Briefwisseling De castingmaatschappij

Ben ik wel leuk genoeg?

In zijn artikel ‘De wereld als jury’ in De Groene Amsterdammer van 30 maart hekelt Koen Haegens de vele talentenshows op tv. In de castingmaatschappij moet iedereen uniek zijn. Het artikel inspireerde Meindert Fennema en Sjoerdje van Heerden tot een briefwisseling over geldingsdrang. ‘Ik kan over De Groene net zo'n verhaal schrijven.’

Beste Sjoerdje,
Toen ik 46 jaar geleden lid wilde worden van het Utrechts studentencorps moest ik groentijd lopen. Daarin werd mij gevraagd om op een keukenstoel te gaan staan en een lied te zingen. Dat was de auditie voor het groenentoneel. Omdat ik heel graag bij het toneel wilde - het alternatief was groentijd lopen bij de studentenweerbaarheid of de roeivereniging Triton - deed ik geweldig mijn best en zong uit volle borst Rôlje rôlje wetter weagen, rôlje en brûs om ’t âlde Grou. Dat Friese volkslied viel bij de bestuursleden van de toneelvereniging in de smaak en ik werd gecast voor een hoofdrol in het groenentoneelstuk van 1965. Maar toen de repetities begonnen bleek ik helemaal niet goed te kunnen zingen. Ik had de heren overdonderd met mijn brutale act, overigens meer uit angst dan uit branie, en ik moest mij tevreden stellen met een bijrol. Maar ik zat wel bij het toneel en daar werd niet geslagen en geschreeuwd, daar werd gedeclameerd en gediscussieerd door jongeheren die artistieke aspiraties hadden. Leuke jongens waren het, die later Lodewijk de Boer als beginnend regisseur naar Utrecht zouden halen, Shireen Strooker en Eric Schneider. ‘Vertel eens wat leuks’ was altijd een goede binnenkomer.
Ik heb me destijds nooit gerealiseerd dat ik terechtgekomen was in een castingmaatschappij, waarin het volgens Koen Haegens verschrikkelijk toeven is. Ik vond het USC helemaal niet verschrikkelijk, hoewel het intellectuele niveau vrij laag was. Dat laatste vond Maarten van Rossem ook en daarom dronk hij op de corpsfeesten alleen maar thee. 'Het niveau is hier toch al niet zo hoog’, placht Maarten te zeggen, 'en als je er nu ook nog alcohol bij gaat drinken…’
Wat mij destijds aangenaam trof was juist het meritocratische element in dat deftige corps. Natuurlijk, een dubbele naam telde zwaar, maar je moest ook wat kunnen en zonder zo'n naam mocht je meedoen als je iets kon wat een ander niet kon. Je werd, om een eigentijds woord te gebruiken, voortdurend uitgedaagd. Die meritocratische mentaliteit, die zich vroeger vooral tot de hogere middenklasse beperkte, is de laatste decennia verspreid. Ook de lagere middenklasse is nu aangeraakt door de begeerte iets bijzonders te kunnen, beter te presteren dan anderen.
Die wil om te excelleren waart ook rond op de Groene-redactie, lees het stuk van Xandra Schutte, waarmee zij afscheid neemt van Westeinde 16 (De Groene Amsterdammer, 7 april). Het stuk somt een oneindig aantal bekende Nederlanders van weleer op, allemaal met uitzonderlijke talenten, zo lijkt het wel. Nadat ik in september 1970 mijn eerste stuk bij De Groene ingeleverd had en daarna nog een, mocht ik ook op de Groene-borrels komen en daar heerste inderdaad de sfeer die Schutte beschrijft 'van bohémien, van zwier, van ouderwetse tijden’. Maar het ontging mij niet dat de jongelui geweldig hun best deden om bij de ouderen in de smaak te vallen. Om iets te bereiken bij De Groene moest je opvallen en elke keer als je iets inleverde wachtte je in spanning af of het goed genoeg was om geplaatst te worden. Dat alles wordt door Schutte met nostalgie overgoten en zo hoort het ook bij een afscheid.
Maar ik zou over De Groene net zo'n verhaal kunnen schrijven als Koen Haegens schrijft over 'De wereld als jury’, over de arrogantie van de macht, het verdriet van de verliezers. Het resultaat is een onafgebroken 'zelfenscenering’. Volgens Haegens is dat niet goed. Maar waarom eigenlijk niet? Mensen spelen rollen, jazeker, en in de moderne samenleving spelen ze zelfs verschillende rollen. Lijkt me leuk! En zo was het ook op de oude Groene-redactie. 'De joyeuze Kelk zette de toon’, schrijft Schutte, 'als hij binnenkwam met de groet: “Minzaam zwaaiend naar alle zijden betreedt de prins het bordeel”.’ Toegegeven, ook die Groene-borrels waren af en toe behoorlijk oppervlakkig, maar om nu met Haegens te zeggen: 'Dat stemt al met al niet vrolijk’…
Snap jij nu waarom de culturele elite zo zenuwachtig wordt als haar werkterrein wordt uitgebreid? Vroeger dachten alleen corpsleden en Groene-redacteuren: 'Ben ik wel leuk genoeg?’ Nu denkt iedereen dat. Is dat reden om de alarmklok te luiden? Waarom is datgene wat voor de elite goed genoeg is geweest voor de massa nu opeens een groot gevaar? Natuurlijk, die prestatiedwang is drukkend en niet iedereen kan ertegen. Maar wat dan? Moeten we in search of excellence ons dan maar beperken tot de burelen van de kwaliteitskranten en tot de muren van de cultuurtempels om de tere zielen van gewone mensen te beschermen. Ik dacht het niet…
Ben jij wel eens gecast? Jij bent toch model geweest? Dat is toch ook een soort make over? Werd je daar verdrietig van? Zoals je merkt zit ik vol vragen over de castingmaatschappij.
Groet, Meindert

Beste Meindert,
Ik denk dat de hang naar erkenning van aspirant-intellectuelen bij de gevestigde orde van De Groene inderdaad valt te plaatsen binnen het idee van 'de wereld als jury’. Maar een belangrijk verschil tussen de rekrutering van De Groene en die van sommige televisieshows waar Haegens over schrijft, is de rol van leedvermaak en vernedering. Wat mij stoort aan programma’s als Idols is niet zozeer de platte weg naar voorgefrabiceerde roem, maar het feit dat juist de meest sneue audities zo worden uitvergroot. Kandidaten die niet aan de eisen voldoen, worden door de jury genadeloos neergesabeld. Nadat zulke audities het onbetwiste hoogtepunt hadden gevormd van het begin van de programmareeks zingen de filmpjes van deze 'provinciale stakkers’ nog tot in lengte der dagen rond op het internet. En uiteraard: hoe beroerder het optreden van de kandidaat, hoe groter de goudmijn voor de producenten. De populariteit van de filmpjes is begrijpelijk, want de eerste momenten zijn inderdaad even hilarisch als verbazingwekkend, maar daarna vind ik het al snel droevig en hardvochtig worden. Dit aspect vind je niet terug bij jouw beschrijving van De Groene. Daar worden tenenkrommend slechte stukken in ieder geval niet in een aparte bijlage gepubliceerd opdat de éminence grise zich een scheur in de broek kan lachen.
Daarnaast bestaat er naar mijn idee nog een ander verschil, waar ook Haegens meer de nadruk op legt, en dat is de mate waarin mensen hun authenticiteit verloochenen om wille van erkenning. De zorg van Haegens lijkt met name te bestaan uit de observatie dat het spelen van rollen buitenproportionele vormen aanneemt. Mocht die observatie juist zijn, dan lijkt deze zorg mij niet onzinnig. Immers, dat je graag in de smaak wil vallen bij mensen die je bewondert is overkomelijk, maar dat je jezelf om die reden wegcijfert en een nieuwe persoonlijkheid aanneemt is een exces.
Zo raakte ik een tijdje terug in een wat ordinaire Amsterdamse horecagelegenheid aan de praat met de managing director van een bekend modellenbureau. In volle tevredenheid vertelde hij mij dat die meisjes allemaal zo graag carrière willen maken dat hij vrijwel alles van ze gedaan krijgt. Hij kon ze bijvoorbeeld rustig als bijzettafeltje gebruiken. Wederom denk ik dat de vergelijking met De Groene mank gaat, maar dat wil niet zeggen dat de elite hier ongeschonden uit de strijd komt.
Een instituut dat namelijk wel past binnen het plaatje van vernedering, leedvermaak en machtsmisbruik is het studentencorps. Jouw ervaringen lijken nog zachtmoedig, maar mijn associatie met het corps is dat allerminst. Zelf ben ik nooit lid geweest. Ik liet mijn kans op 'vrienden voor het leven’ graag voorbijgaan als ik daarmee gevrijwaard werd van het poetsen van mijn tanden met een borstel die zojuist door de wc-pot van de senaat was gegaan. Zoals Haegens vreest dat de samenleving straks gekenmerkt zal worden door conformisme omdat iedereen dezelfde bevallige rol gaat spelen, lijkt het corps inderdaad opvallend veel dezelfde types af te leveren.
Maar ook al staat het corps er doorgaans om bekend een elitaire club te zijn, de ontgroeningspraktijken worden ook binnen de elite regelmatig bediscussieerd. De elite spreekt hierover in ieder geval niet met één mond. Ik weet daarom ook niet of men uit het stuk van Haegens moet opmaken dat specifiek de elite de castingmaatschappij als bedreigend ervaart of beter gezegd: er zenuwachtig van raakt dat 'hun werkterrein wordt uitgebreid’. En dat Xandra Schutte nostalgisch terugblikt op de wellicht wat eigenaardige borrels van De Groene heeft hier volgens mij niet zoveel mee te maken.
Toch vallen er heus wel wat elitaire ergernissen te bedenken die ertoe zouden kunnen leiden dat de elite zich afkeert van de populaire talentenjachten. Zo stel ik me voor dat de bewuste castingshows slechts als banaal volksvermaak worden beschouwd waar geen enkele noemenswaardige kundigheid uit naar voren komt. Idols is eigenlijk een soort palingtrekken, maar dan voor een miljoenenpubliek. De ergernis zit hierbij voornamelijk in het oppervlakkige, het gladde en het smakeloze. Dit soort ergernissen gelden al jaren voor entertainmentshows van commerciële zenders, en niet specifiek voor shows die gecentreerd zijn rondom een castingelement. Ik kan me wel voorstellen dat de elite zenuwachtig zou worden van de democratisering van talent als er een spelshow wordt ontwikkeld rond de volksraadpleging 'Wie moet de nieuwe zomergast worden?’ Niet omdat hun werkterrein dan wordt uitgebreid, maar omdat het betreden wordt. Je kunt op je vingers natellen dat men van mening is dat zo'n beslissing niet zou mogen vallen aan de hand van SBS6-achtige toestanden als applausmeters en sms-volumes. Maar zo'n vaart zal het vast niet lopen.
Om terug te komen op jouw vraag of het zo erg zou zijn als iedereen denkt: ben ik wel leuk genoeg? Mijn antwoord is: nee. Dat wordt het pas wanneer een antwoord op deze vraag slechts gegeven kan worden na vernedering, leedvermaak en machtsmisbruik.
Groeten, Sjoerdje

Beste Sjoerdje,
Dank voor je antwoord, waar ik soms om moest lachen. Jij bent zeker leuk genoeg. Jouw stelling is duidelijk: met een castingmaatschappij is niks mis, zolang de selectie maar geen vernederingen met zich meebrengt. Dat is bij De Groene niet het geval, schrijf je, maar bij het studentencorps wél en bij Idols ook. Dat zal Xandra Schutte graag horen. Maar is het wel zo simpel? Over het corps kunnen we het misschien snel eens worden, maar overdrijf je de afzeikcultuur in de Idols-jury niet een beetje? Ik heb destijds vaak gekeken en vond het oordeel van de jury soms hard, maar vaak terecht. En van het programma Holland’s Got Talent geniet ik met volle teugen. Ik vind het ontroerend om te zien hoe jonge mensen hun best doen om een unique selling point uit te venten en ik heb grote bewondering voor Gordon, Patricia Paay en Dan Karaty die on the spot en in het oog van de camera hun oordeel moeten vellen over een act van hooguit drie minuten. Zij doen dat over het algemeen heel zorgvuldig.
Maar als je je blootstelt aan openbare kritiek ligt de openbare vernedering op de loer. Afgewezen worden is nooit leuk en voor de meeste mensen is een afwijzing ook een vernedering. Veel mensen zijn zo bang voor het oordeel van anderen dat ze daarom nooit iets doen wat opvalt. Het zijn de mensen van onbesproken gedrag die vroeger de kurk vormden waarop onze maatschappij dreef.
In onze maatschappij verdwijnt het onderscheid tussen de elite, die haar kinderen leert wél op te vallen en uit te blinken, en de 'gewone man’ die zijn kinderen leert niet op te vallen. 'Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.’ In het studentencorps leerde je op hardhandige wijze om op te vallen én om op je bek te gaat. Tegenwoordig wordt iedereen geleerd om op te vallen. Er zijn cursussen waarin je geleerd wordt bij elke sollicitatie de indruk te wekken een bijzonder talent te hebben. De hele maatschappij is tegenwoordig één grote talentenshow. Zelf mocht ik een massale auditie meemaken voor The Sound of Music. Er hadden zich duizenden kinderen opgegeven door een filmpje op te sturen waarin zij iets ten gehore brachten. Mijn dochter had dat, samen met een vriendin, ook gedaan en zij was uitgekozen om auditie te doen op een regenachtige zaterdag in de Efteling, die voor dat doel was afgehuurd. Ik vond het een geweldige belevenis. Honderden kinderen met hun moeders (er mocht maar één ouder mee) die in het restaurant van de Efteling aan tafeltjes zaten tot de kinderen klaar waren met de auditie. Uit de verhalen van de moeders moest ik opmaken dat de kinderen zich uit de naad geoefend hadden. Vol spanning wachtten wij op de uitslag. Alle moeders aan mijn tafeltje hadden tegen hun kinderen gezegd dat het helemaal niet erg was om afgewezen te worden, althans dat zeiden ze bij herhaling tegen elkaar. Maar toen het échte bericht van afwijzing kwam, moesten de meisjes toch huilen en de moeders keken bedrukt.
'Elk denkt zijn uil een valk te zijn’ leerde ik op het gymnasium. Die uitdrukking was een voorbeeld van een Latijnse grammaticale vorm die wij moesten kennen, maar zij was ook een kritiek op de moderne prestatiemaatschappij. Die brengt stress met zich mee en teleurstelling. Voor die Sound of Music waren maar vijf rollen beschikbaar. Toch waren en duizenden kinderen en duizenden ouders die stiekem hoopten dat zij daarvoor in aanmerking kwamen.
Die prestatiemaatschappij kent een onuitstaanbaar jeugdjargon. Tegenwoordig vinden studenten alles 'spannend’. Het leidt ertoe dat veel mensen die geen talent hebben, toch doen alsof. Koen Haegens vindt dat verschrikkelijk, maar weigert in te zien dat talent en goede smaak geen vaststaande grootheden zijn waar de Groene-redactie het patent op heeft. Spreken in het openbaar is niemand aangeboren, zingen of schrijven kun je tot op grote hoogte leren. Maar om het zo ver te brengen moet iemand je verteld hebben dat ook jij dat zou kunnen leren als je maar genoeg oefent. Want oefening baart kunst en waarom zou je niet de beste willen zijn ook al is de kans klein dat je dat ook wordt? Natuurlijk zijn er mensen met bijzonder weinig talent, maar moet je zulke mensen die toch meedoen aan het programma Holland’s Got Talent tegen zichzelf beschermen? Wat is dat voor een paternalisme?
Ook mensen met onmiskenbaar talent hebben soms rare gewoontes. Ik heb op de universiteit collega’s die prachtige boeken geschreven hebben, maar nog nooit een artikel hebben opgestuurd naar een internationaal tijdschrift uit angst om afgewezen te worden door een negatief oordeel van een anonieme collega. En je moet eens aan bekende schrijvers vragen hoe zij het ervaren om een negatieve recensie te krijgen. Mijn eerste boek werd in 1975 in de Haagse Post vernietigend besproken onder de kop 'Het kreupelhout van de proletarische wetenschap’. De Haagse Post was vast zo negatief over mijn talenten omdat ik een marxist was, maar ik vond het toch vernederend. Ik heb inmiddels zo'n vijftien boeken geschreven, maar een negatieve recensie doet nog steeds pijn.
Ik vroeg je in mijn eerste brief naar jouw ervaringen met de castingmaatschappij omdat jij zelf model bent geweest en ervaring hebt met een castingbureau. Je gaat daar niet op in, behalve dan dat je een directeur van een modellenbureau citeert die beweert dat de meisjes bereid zijn alles te doen om model te worden. Hij kon ze bij wijze van spreken als bijzettafeltje gebruiken. Je hebt hem niet gevraagd of hij dat ook deed en je zet die uitspraak ook niet af tegen je eigen ervaringen als model. Maar mijn vraag was: hoe heb jij dat zelf als model beleefd? En: klinkt er in het verhaal van Haegens niet een heimwee naar de oude standenmaatschappij, toen iedereen zijn natuurlijke plaats had? Stamt De Groene Amsterdammer niet uit de tijd van Voskuil - die een trouwe lezer was van het blad? En zei Beerta niet tegen Maarten Koning: 'Als een heer een man ontmoet dan geeft de heer de man een fooi’? Dat was de tijd waarin Cees Kelk 'minzaam zwaaiend naar alle zijden’ het redactielokaal van De Groene Amsterdammer betrad.
Groet, Meindert

Beste Meindert,
Je vraagt mij of ik de afzeikcultuur in de Idols-jury niet een beetje overdrijf. Ik dacht het niet. Het verbaast mij dan ook te lezen dat jij de beoordelingskwaliteiten van uitgerekend Gordon zo hoog hebt zitten. Van alle talentspotters die Nederland inmiddels rijk is, typeer je zijn manier van jureren als zorgvuldig. Maar dat meen je toch niet serieus? Ik heb het programma destijds allerminst religieus gevolgd, maar het is mij niet ontgaan dat tijdens de vooraankondiging ervan een fragment werd getoond waarbij Gordon gekscherend het vonnis 'geef haar een nekschot’ uitsprak over een kandidaat. Dit publiekslokkertje bracht zo veel opschudding teweeg dat de producenten ervan af zagen het nogmaals uit te zenden. Toch haalden talloze andere beledigingen, waaronder het ridiculiseren van een meisje met een fysieke handicap, de uitzending wel. Het tumult leverde Gordon een zitplaats op bij Pauw & Witteman waar hij ruiterlijk toegaf dat afzeiken een essentieel onderdeel vormt van de programmaformule. Aan de hand van een voorselectie worden alleen de uitzonderlijk goede en uitzonderlijk slechte kandidaten aan de jury gepresenteerd. Vervolgens heeft de jury twee taken: talenten bejubelen en minderbedeelden afsnauwen. Gordon wordt hoofdzakelijk ingezet vanwege zijn weergaloze vermogen tot het laatste. Als het paard van Troje heeft Idols de afzeikcultuur onze huiskamers binnengeloodst.
Met klem vraag je mij te vertellen over mijn ervaringen als model. Daarin moet ik je waarschijnlijk wat teleurstellen. Ik heb namelijk slechts marginaal kunnen meemaken hoe deze wereld in elkaar steekt, vooral omdat ik niet voldoende in staat bleek om op het gewenste gewicht te blijven. De ingangseisen voor modellen zijn hoog en zonder buitenaardse stofwisseling of Spartaans voedsel- en sportregime red je het niet. Maar vanaf de drempel heb ik wel gezien hoe jonge meisjes zonder enige vorm van adequate begeleiding worden overgeleverd aan de grillen van de modewereld, dikwijls ver verwijderd van vrienden en familie. Vriendinnen van mij hebben zich laten verleiden tot zogenoemde testshoots in een minuscuul onderbroekje. Achteraf bleek dat compleet overbodig te zijn voor hun carrière en hadden zij liever anders gehandeld. Omdat jonge bereidwillige pubers makkelijk te manipuleren zijn, bestaat er internationaal een wildgroei aan obscure bureaus. Jaren geleden zond de BBC een documentaire uit waar undercover de werkwijze van het Britse Elite Models werd gevolgd. Daarin zag je hoe hoge bazen opschepten over seks met hun modellen. Niet alle bureaus verzaken steevast hun verantwoordelijkheid, maar de rotte appels bestaan zonder meer.
Ik moet toegeven dat lang niet alle castingshows zich bedienen van de succesformule van Idols, maar binnen het genre is Idols wel gezichtsbepalend geweest. Hierdoor is een nare bijsmaak ontstaan, die ook vaak wordt geproefd in bijvoorbeeld het corps en de modellenwereld. Dergelijke associaties zijn misschien niet altijd even terecht, maar er bestaan genoeg aanwijzingen om verdenkingen van machtsmisbruik, leedvermaak of vernedering niet zomaar te verwerpen. Bij elke vorm van jurering en rekrutering kan het misgaan, maar sommige domeinen lijken zich hier beter voor te lenen dan andere. Paternalisme is een groot woord, maar dat je mensen niet altijd tegen zichzelf in bescherming kunt of moet nemen, neemt niet weg dat je wantoestanden aan de kaak mag stellen, of dat je je er ten minste aan mag ergeren.
Uit jouw brieven maak ik op dat de grenzen in onze standenmaatschappij vervagen. Hiermee is dus ook de elite brak water geworden. Niettemin spreekt er uit jouw brieven nog wel een geloof in universele gedragskenmerken, normen en waarden van de elite. Maar logischerwijs zouden deze zaken inmiddels ook vertroebeld moeten zijn. Dat het inderdaad niet zo simpel ligt, blijkt onder meer uit jouw eigen voorbeelden. Je stelt dat de elite van jongs af aan leert uit te blinken, maar dit idee wordt tegengesproken door de observatie dat collega’s nog geen artikel durven in te sturen uit angst voor afwijzing. Kennelijk heeft de elite dat uitblinken, waar zij zogenaamd het alleenrecht op had, nog steeds niet onder de knie. Ik betwijfel ook of het credo 'doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg’ strikt volkseigen is. Hoewel ik weet dat er Gooische families zijn die kerstkaarten sturen met daarop vermeld de schoolprestaties van hun kinderen, denk ik ook dat een groot deel van de ontvangers zo'n kaartje vulgair vindt. Zelfpromotie wordt niet onbetwist gezien als blijk van goede smaak.
Maar over goede smaak valt tegenwoordig te twisten. In tegenstelling tot Koen Haegens geniet jij met volle teugen van talentenjachten, terwijl ook jij tot de elite behoort. Maar opvallend genoeg vind je enkel de smaak van Koen Haegens representatief voor de elite. Ik vraag me af waarom. Misschien moet ik jou zien als de belichaming van het vervagen van de grenzen? Stond jij niet ooit aan de poorten van de elite te rammelen, waarop je zowaar werd binnengelaten en vervolgens hebt besloten om de zaken voortaan vanuit het hol van de leeuw op scherp te zetten? In dat geval is het de vraag hoe lang het nog passend is om te ageren tegen een identiteit waar je zelf inmiddels vorm aan geeft. Hier ga ik nog even over nadenken.
Groeten, Sjoerdje


Meester en leerling
Meindert Fennema (hoogleraar politicologie aan de UvA) en Sjoerdje van Heerden (aio aan dezelfde universiteit) treden op in een ontmoetingsreeks van leermeesters en leerlingen in de wetenschap. Een jonge en oude uitvoerder van hetzelfde ambacht worden geïnterviewd over wat ze van elkaar hebben geleerd, over de manier waarop die kennisoverdracht tot stand komt en over de vernieuwingen in het vak.
Leermeester & leerling
– De politicoloog.
De Rode Hoed, Amsterdam,
maandag 26 september,
aanvang 20.30 uur,
café open 19.00 uur.
www.rodehoed.nl