Benedict Anderson (26 augustus 1936- 13 december 2015)

Benedict Anderson schreef met Verbeelde gemeenschappen misschien wel het invloedrijkste boek over modern nationalisme. Zelf hoorde hij nergens echt bij, en werd hij verbannen uit het land waar hij uiteindelijk voor koos.

Wie de biografie langsloopt van Benedict Anderson kan niet verbaasd zijn dat voor deze man identiteit en groepsgevoel zaken waren om te bestuderen en te verklaren. Want de jeugd van deze Brits-Ierse Amerikaan leek wel ontworpen om hem nergens bij te laten horen. Benedict Anderson werd geboren in het Zuid-Chinese Kunming, als zoon van een Ierse moeder en een Engelse vader met Schotse wortels. Hij werd vernoemd naar een van zijn voorouders, een leider van een mislukte Ierse opstand tegen het Britse Rijk. Toch was Benedicts vader zelf bij dat Rijk in dienst, als belastinginner in China.

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, verhuisden de Andersons naar Californië. Na de oorlog verscheepten ze zich naar Ierland, waar ze als half Engelse protestanten niet goed pasten binnen de innig katholieke cultuur. En weer een paar jaar later verhuisde de jonge Benedict naar Engeland, om de traditionele kostschool van Eton te doorlopen. Op Cambridge University werd hij vervolgens aangestoken door een links-antikoloniaal vuur, dat hem in kringen bracht van voornamelijk Indiase en Pakistaanse radicalen zoals Tariq Ali. Toen hij vervolgens verhuisde naar de Verenigde Staten, voor een baan als politicoloog aan de universiteit Cornell, legde hij zich toe op de studie van Zuidoost-Azië. En daar zou uiteindelijk een grote passie in hem ontvlammen voor Indonesië, een land dat hij volgens een bevriende journalist, Jeet Heer, ‘niet alleen met zijn hele hart en geest bestudeerde, maar dat hij ook emotioneel bewoonde’.

Voor zijn proefschrift bestudeerde Anderson de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging (waarvoor hij zich schijnbaar moeiteloos Nederlands, Bahasa Indonesia, Javaans en wat Japans eigen maakte). Hij raakte gefascineerd door het nationale gevoel dat over de Indonesische archipel was verspreid en legde zich in de jaren zeventig steeds meer toe op de bestudering van nationalisme als band tussen mensen en als kracht achter de geschiedenis. Anderson koos daarmee duidelijk een onderwerp van de B-garnituur in de academische rangorde. Nationalisme had misschien wel grote dichters opgeleverd, maar nooit grote denkers, zoals bijvoorbeeld het liberalisme of marxisme. Ook binnen de politicologie, die draaide om machtsverhoudingen tussen staten, werd nationalisme oninteressant gevonden.

Anderson had juist minachting voor de wetten en formules waarmee veel politicologen hun hunkering vormgaven om echte wetenschap te bedrijven. Hij identificeerde nationalisme als een sleutelkracht in de wereld. En hij keek niet op nationalisme neer zoals de meeste westerse intellectuelen deden, die nationalisme doorgaans beschouwden als gevaarlijk en burgerlijk-romantisch. Anderson onderstreepte juist dat nationalisme ook verbondenheid smeedt tussen mensen die elkaar niet kennen. ‘In een tijd waarin het zo gewoon is om af te geven op het bijna-pathologische karakter van nationalisme, en zijn wortels in angst en haat voor de Ander, is het nuttig om te herinneren dat naties diepgaande, zelf-opofferende liefde inspireren’, schreef hij in Imagined Communities: Reflections on the Origin and Spread of Nationalism (1983). ‘De culturele producten van nationalisme – gedichten, fictie, muziek, sculpturen – tonen deze liefde in duizenden vormen en stijlen.’

In dat boek, zijn bekendste werk, beschreef Anderson naties als ingebeelde gemeenschappen, die konden ontstaan door moderne media en het afbrokkelen van goddelijk koningschap. In plaats van trouw aan een door God gegeven heerser bood nationalisme een ‘diepe horizontale kameraadschap’ als cement van staten. Met ‘ingebeeld’ bedoelde Anderson niet dat nationalisme onecht was, maar eerder dat het gemeenschapsgevoel van een natie noodzakelijkerwijs in de verbeelding moest liggen: elke gemeenschap boven dorpsniveau was voor Anderson een sociale constructie.

Anderson wilde dit fenomeen begrijpen – niet alleen waar en waarom het slaagde, maar ook waar en waarom het mislukte. Want Imagined Communities was een product van enkele nationale tragedies die Anderson als Zuidoost-Azië-expert van dichtbij meemaakte: die in Vietnam, Cambodja, China en Indonesië, tragedies die Anderson niet alleen de keerzijde toonden van nationalisme, maar ook van socialisme.

Het was voor Anderson bijzonder wrang om te zien hoe de ‘horizontale kameraadschap’ van nationale bewegingen gewelddadig uiteen werd gescheurd in Indonesië, het land waar hij zo veel van hield en waarvan hij de inwoners beschouwde als de fijnste mensen op aarde. Na de machtsgreep van generaal Soeharto in 1965 vond in Indonesië een massamoord plaats die zeker een half miljoen en misschien wel een miljoen Indonesiërs het leven kostte. (Een massamoord die pas de afgelopen jaren meer aandacht krijgt, bijvoorbeeld door de documentaires The Act of Killing en The Look of Silence). ‘Het voelde als de ontdekking dat een geliefde een moordenaar is’, schreef Anderson over de moord op honderdduizenden Indonesische communisten, minderheden en andere lastige inwoners van de archipel. Andersons documentatie van de massamoord en zijn verzet tegen de zwijgcultuur erover in Indonesië leidden ertoe dat hij in 1972 werd verbannen. Hij zou bitter toegeven dat zijn broer Perry, ook een academicus, hem ervan overtuigd had dat ‘Indonesiërs uiteindelijk ook deel van de menselijke soort waren, en niet zo onvergelijkbaar en uniek als ik altijd nationalistisch volgehouden had’.

Anderson zou pas in 1998 terugkeren, en zich prompt weer wijden aan de studie van Indonesië en het oprakelen van de massamoord van 1965-66. Direct bloeide zijn liefde voor Indonesië weer op. Hij stierf er, vorige maand, in een hotel op Java.


Beeld: New Delhi, 15 december 2009. Foto: Shekhar Yadav / India Today Group / Getty Images