Ben ik een intellectueel?

Het vervelende is dat je niet echt naar het woordenboek kunt grijpen, want dan lees je zoiets als: ‘Iemand met brede wetenschappelijke interesse en een grote algemene ontwikkeling’.

Wat is ‘brede interesse’? En wat is precies ‘wetenschappelijk’? En wanneer heb je ‘een grote algemene ontwikkeling’?

Ik herinner me van veertig jaar geleden allerlei bijeenkomsten in Paradiso, De Balie en de Populier waar vragen werden beantwoord als: ‘Wat is de taak van de intellectueel?’, ‘Wie is er nog intellectueel?’, ‘Waar is de Nederlandse Sartre?’ Een intellectueel was dan altijd iemand uit het forum die op al die vragen een goed geformuleerd antwoord had dat ik helaas niet heb onthouden.

Wel wil ik onthullen dat ik op een van die bijeenkomsten het woord heb gevraagd, en met gebalde vuist heb gezegd: ‘De echte intellectuelen zijn onze arbeiders, onze ambachtslieden die in de fabriek staan, die het vuile werk doen tegen een laag salaris en die worden uitgebuit; zij hebben een beter zicht op onze samenleving dan wij; zij weten hoe het beter moet, beter kan en beter zal worden! We moeten naar hen luisteren en niet naar het stelletje volgevreten zakken die daar achter die tafels wijn zitten te drinken!’

Applaus. Van mijn vrienden.

We hebben daarna allemaal de revolutie verraden. Ik wel het meest, gelukkig. Ik ben nooit arbeider geweest, overigens. Wel ambachtsman. Ik schrijf boeken, maak radioprogramma’s, schrijf columns en voel me inderdaad een satirische Sartre, maar ben ik dan een intellectueel?

Laten we voor het gemak stellen dat ik er een ben.

Wat moet ik dan doen?

Ik weet het niet, met al mijn intellectualisme.

Ik wil best een uitspraak over de wereld verkondigen, of ergens mijn visie over geven, maar dat heeft altijd iets lulligs, iets kinderachtigs.

Ik lees wel eens stukjes van filosofen. Die schijn je ook ‘intellectueel’ te mogen noemen. Dus het zijn collega’s. Maar ik vind het meestal onzinnig of onbegrijpelijk wat ze beweren. Dat komt doordat ik let op hun stijl van schrijven. Hun gedachten interesseren me in feite niet zo veel. Ik neem er kennis van en denk: onzin.

Laat ik een voorbeeld noemen. Een filosoof zegt: ‘Cynisme is onethisch; je bent verplicht hoop te hebben, hoop te houden en hoop voor te spiegelen.’ Hij refereerde ook nog aan Primo Levi, geloof ik.

Zo’n zin irriteert mij mateloos. Ik vind cynisme namelijk mooi. Voor mij is cynisme dat niets deugt, dat we nergens naartoe gaan, dat niks zin heeft en dat we uiteindelijk langer dood zijn dan we leven. Dat noem ik nou ‘inspirerend’. En hoop? Hoop is een kort woord waardoor weinig lucht verplaatst wordt en waarvan het enige waardevolle is dat het ook totaal geen zin heeft. Hoop… hoop is een illusie. Een zelfbedacht en dus meestal krukkig denkbeeld, een synoniem voor iemand iets op de mouw spelden. Net als religie. Dus flauwekul! Ik vind het geven van hoop meestal onethisch, omdat hoop over het algemeen op niets is gebaseerd. Dat hoop en poep in het Nederlands vaak hetzelfde betekenen, is typerend!

Maar zo’n echte intellectueel die aanzien heeft, vindt dat niet.

Hij gelooft in poep.

Wie of wat bepaalt nu wie de beste intellectueel is? (Wetenschappelijke interesse.)Het is niet te meten. En als het niet te meten is, hebben we allemaal evenveel gelijk als ongelijk. En zijn we allemaal even intellectueel. Maar de filosoof krijgt, omdat hij zich voorstelt als filosoof, meer gezag.

Ik ga me daar vanaf heden eens tegen verzetten, denk ik. Een filosoof denkt als een moderne bankdirecteur: hij verzamelt een grote hoeveelheid opvattingen – alsof het hypotheken zijn – en verkoopt die in een andere vorm door.

Tot één zo’n denkbeeld valt, en dan stort de hele bliksemse boel in elkaar.

Hoop en poep