Ben ik een urker?

Enkele maanden terug was het een Turk met een shoarmazaak. Zonder een shoarmazaak, nadat de Urkse horden waren langsgetrokken, een smeulende puinhoop achterlatend op de plek waar de getinte middenstander zijn eerlijke nering uitoefende.

Toen de bierwalmen waren opgetrokken keken we recht in het gezicht van de jongemannen die hun recht hadden laten zegevieren. Strakke koppen. Jongenskoppen, met blind-boze ogen, blind van woede op alles wat niet Urks is. Urks is: hard werken, God vrezen en de dorpsmores respecteren. En bovenal: rechtvaardigheid betrachten. Rechtvaardigheid is in Urk: wat de Urkers rechtvaardig vinden. Dat overstijgt het recht van justitie, en dat overstijgt het recht van de Schepper. Het is het recht van de horde. De zaterdagavondhorde. Twee weken terug was een zedendelinquent doelwit. Opnieuw die strakke koppen. Opnieuw die bierwalmen. Ruiten sneuvelden. De burgemeester van het eiland zei dat hij begrip kon opbrengen voor de proto-lynchactie van zijn jongelingen. Ook hij kan niet op tegen het gelijk van de massa. Een wethouder probeerde achteraf zijn burgemeester te beschermen. Natuurlijk zei hij dat er verkeerd geciteerd was, dat er dingen uit contexten waren getrokken. Ook wist hij te melden dat vijftig procent (‘Dat is de helft!’) van de Urker bevolking bestaat uit jongeren. (Willen ze daar niet weg? Zijn daar in Urk dingen waar wij geen weet van hebben? Waarom verlaat de jeugd dat dorp niet?) Eén week terug was een volgende wetsovertreder doelwit. De politie wist te verhinderen dat hij werd gemolesteerd. Taakstraffen, ha! Niet op Urk. In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood verdienen, zegt het wandtegeltje. Wie niet werkt zal niet eten. Werken is geen straf, derhalve, werken is een geschenk van God. Wie een misdrijf begaat, zal niet werken. De taakstraf is dus geen boetedoening. Het ingrijpen van zij-die-wel-werken lag daarom voor de hand. Na de tragedies rond Joes Kloppenburg, Meindert Tjoelker en de meisjes in Gorinchem kwam er een verbijsterende golf 'verontwaardiging’ los: op radio en tv stond 'de Nederlander’ op zijn achterste benen. Men was witheet van woede, niet alleen over het misdrijf maar vooral over de (te lage) straffen die het rechtssysteem oplegde aan de misdadigers. Nee, niemand wilde eigen rechter spelen, maar als ze hem zouden tegenkomen, dan zouden ze wel eens… Het was de tijd dat 'het rechtssysteem’ opeens niet meer deugde. Wat men normaal gesproken alleen aan de borreltafel, boven de televisiepinda’s en het bruisbier, durfde uit te spreken, bleek plotseling mediafähig te zijn: we wilden het horen. Er kwam een einde aan de tolerantie, die verdraagzaamheid waarop het land jarenlang zo zelfgenoegzaam had gedreven. Niks tolerantie. Wie iemand doodschopt, moet zelf ook dood. Denk eens aan de nabestaanden! Wat die moeder niet doormaakt! Het was afschrikwekkend wat er opborrelde uit de onderbuik van de Nederlandse samenleving. Pure haat, ziedende moordlust. Het is de haat die ik ook ken, de woede die ook mij niet vreemd is. Ik voel het ook, wanneer er een onschuldige jongen wordt doodgeschopt. In mij borrelt het ook bij het bericht dat twee meisjes tegen een paar anonieme kogels aan zijn gelopen. Maar bij mij blijft het daarbij. Dat borrelen heeft geen gevolg. Dat is waarschijnlijk wat we 'beschaving’ noemen: dat het borrelen geen vervolg krijgt. Urk is nu de piek op de kerstboom van ruim een jaar volkswoede. In Urk doen ze gewoon wat ze in de rest van het land alleen maar durven dromen. Het kan niet anders of stiekem zijn vele, vele Nederlanders het met de Urkse jongens eens. Bewonderen ze in het geheim. Misschien wonen er wel zo veel jongeren op Urk omdat de jeugd uit heel Nederland naar dat dorp toe aan het trekken is. Want daar weten ze nog hoe het hoort.