Beneden ons gaapt alledag

De Russische sprookjes van Toon Tellegen zijn die van de zijweg, de achteruit, of het nog-eens-maar-anders. Als de afgrond van het alledaagse maar kan worden uitgesteld.

Vreemd. In geen van de boeken die ik van Toon Tellegen heb staat Juffrouw Kachel (1991) in de lijst met publicaties. Niet onder dierenverhalen, kinderboeken, poëzie of proza; ik weet niet of het nog te krijgen is. Volgens mij is het zijn beste boek. In elk geval was Juffrouw Kachel na een achttal dichtbundels en zo’n honderdvijftig dierenverhalen sinds het begin van de jaren tachtig iets heel anders – nu is het een schakel in het hele werk. Bij dierenverhalen dacht men al gauw aan sprookjes en als die sprekende beesten ook nog eens wijsgerig van aard én aardig zijn, dan is opeens een boek vol haat en wrok spelbederf. Hoe past dat in een Montessori-opvoeding: Juffrouw Kachel slaat er dagelijks op los, zonder aanzien des persoons, gewoon omdat ze moet. Met elke sneer en klap wakkert zij de haat bij de pupil aan, en al even hoog laait diens fantasie op. Nog is de jongen voor zijn wraakoefeningen op zijn dagboek aangewezen: ‘Als ik schrijver ben mag ik zelf verzinnen hoe het met iemand afloopt. Dat is het leukste volgens mij. Als ik vijftien ben begin ik een boek te schrijven. Maar eerst over anderen. Pas als ik een echte goede schrijver ben schrijf ik een boek over juffrouw Kachel. Ik ben benieuwd hoe dát afloopt.’ Hoe dat afloopt: dat verhaal of de schrijverij?

Het jeugdboek gaf op z’n minst te denken: waren de dierenverhalen echt zo vreedzaam als ze leken, of liever: zoals het genre suggereerde? Nee. Maar dat is een ander verhaal, ik heb het hier over Tellegens proza. Genres zijn voor Tellegen slechts verschillende registers – hij schijnt ook niet erg aan (de leeftijd van) lezers te denken. Het toneelstuk dat hij onlangs schreef was voor die ene actrice. De taalspelen in de dierenverhalen zijn toneelstukjes in het bos; in de gedichten zijn ze abstracter, meer op de woorden en de zinnen geconcentreerd, minder gepersonifieerd. Ook in het andere proza is verwondering troef en wordt een scène vaak op gang gebracht door een woord – een loslopend woord kan er heel vreemd uitzien. ‘Dat moet ik doen: haar verzengen met mijn boosheid. Verzengen is nóg erger dan verbranden.’ Dat denkt de jongen over juffrouw Kachel. In een ander boek: ‘Ik wist niet wat een zinnebeeld was en keek hem vragend aan.’ Even later begrijpt de jongen dat zijn grootvader het over zichzelf heeft als hij zegt dat iedereen in een Witte Zaal leeft, vol feesten en eenzaamheid, en dat eromheen allemaal kleine kamertjes zijn. Als de Russische grootvader over zijn vader vertelt, de overgrootvader dus, die leed aan wat in Rusland ‘houten wanhoop’ heette, en zegt dat de Rus niet van langdurige wanhoop houdt: ‘Huilen in een tranendal heeft iets onzinnigs…’ dan besluit de jongen het hoofdstuk wanneer zijn moeder hem zegt niet te huilen aldus: ‘Ik mag net zoveel huilen als ik wil, want het is hier geen tranendal’, nog wat napiekerend over een tranenrivier. Zegt de grootmoeder over haar echtgenoot dat hij een rijke fantasie heeft, dan is dat een wonderlijk woord: ‘Ik dacht toen dat fantasie een soort kamer was, waarin goud en geld werd bewaard, en dat die kamer van mijn grootvader dus vol moest zijn daarmee. Ook al wist ik dat hij slechts leefde van een klein pensioen van de firma Pel, fabrikant van snoepjes te Leiden.’ Het zinnetje er achteraan doet het ’m.

De regels over het schrijven als wraakoefening maakten het indertijd verleidelijk te denken dat Tellegen het over zichzelf had, dat hij nog iets te verhapstukken had met zíjn juffrouw Kachel: koud van buiten, gloeiend heet van binnen, die van iedereen brandhout maakt. Wat maakt het uit? In het boek over een Russische grootvader, waaruit ik zojuist citeerde, gaat het, ondersteund door een familiefoto uit Sint-Petersburg 1905, om traceerbare biografica: in 1918 verliet de handelsman Egbert Engberts, import en export, Rusland, en begon hij in Leiden een bakkerszaak: ‘Hij had van zijn leven nog nooit iets gebakken en de zaak werd een fiasco.’ Belangrijker in dat hoofdstukje, Pirogi (Russische pasteitjes), is de zin: ‘Aan mij vertelde hij verhalen over Rusland, over de geschiedenis van Rusland en het leven daar. Nooit sprak hij ook maar met één woord over zijn leven daarna. (…) Misschien zou op zijn graf moeten staan, onder zijn naam: 1875-1918, en tussen haakjes daaronder, met kleinere cijfers: (1918-1955).’ Korter kan een leven niet worden samengevat.

Om die verhalen gaat het in De trein naar Pavlovsk en Oostvoorne (2000); nauwelijks of niet over het leven van de grootvader of de familiegeschiedenis; laat staan over de bijna zestig jaar jongere, in Brielle geboren kleinzoon.

De titel wordt subtiel uitgelegd in het gedicht waarmee het prozaboek begint: ‘Mijn grootvader, mijn moeder en ik,/ wij rijden in een trein./ De wereld schudt,/ de conducteur verschijnt, in het zwart,/ met goud en rood./ “Waar gaat u heen?” vraagt hij./ “Naar Pavlovsk,” zegt mijn grootvader./ “Naar Oostvoorne,” zeg ik./ Mijn moeder zwijgt. “Zij hoort bij mij,” zeggen wij en tonen onze kaartjes.’

De sombere man, die trouwens een hekel aan vragen heeft, vertelt sombere verhalen. Volgens hem is het een wet dat er altijd een is met wie het slecht afloopt. Met genoegen vertelt hij over het duivenkerkhof in Sint-Petersburg, waar alleen mensen begraven mochten worden die een zeer zeldzame kwaal hadden gehad. Zo’n grote eer dat menigeen hevig simuleerde. ‘Bij twijfel niet begraven’, luidde het devies van de pathologen. Mooi is ook het verhaal over Stechler die godsdiensten ontwierp, veelal in het geheim. Maar omdat het in het land niet zo goed ging, vroegen ook de tsaar en de tsarina een nieuwe godsdienst, voor heel Rusland. Toen Stechler zijn godsdienst bijna klaar had, brak de revolutie uit.

Opmerkelijk is dat de sombere verhalen mettertijd sprookjes worden, met als overgang verhalen over het circus, een houten paard op een wagen met dansende poppen in zijn buik of over een beer die zijn honger niet kan stillen – hij eet alles en iedereen, het hele land eet hij op. Eindelijk valt hij in slaap. ‘Tot op de huidige dag. Opeens was het sprookje afgelopen. Het leek helemaal niet op een sprookje. Ik had er in elk geval nog nooit zo een gehoord. Een sprookje zonder eind, dat bestond niet.’

Het is een Russisch sprookje, zei de grootvader. Misschien was dat ook de verklaring voor de slechte afloop van zijn eigen verhalen, waar inderdaad geen goede feeën en engelen in voorkwamen. Of het loopt slecht af of helemaal niet; en vaak gaat het ook om iets anders dan het lijkt. ‘In Rusland was alles anders. Dingen die hier klein waren, waren daar groot en dingen die hier onmogelijk waren, waren daar de gewoonste zaak van de wereld.’

Er is nooit veel ophef van dit boek van Tellegen gemaakt, misschien omdat het, zoals voor al zijn werk geldt, moeilijk te classificeren is. Het pleit voor het lezerspubliek dat het in 2003 al zeven drukken kende. Waren de Russische sprookjes van de grootvader nu het model voor de laconieke verteltrant van Tellegen? Hoefde hij voor Pavlovsk alleen maar Oostvoorne in te vullen? Ik geloof er niks van; het interesseert me niet eens of Tellegen een Russische knorrepot als grootvader heeft gehad. Het boek gaat over een jongen – toekomstig schrijver of niet – die een scherp oor heeft voor de ruimtes tussen woorden, die niet schroomt te zeggen dat hij het niet begrijpt om des te beter te luisteren naar wat die onbegrijpelijke woorden in zijn hoofd oproepen of aanrichten: ‘We houden ons aan de rand van een afgrond vast (…) Beneden ons gaapt alledag.’

Grootvader is een sombere egel, die vaak niets zegt en alleen maar zucht. De kleinzoon kijkt hem nieuwsgierig als een eekhoorn aan en springt van vraagteken naar vraagteken.

Wat doet iemand die iets niet begrijpt? Of hij haalt z’n schouders op, loopt weg en taalt er niet meer naar. Of hij wordt geprikkeld, draait er omheen, besnuffelt het rare ding, benadert het van een andere kant of in andere gedaante. Zo zou je misschien Tellegens aanpak in enkele andere prozaboeken kunnen kenschetsen: Twee oude vrouwtjes (1994), Dora: Een liefdesgeschiedenis (1998) en Brieven aan Doornroosje (2002). In 43 scènes wordt een stel oude vrouwtjes opgevoerd, al een heel leven bij elkaar, veel zoenend, vol twijfel soms. Het oud zijn op zich is niet erg, het brengt ze alleen wat dichter bij de dood. Op elke bladzijde begint het verhaal opnieuw, hetzelfde maar anders, dát is het wonderlijke.

In Dora is dat idee zelfs het uitgangspunt: elke ochtend ziet Vis in zijn kamer een vaas met gladiolen vallen, stormt een tierende meneer Leenderts binnen, gaat Dora alleen naar het strand en studeert buiten een orkest Bloemen verwelken, schepen vergaan, maar onze liefde… in. En dat ongeveer vijftig keer herhaald, al naar de stemming, de eigenschappen of de toestand van Vis. Alle verhalen of scènes waren situaties die zich hadden kunnen voordoen als Vis verdrietig, lui, ijdel, schijnheilig of wat dan ook was geweest. Dat is nog eens een psychologische roman – of een sprookje als een Russische pop.

Het verst doorgevoerd heeft Tellegen zijn minimal methode van de eindeloze variatie, uitstel of voorspel, in de dikke bundel met brieven aan Doornroosje. Elke dag van het honderdste jaar schrijft de prins aan de inmiddels 110- tot 120-jarige prinses een brief waarin hij zijn komst aankondigt. Hij zal haar wakker kussen, maar vraag niet hoe. De Russische sprookjes van Tellegen zijn die van de zijweg, de achteruit, of het nog-eens-maar-anders. Als die afgrond van het alledaagse maar kan worden uitgesteld.