Menno Hurenkamp

Ben ik al rechts?

Vader en zoon, de beroemde krantenstrip van Peter van Straaten, was lachen. Vader was rechts en zoon links. Vader probeerde de wereld waarin hij opgegroeid was te beschermen, terwijl hij zich realiseerde dat hem dat in de ogen van zijn hippe zoon tot een sukkel maakte. Zoon kon zich niet voorstellen dat hij ooit fout zat met zijn rabiate meningen.

Niet voor niets stopte de strip ergens in de jaren tachtig. De politieke en generationele tegenstelling had zijn scherpte verloren. Gelezen in de jaren negentig was de Vader en zoon-humor onbegrijpelijk of saai. Wat, zo denkt vermoedelijk de post-1989-generatie, kan iemand bewegen om zich in zulke politieke termen te definiëren?

We zijn nu heel wat conservatieve manifesten, rechtse erupties en halve linkse protesten verder en je zou denken dat Van Straaten het verhaal inmiddels weer probleemloos op kan pakken. Het conflict is terug in de maatschappij, zij het dat nu links in het defensief zit. Zou het weer om te lachen zijn: vader die behaaglijk toekijkt hoe zijn geloof in orde en netheid gemeengoed is geworden, en zoon die nog altijd bij de tijdgeest wil aanhaken en dus nu zijn best doet zijn vader rechts in te halen? Of, nog melancholischer, zoon die op zijn beurt ziet hoe de wereld waarin hij is opgegroeid naar de knoppen gaat. Van Straaten zou vast raad weten met de ontdekking door links dat conservatieven niet zomaar uitkeringstrekkers willen pesten maar dat ze een maatschappelijk ideaal hebben. Of met de behoefte die linkse mensen voelen om te vertellen dat ze altijd al rechts dachten over misbruik van de sociale zekerheid of over het belang van twee-oudergezinnen maar dat je dat niet kon zeggen.

Toch zou Vader en zoon revisited gedoemd zijn de plank mis te slaan. De nieuwe tegenstelling tussen links en rechts is opvallend genoeg van elk laatste restje generationele lading ontdaan. Traditionele politieke kritiek was grotendeels gericht op het bestaan van bolwerken als gezin, universiteit, politieke partij, leger. Die moesten weg of opengebroken of juist blijven. Onvermijdelijk maakt de gevestigde orde de dienst uit in die instituties en dus was een generatieconflict telkens ingebakken. Maar de politieke mode die nu overheerst beperkt zich tot de boodschap die de instituties moeten uitdragen, namelijk die van westerse waarden en vooral strenge normen. Veel minder dan door systeemkritiek wordt het nieuwe conflict bepaald door nieuw-conservatief management by speech. Daarin spelen oordelen, veelal over fout gedrag zoals naar de moskee gaan, een hoofddoek dragen of een ziekteuitkering krijgen, een grotere rol dan de drang om nieuwe instituties te scheppen. Zowel in het bepleiten als het bestrijden van die oordeelsdrang reiken jong en oud, aanstormend en gevestigd elkaar de hand. Het is speculeren wat dit voor de uitkomst van de discussie betekent. De relatieve onvoorspelbaarheid van de nieuw ontstane coalities heeft wel een onmiskenbare aantrekkingskracht. Of krachtige taal veel aan praktische problemen als dakloosheid, ongeletterdheid of werkloosheid oplost, dat is weer een heel ander vraagstuk.