Ben endlich, politieman

Politieman Ben Endlich werd op 3 augustus 1916 in Batavia geboren. Hij trouwde in 1941 en kreeg drie kinderen. Na de oorlog heeft hij tot 1976 gewerkt bij de politie in Haarlem, waar hij nog steeds woont. Hij is drager van het verzetsherdenkingskruis. ..LE ‘De Tweede Wereldoorlog was voor de politie een moeilijke tijd. Gelukkig was ik administratief bezig en dat betekende dat ik niet zo in het uitvoerende werk zat. Ik hoefde geen razzia’s te leiden, noch joden op te halen.’

Dat vertelt Ben Endlich, politieman in oorlogstijd. ‘Op de ari‰rverklaring werd bij de politie “gewoon” gereageerd. Dat werd nu eenmaal gevraagd en die had je dus in te vullen. Vergeet de politiecultuur niet: het was een opdracht! Moest je dat ding invullen? Dan v£lde je het in! Niemand die weigerde! Daarbij komt dat voorzover ik weet wij in Haarlem geen politiemensen van joodse afkomst hadden.
Toen kwamen er moeilijker tijden en vele veranderingen. Het politiewerk werd ingewikkeld. We werden geconfronteerd met dingen waarmee we vroeger nooit iets te maken hadden. De maatregelen tegen joden bijvoorbeeld, waarop wij toezicht moesten houden. Maar om te zeggen dat de stemming nu zodanig werd dat men zei: we stoppen ermee - nee, daar was men te gehoorzaam voor en te ambtelijk ingesteld. Ik heb dan ook diep respect voor de politieambtenaren die in de beginjaren van de bezetting de moed hebben kunnen opbrengen de politie - om erger te voorkomen, zou je kunnen zeggen - de rug toe te keren door ontslag te nemen of onder te duiken.’
(Toen de oorlog uitbrak was Ben Endlich dienstplichtig militair, maar hij lag ziek in zijn woonplaats Haarlem. Op voorspraak van de militaire arts mocht hij terug naar de troepen. De treinen liepen echter toen al niet meer en daarom meldde hij zich in Amsterdam. Eind mei werden alle dienstplichtigen die krijgsgevangen waren gemaakt, ontslagen.
Ben had zijn diploma als inspecteur van politie, maar om kans op een baan te maken moest je eerst een tijdje volontairen, werken zonder dat je er een cent voor kreeg. Hij werd volontair in Bussum en daar kreeg hij als administratief ambtenaar voor het eerst met de gevolgen van de bezetting te maken.
'In Bussum arriveerden veel joodse mensen die weg moesten uit de kuststreek. Ze wilden de kust vrijmaken en konden daarbij geen pottekijkers gebruiken, zeker geen Duitse joden. In Bussum moesten wij deze mensen registreren. Dat werd dikwijls avondwerk, zodanig dat je gedwongen werd om de nacht in een hotelletje door te brengen, op eigen kosten. Toen zeiden mijn ouders: “Probeer alsjeblieft wat dichter bij huis te komen”, waarop ik naar de hoofdcommissaris in Haarlem ben gegaan. Dat was Tenckinck. Hij bood mij de mogelijkheid om in oktober 1940 als klerk tweede klasse bij de politie in Haarlem te komen.
Hoe gek het ook klinkt, binnen een week na de capitulatie was alles weer normaal: de bloemenuitvoer van Aalsmeer, de export, alles ging zijn normale gangetje. En bij de politie in Haarlem? Toen ik daar in oktober kwam, was men nog helemaal vol van wat er in september had plaatsgegrepen. Toen was namelijk Schumann, de Befehlshaber van de Ordnungspolizei, op bezoek geweest op het politiebureau. Al het hogere personeel was verzameld in een kamer en daar had commissaris Tenckinck iedereen, stuk voor stuk, voorgesteld, onder wie ook de klerken tweede klas.
Het blijft lastig voor iemand van deze tijd om zich de toenmalige omstandigheden te kunnen indenken. De politie kende een cultuur van gehoorzamen, de bevelen van je superieuren blindelings opvolgen en niet vragen: is dat nu wel nodig? Zo was de hele maatschappij!
Enfin, Tenckinck stelt de betrokkenen voor. Sommigen van hen bleken lid, of direct na de capitulatie lid te zijn geworden van de NSB. Dat was in die zin prettig dat je wist wat voor vlees je in de kuip had. Toen kwam op een gegeven moment inspectrice Krim aan de beurt. Zij had de handen op de rug en zij werd voorgesteld als hoofd van de Zeden- en Kinderpolitie. Schumann stak zijn hand uit maar zij keek hem onverschrokken en eigenlijk vernietigend aan en weigerde hem een hand te geven. Schumann kreeg z¢'n hoofd, maar Tenckinck ving dat op door de volgende voor te stellen.
Het meest schrijnende gebeurde na de oorlog. Toen moest er een nieuwe commissaris van de recherche komen. Degene die daarvoor in aanmerking kwam - qua anci‰nniteit, qua geschiktheid en qua bekwaamheid - was nu juist die inspectrice Krim. Maar het moest en zou een man worden. En wie werd het? Een NSB-inspecteur die indertijd op haar had afgegeven omdat zij geen manieren had getoond; die moest ze maar eens een tijdje in een concentratiekamp gaan leren. Dat zal ik nooit vergeten!’
('Hoofdcommissaris Tenckinck heeft getracht zo lang mogelijk in dienst te blijven, zodat er geen NSB'er op zijn plaats zou komen. In juli 1941 werd hij eervol ontslagen en kregen we toch een NSB-commissaris: Van der Burg uit Arnhem. Wel een deskundige politieman, die ook leerboeken had geschreven.
Op een ochtend moesten alle klerken tweede klas bij hem komen, om kennis te maken. We hadden wel allemaal het inspecteursdiploma, sprak hij, maar er was een “Nieuwe Tijd” gekomen. We hoefden geen lid van de NSB te worden, maar we moesten wel tonen, wilden we tot inspecteur geraken, dat wij positief tegenover die “Nieuwe Orde” stonden en wel door lid te worden van het Rechtsfront - de Kamer voor juristen en politiemensen, zoals de Kultuurkamer voor kunstenaars en de latere Artsenkamer voor doktoren. Hij vroeg ons hoe wij daar tegenover stonden.
Wij hebben toen unaniem gezegd dat we daar niets voor voelden, ook als we daardoor geen inspecteur konden worden. We konden de kamer verlaten; er werd niet met ontslag gedreigd.
Een paar dagen later moest ik bij Van der Burg verschijnen. Hij zei: “Ik heb uw dossier nagekeken. U bent de enige van de klerken die in militaire dienst is geweest. U bent eigenlijk de enige die ik direct zou willen bevorderen tot inspecteur van politie, maar dan moet u wel lid worden van het Rechtsfront.” Ik zei: “Wij hebben gezegd dat wij het niet doen en daar blijf ik bij.” Toen begon hij om te draaien. Nadat hij vriendelijk was geweest, begon hij kribbig te worden en bedreigend. Hij zei: “Tja, maar dan wordt het wel moeilijk. Ik heb gehoord dat u voornemens bent om te trouwen.” Dat was zo. “Ik geef u de kans op een goed betaalde baan en u wijst die af. Om uw eigen baan, trouwens, staan heel veel anderen te springen! U bent niet onmisbaar, hoor!”
Ik werd door die woorden dermate gealarmeerd dat ik met iedereen die daarvoor in aanmerking kwam overleg heb gepleegd. Ook met inspecteur van politie Meinema, met wie ik goede banden onderhield. Meinema zei: “Doe het! Want ik wil je even sub rosa toevoegen dat er een nieuwe afdeling komt die onder andere met de jodenwetten belast zal worden. Dat is de taak die ik krijg toebedeeld en dan wil ik proberen om jou als administratief ambtenaar bij die afdeling te krijgen. Kunnen we mooi samenwerken. Doe het dus.”(’
'Ik kreeg van Van der Burg een week de tijd om me op te geven voor het Rechtsfront. Ik moest me opgeven bij de beruchte NSB'er Fake Krist. Maar van meet af aan heb ik zitten spinnen op een mogelijkheid om van dat lidmaatschap af te komen zonder mijn superieuren kwaad te maken. Die kans werd me geboden op 3 augustus 1941. Toen werd namelijk van de kansels af omgeroepen dat het voor katholieken, op straffe van excommunicatie, verboden was om lid te zijn van de NSB of een nevenorganisatie zoals het Rechtsfront. Dus ben ik de volgende dag naar Van der Burg gegaan en heb hem gezegd: “Ik als katholiek mag geen lid zijn van het Rechtsfront. Ik zal mijn lidmaatschap moeten opzeggen.” Tot mijn stomme verbazing zei hij toen: “Ik heb respect voor je houding.”
Nou, daar was ik door overdonderd. Ik werd van de ledenlijst geschrapt nadat ik op zijn hoogst een week of twee, drie lid was geweest. Toen hebben ze me nog op een andere manier geprobeerd te paaien. Ik moest als klerk tweede klas een zogenoemde “stemproef” doen. Bij gebleken geschiktheid moest je dan tussen de middag op de Grote Markt van Haarlem achter een microfoon de laatste overwinningen van de Duitsers omroepen. Ik heb die stemproef afgelegd, maar die pakte natuurlijk waardeloos uit.
Onze tactiek was: strijk ze niet tegen de haren in, want je hebt er niets aan als ze ons er allemaal uitgooien. Dat was in veel gevallen het beste, althans in de lagere bestuurssferen.’
'Inspecteur Meinema, onder wie ik inderdaad ben gaan werken, stond nergens voor. We hebben samen veel joden gered. De telefoontjes en opdrachten kwamen via onze afdeling binnen. Daar maakten we gebruik van door de mensen te waarschuwen dat ze gearresteerd zouden worden en dat wij als politie dan en dan zouden komen om de opdracht uit te voeren die we van de Duitsers hadden gekregen. Vervolgens stuurden we dan een “goede” en een NSB-rechercheur, want wanneer de joodse man of vrouw ontsnapt zou zijn, zou de NSB-rechercheur de “goede” politieman met zijn aanwezigheid dekken. Er kon dan nooit gezegd worden dat de goede politieman gelegenheid zou hebben gegeven om te vluchten.
Daar zat natuurlijk een risico in. Ik kan me herinneren dat er een zogeheten “gemengd gehuwde” vrouw moest worden opgehaald. Ik heb toen de echtgenoot gewaarschuwd dat men de volgende dag zijn vrouw zou komen weghalen. Weer stuur ik een “goede” en een NSB-rechercheur. Die bellen aan. Doet de man het bovenraam open en roept: “Jullie komen zeker mijn vrouw arresteren? Nou die is er niet en ik weet ook niet waar ze wel is!” Daarop kwam de NSB-rechercheur, omdat hij via mij die opdracht had gekregen, verhaal halen. “Hier is een lek”, zei hij, “dat kan niet anders! Die man is gewaarschuwd anders had hij dat nooit kunnen weten.” Ik heb toen een hele tijd met die man zitten praten en hem ervan weten te overtuigen dat een rechercheur of een toevallige bezoeker de informatie kon hebben afgeluisterd. Ik zat natuurlijk wel lelijk in mijn knijperd.’
'Ik heb me vaak afgevraagd waarom de liquidaties van mensen die met de Duitsers hebben samengewerkt zijn begonnen na de invasie in het zuiden in 1944, toen de bevrijding van geheel Nederland eigenlijk voor het grijpen lag. Was dat misschien omdat die geliquideerden te veel wisten van politiemensen die aan het eind van de oorlog in het verzet zaten, maar die in de beginjaren allerlei dingen hebben gedaan waarvan je achteraf zegt dat ze dat beter niet hadden kunnen doen?
Ik wil daar geen moreel oordeel over vellen. Men leefde zozeer in die politiecultuur van gehoorzamen. Zich schrap zetten tegen onbillijke en onrechtvaardige en ongrondwettige zaken is de politieman niet eigen. En vergeet niet: er was groot gebrek aan leiding en er werd geen enkel voorbeeld bij de politie gesteld om alle ongrondwettige maatregelen tegen de joden te saboteren. Je moest het zelf maar uitzoeken. Je moest maar naar eigen goeddunken in de gegeven situatie handelen.
Al direct na de capitulatie kwam er een circulaire van de secretaris-generaal van Justitie Tenckinck, die gebood het werk onmiddellijk te hervatten. Als er van Duitse zijde bevelen kwamen en het niet mogelijk was om met de eigen superieuren te overleggen, moesten de opdrachten zonder meer worden vervuld. Dat stond in de circulaire van Tenckinck en die werd ook tijdens de appŠls voorgelezen. Het werd er ingehamerd. De politie was eraan gewend bevelen zonder nadenken op te volgen. En daarbij kwam men uit die autoritaire, hi‰rarchische maatschappij van de jaren dertig.’
'De secretarissen-generaal, onze bazen van het Directoraat Generaal van politie, hadden als eersten leiding moeten geven, d†t waren onze superieuren. Op allerlei manieren hadden wij behoefte aan directieven, niet in de laatste plaats van de regering-in-ballingschap. Maar ook vanuit Londen kwam nauwelijks iets tot niets. De spoorwegstaking had twee, drie jaar eerder moeten komen, maar niet toen alles en iedereen al was weggevoerd. Men heeft in Londen nauwelijks iets voor ons gedaan.
Toen ik in mei 1940 hoorde dat de koningin was gevlucht, en niet alleen de koningin maar het hele koninklijk huis en daarna ook de regering, was ik, en ik echt niet alleen, ontzettend teleurgesteld, woedend eigenlijk, gegriefd! Als militair voelde ik me totaal in de steek gelaten. Want ik dacht: als zij er nu al geen heil meer in zien, wat moeten wij dan eigenlijk?
Er was helemaal geen reden om op de dertiende mei al weg te gaan. Want bij Kornwerderzand hielden wij nog stand, de Duitsers waren nog niet door de Grebbelinie en Zeeland was nog geheel vrij gebied. Dus ik was ontzettend teleurgesteld, en dat was iedereen die toen bij de Marine was.
Toen de capitulatie erdoor was, hebben we onze bewapening, alles, uit woede in het IJ bij de marinekazerne in Amsterdam gesmeten. Overigens bestond mijn “bewapening” uit een geweer van omstreeks 1897, waarvan de schouderriem kapot was, zodat ik hem in mijn handen moest dragen, plus zestig patronen en twee handgranaten. Zo zou ik naar Rotterdam zijn gestuurd als de capitulatie er niet tussen was gekomen. Ik kreeg nog de mededeling mee: “Wees er zuinig op, want meer hebben we niet.”
In 1942 heeft men nog geprobeerd mij naar de Nederlandse Politieschool in Apeldoorn te laten gaan, waar je getraind werd, ook in nationaal-socialistische ideologie. Ik heb toen geantwoord dat ik graag wilde gaan, maar dat mijn vrouw ons eerste kind verwachtte en ik haar niet alleen wilde laten. Opzettelijk deed ik eerst gewillig, om daarna uitstel te vragen. Ik kreeg uitstel.’
'Na de oorlog heb ik een schriftelijke berisping gekregen vanwege mijn kortstondige lidmaatschap van het Rechtsfront. Tot mijn ontsteltenis moest ik voor een plaatselijke zuiveringscommissie verschijnen. Daar zaten ook politiemensen in die weliswaar in het verzet hadden gezeten, maar van wie ik ook wist wat ze in de eerste oorlogsjaren hadden uitgehaald. Nadat ik was vrijgesproken, kreeg ik die schriftelijke berisping van het ministerie van Justitie in Den Haag. Daarin stond dat ik “blijk had gegeven van ontrouw en van een nationaal-socialistische geestesgesteldheid, maar tijdig het onjuiste van een dergelijk lidmaatschap had ingezien, en, nadat hij voor dat lidmaatschap had bedankt, zijn houding ten aanzien van de bezetter had weten te bepalen. Dat hij dient te begrijpen dat alleen deze laatste omstandigheid hem voor een oneervolle verwijdering uit de gelederen der Nederlandse Politie heeft behoed.”
Het was typerend hoe alles werd afgeschoven en de grote meneren vrijuit gingen. Jarenlang heb ik grote risico’s genomen. Met Meinema heb ik nauw samengewerkt, hoewel we de details voor onszelf hielden - hoe minder je van elkaar wist, hoe beter. Als Meinema er niet was, had ik de leiding en daarnaast mijn eigen taak, de vuurwapenwetten. Daarmee heb ik stevig kunnen rommelen. Ik sluisde via Meinema wapens weg naar de illegaliteit. Als ik Meinema wel eens vroeg waar ze naartoe gingen, antwoordde hij steevast: “Dat gaat je geen donder aan. Als je mij die dingen maar levert dan zorg ik er wel voor dat ze goed terechtkomen.”(’
'Wij werkten ook samen met de Joodsche Raad in Haarlem via een man die ik kende. Die kwam voortdurend op mijn bureau totdat ik zei: “Doe dat nou niet. Loop gewoon iedere dag langs het bureau en als de gordijnen op een bepaalde manier hangen, waarschuw dan de Joodsche Raad. De voorzitter van de Joodsche Raad was opperrabbijn Frank, die op 30 januari 1943 is weggevoerd als represaillemaatregel voor een aanslag. Daar zijn toen meer dan 109 mensen voor opgepakt, van wie er tien zijn gefusilleerd. Onder hen Drilsma, Chapon en Frank, die allemaal verbonden waren met de Joodsche Raad. Ook hun vrouwen heeft men weggevoerd.
Wat voor mij heel erg waardevol blijft, is dat mevrouw Frank mij een boodschap heeft laten overbrengen terwijl ze samen met die andere vrouwen in een gymnastieklokaal zat opgesloten. Zij bedankte Meinema en mij, ook namens haar man, voor het werk dat we voor de joden in Haarlem hadden gedaan. Dat ze dat nooit vergeten zou. Wat een geestkracht om daar in die vreselijke situatie nog aan te denken!
Wij waarschuwden voor razzia’s, voor huiszoekingen, voor arrestaties. Maar het is me ondanks verklaringen van door mij geredde mensen niet gelukt om gerehabiliteerd te worden. Ik ben nuchter genoeg om te erkennen dat als men mij ervan beschuldigt lid van het Rechtsfront te zijn geweest, al was dat ook maar een paar weken, ik daarvoor moet worden gestraft. Daar kan ik mee leven. Waar ik niet mee kan leven is dat men mij een nationaal-socialistische geestesgesteldheid heeft toegedicht zonder er ook maar bij stil te staan dat mijn kortstondige lidmaatschap op chantage was gebaseerd.’