiden uit een gebroken gezin en beiden nog op school. Met hun kind leek het goed te gaan. Ik gaf informatie over hun situatie. Op het laatst stond die jongen, met een grote diamant in zijn oor en zijn blote bast vol tatoeages, tegen de deurpost geleund met zijn duim in zijn mond aandachtig te luisteren. Op zo’n moment moet ik dan de brief “stevig ouderschap” te voorschijn toveren en door hen ingevuld mee terug nemen. Ik denk dan, kon dát maar anders. Mijn voorkeur zou zijn tijdens de intake bij de verloskundige.’

De namen van Diana en Kaya zijn gefingeerd