Benjamin Barber 2 augustus 1939 – 24 april 2017

Utopist tot het einde, geenszins een kamergeleerde. Benjamin Barber probeerde zijn visie op politiek in praktijk te brengen – en had gemengd succes.

Hier en daar werd vorige week Benjamin Barber herdacht – een ‘briljante’ denker – maar echt indrukwekkend was het niet. In Nederland stonden de grote kranten nog wel stil bij de dood van de invloedrijke politicoloog, maar in de VS, waar een paar van zijn boeken lang boven aan bestsellerlijsten stonden, en waar hij na de aanslagen van 11 september 2001 werd beschouwd als een ‘essentiële’ denker, was het mager. Niet eens alle grote kranten wijdden er een obituary aan; degene die wel over Barber schreven deden dat kort. Misschien is de tijd te veel veranderd voor het utopische toekomstbeeld dat hij schetste.

Het boek waarom hij het langst zal worden herinnerd droeg de onfortuinlijke titel Jihad vs McWorld, waarbij ‘Jihad’ voor iets anders stond dan heilige strijd (Barber schreef al in de tweede druk dat hij spijt had van dat woord) en de jeukende term ‘McWorld’ voor allerlei zaken waarvan het wereldwijde bereik van McDonald’s er slechts één was. Het is niet zo dat Barber uit noodzaak simpele taal gebruikte voor iets heel ingewikkelds, eerder had hij de neiging om in zijn boeken in pompeuze taal elk punt driemaal te herhalen in andere bewoordingen.

Dat is jammer, want het kernidee was simpel maar ook relevant en zijn tijd ver vooruit. Barber schreef Jihad vs McWorld eerst als artikel in The Atlantic, in 1992, toen als boek in 1995. Hij stelde erin dat een giftige vorm van economische globalisering zich over de wereld verspreidt waarin multinationals, banken en bevriende politici samenwerken (‘McWorld’). Het Westen werkt actief mee aan die vorm van globalisering. Dat roept verschillende soorten tegenstand op in westerse en niet-westerse landen, waaronder het verzet van religieuze, etnische of nationalistische extremisten (‘Jihad’). Barber zag als oplossing werkelijke, inclusieve democratie die meer was dan een electorale schaamlap voor elitebelangen.

Barbers schets van een wereld als strijdperk van de ‘universele kerk van de markt en de tribaliserende identiteitspolitiek’ leek onwaarschijnlijk goed te passen bij de aanslagen van 9/11. In de nasleep daarvan werd Barber links en rechts uitgenodigd om uit te leggen wat er gaande was in de wereld. Maar hij bood geen simpel schema om te begrijpen wat er mis was of wat de VS eraan moesten doen. En zo werd zijn Jihad vs McWorld, in tegenstelling tot Fukuyama’s End of History en Huntingtons Clash of Civilizations, nooit een ingeburgerd begrip.

Barber vond burgemeesters belangrijker dan de VN

Onder invloed van de oorlog tegen terrorisme keerde Barber terug naar het hoofdthema van zijn carrière: democratie – gedecentraliseerd, van het volk zelf, egalitair en voor iedereen. Het was een visie op politiek die Barber in zijn jeugd in Greenwich Village in New York had overgenomen van zijn vader. Die was directeur van New Yorks Federal Theatre Project, een volkstheater dat in de jaren dertig met politieke voorstellingen arbeiders bewust wilde maken over woningnood, stakingsrecht en andere sociale kwesties. Dezelfde thema’s werden er nog eens ingehamerd op Barbers progressieve kostschool.

Na de kostschool begon Barber aan een levenslange tocht langs universiteiten: eerst als student in Zwitserland, Iowa, Londen en Harvard, daarna als docent aan onder andere Rutgers, Maryland en Southern California. Het was aanvankelijk een deceptie. Hij ging de wetenschap in op zoek naar een wereld waar mensen ‘gepassioneerd waren over ideeën, lesgeven, discours’, zei hij in een interview in The Washington Post. ‘Maar ik ontdekte een wereld van kleinzielige, ruziënde werkers, die daar vaak alleen zaten omdat ze geen idee hadden wat ze anders moesten doen.’ En dus probeerde hij aan New York City University een centrum op te zetten waar hij kon werken aan de oplossingen voor de wereld die hij voor zich zag.

Het in de praktijk brengen van zijn ideeën slaagde niet altijd, zoals de door hem bedachte Interdependence Day, elk jaar te herdenken op 12 september. Zijn minst geslaagde moment in dit opzicht was zijn vrijage met Muammar Kadhafi. Hij was een paar keer bij de Libische dictator langs geweest (volgens zijn critici voor aanzienlijke gages) en prees vervolgens in The Washington Post Kadhafi aan als een ‘complexe en adaptieve denker’ die ‘sprak over een nieuw hoofdstuk voor Libië en dat ondersteunde met echte sociale verandering’. Het leverde hem de scheldnaam ‘Kadhafi’s Riefenstahl’ op.

Het beste moment was vorig jaar, toen het Wereld Parlement voor Burgemeesters voor het eerst bijeenkwam in Den Haag, een uitvloeisel van Barbers ideeën over staten en steden. Al decennia had Barber zich verzet tegen de neiging van staten om van bovenaf oplossingen op te leggen, vaak ideologisch gemotiveerd en nog vaker slecht bedacht en uitgevoerd. In If Mayors Ruled the World: Dysfunctional Nations, Rising Cities beschreef hij in 2013 hoe steden die logge en inefficiënte staten steeds vaker links laten liggen en hun eigen, pragmatische oplossingen bedenken voor concrete problemen – een boek dat overal ter wereld op de nachtkastjes van belangrijke mensen lag. Steden waren de weg vooruit, vond Barber, naar betere oplossingen en echte, inclusieve en pluralistische democratie. Hij hoopte dat het parlement voor burgemeesters belangrijker zou worden dan de VN.

De verkiezing van Trump belichaamde alles waar Barber tegen was en de laatste maanden van zijn leven, toen hij al streed tegen kanker, besteedde hij aan het waarschuwen voor hem. Trumps overwinning was de overwinning van het verleden, betoogde Barber, van het extremisme over democratie, van het platteland over de stad. Hij kon zijn laatste boek, Cool Cities, nog net vasthouden voor hij overleed; een boek over steden die klimaatverandering samen aanpakken en populistische landsregeringen links laten liggen. Een utopist tot het einde.