China heeft ondanks zichzelf een Culturele Revolutie Museum

«Bent u erop uit ons land te vernederen?»

In de Zuid-Chinese havenstad Shantou staat het eerste en enige museum van het land dat is gewijd aan de Culturele Revolutie. Het is niet altijd open, maar dat het bestaat is al verbluffend.

SHANTOU – Als Peng Qian, de stichter van het eerste en enige museum ge wijd aan de Culturele Revolutie, te voorschijn zou durven komen, moet hij toch eens uitleggen waarom hij zijn museum juist vestigde op deze stille heuveltop bij een verafgelegen provinciestad. Maar sinds de opening in januari gedraagt hij zich als een kluizenaar. Zijn secretaresse meldt dat hij ook vandaag niet beschikbaar is voor een praatje met een buitenstaander. Dat zal niet zijn omdat hij het te druk heeft met zijn museum, want nu, op een woensdagochtend, is de deur op slot en op het eerste gezicht is er in de wijde omgeving geen mens te bekennen. De vogeltjes fluiten, de zon schijnt en het gebouwtje in de vorm van een Chinees klassiek paviljoen ligt er in taoïstische rust bij. Een rust waarachter de argwanende bezoeker on mid dellijk de dictatoriale hand van de overheid vermoedt, want in dit land, waar alle geschiedschrijving per definitie uit de koker van de overheid komt, kan dit onafhankelijke mu seum over de Culturele Revolutie geen lang leven beschoren zijn.

Die verdenking blijkt na een paar minuten zoeken te voorbarig. De ware reden voor het verlaten museum is simpel en menselijk. De suppoost, meneer Du, is uit verveling maar een uurtje vroeger gaan lunchen. «Er was vandaag nog helemaal niemand, vandaar», verontschuldigt hij zich terwijl we teruglopen naar het museum. «In het weekend komen er wel eens wat meer mensen.»

Of dit museum nou bezoekers krijgt of niet, het feit dat het wordt getolereerd is niet minder dan verbluffend. Stichter Peng Qian, voormalig vice-burgemeester van Shantou, heeft weliswaar uitstekende politieke contacten, maar dat hij deze politiek incorrecte expositie op zijn naam durft te zetten is voor Chinese begrippen ongekend uitdagend.

Het verhaal en de beelden mogen bekend worden verondersteld. Op zwarte fotogeëtste granieten panelen staan de scènes van een land in de greep van complete waanzin. Uitgelaten pubers dwingen hun leerkrachten te knielen op gebroken glas en slepen hen schaterlachend door de straten. Gezichten staren met ogen hol van angst de cameralens in, terwijl links en rechts boeddhabeelden aan stukken worden geslagen en boeken, scholen en fabrieken in vlammen opgaan. Een tien jaar durende hel, miljoenen verwoeste levens en honderdduizenden doden. En wie daar uiteindelijk verantwoordelijk voor was: precies dat wordt de bezoeker hier controversieel genoeg keihard ingewreven, want Mao Zedong is hier overal. Met zijn rode armband om neemt hij stralend de massaparades van zijn Rode Gardes af, hij zit zijn revolutionaire vergaderingen voor en begeeft zich triomfantelijk onder het juichende volk.

«De Culturele Revolutie was de blindste, onmenselijkste, de meest absurde van alle tragedies», staat er te lezen op een gedenkplaat in de woorden van de schrijver Ji Xianlin. «We mogen het nooit vergeten.» Maar vergeten is wat China nu juist al die jaren met alle macht heeft geprobeerd te doen. Onmiddellijk na Mao’s dood in 1976 werd de Culturele Revolutie door Peking tot voltooid verleden tijd verklaard. De Bende van Vier van Mao’s vrouw Jiang Qing werd tot lange gevangenisstraffen veroordeeld, en daarmee was de periode of ficieel afgehandeld. De bevolking werd geacht er niet meer over te zeuren. Ouwe koek. In het onderwijs en de media wordt er dan ook tot op de dag van vandaag nauwelijks aandacht aan besteed en wetenschappelijk onderzoek naar deze periode werd ontmoedigd.

Een beleid dat opvallend genoeg sterke weerklank vindt onder de bevolking. De Culturele Revolutie geldt als een spookachtig taboe waarover in beschaafd gezelschap wordt ge zwegen. Die mentaliteit wordt tijdens de te rugrit naar de stad door taxichauffeur Liu perfect onder woorden gebracht: «Waarom moest u zo nodig naar een museum dat over iets verdrietigs gaat?» vraagt hij zich af, verbaasd over de perverse buitenlandse interesse naar het pijnlijke verleden. «We hebben hier in de om geving toch zoveel mooie dingen om te bekijken. Bent u er misschien op uit ons land te vernederen?»

Geschiedenis is overal ter wereld elastisch, maar op Noord-Korea na is er geen land ter wereld te vinden waar de werkelijkheid zo ver kan worden opgerekt, heringevuld of eventueel geheel vergeten als China. De Culturele Revolutie is maar een voorbeeld in een lange reeks gebeurtenissen die spectaculaire geheugenstoornissen blijken te veroorzaken. Om wat uiteenlopende voorbeelden te noemen: een groot deel van de bevolking is ervan overtuigd dat China in de jaren vijftig de Amerikaanse legers in de Koreaanse oorlog verpletterde en dat Eisenhower Mao om genade smeekte. De hele vernederende oorlog tegen Vietnam in 1979 is voor het gemak compleet uit de schoolboekjes geschrapt, samen met de Indiase grensoorlog van 1962 en de slachting op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989. Maar soms, onbedoeld, hebben de geschiedschrijvers humor. Er wordt op sommige scholen onderwezen dat Djengis Khan – de meest succesvolle veroveraar die de wereld ooit heeft gekend, gesel van het Westen, held van Mongolië – eigenlijk een brave zoon van China was.

«Met het oplaaiende Chinese nationalisme worden de pogingen om de geschiedenis te herinterpreteren en te herschrijven een geliefde nationale hobby», zegt Yu Maochun, een geschiedenisprofessor verbonden aan de Amerikaanse Maritieme Academie in Annapolis. «En het fascinerende is dat het de bevolking diep raakt. Want net als de maoïstische propaganda veertig jaar geleden wordt het vrijwel overal kritiekloos geslikt.»

Yu Shicun, een analist voor de onafhankelijke liberale denktank Strategie en Management in Peking, kan zich in die vergelijking met propaganda uitstekend vinden. Hij denkt wel dat het probleem ouder is dan het moderne nationalisme of zelfs het communisme. «Geschiedschrijving in dit land heeft nu eenmaal nooit zo veel met de waarheid te maken gehad», zegt hij. «Onder de communisten ze ker niet en onder de keizers ook al niet. Het uiteindelijke doel ervan is de bevolking een opgepoetst plaatje voor te toveren dat het land en vooral de regeerders vrijpleit van iedere blaam.» Volgens Yu is de definitie van een natie een groep mensen die mythen over zichzelf verzinnen ter onderscheiding van andere groepen of naties: «En dan kunnen die mythen volgens ons, Chinezen, maar beter mooi, heldhaftig en moreel hoogstaand zijn. Al het negatieve over onszelf sluiten we bijna vanzelfsprekend uit. Dat is heel wat geruststellender dan herdenken, terugdenken en mijmeren over begane fouten.»

Zo’n historisch absolutisme verklaart dan misschien wel waarom het buitenland en vooral Japan het volgens China altijd heeft ge daan, maar het verklaart niet waarom dat eigenwijze Culturele Revolutie Museum bij Shantou wordt getolereerd. Dat snijdt in eigen vlees. Daar worden helemaal geen sussende sprookjes verteld. De waarheid is daar zelfbeschuldigend wreed en hard. Yu denkt dan ook vrijwel zeker te weten dat de dagen van het museum zijn geteld. Aandacht in de pers brengt dat einde volgens hem alleen maar dichterbij.

Geschiedenisprofessor Yang Liwen van de Peking Universiteit is ook niet gerust over de toekomst van het museum, maar hij vindt de mythetheorie van Yu Shicun te gepolijst om werkelijk greep te krijgen op de weerbarstige werkelijkheid. Hij denkt dat er wel degelijk uiterst langzaam en behoedzaam een kentering komt in de officiële blik op de Culturele Revolutie. Zo verzorgt Yang nu al een tijdlang een succesvol oral history-project over de periode, wat volgens hem de meest subtiele en oogluikende toestemming heeft van de partij. Hij zegt er wel nooit een echt ja over te zullen horen, maar hij denkt te weten waarom het vooralsnog stil mag voortbestaan: «Vergeet niet dat de slachtoffers van de Culturele Revolutie vooral uit de bovenlaag kwamen», zegt hij. «Zij werden naar het platteland gestuurd en hebben daar jarenlang in diepe armoede geleefd. Maar na hun terugkeer naar de steden werd het de groep die nu weer de politieke en culturele elite vormt.» Ook Peng Qian, de oprichter van het Culturele Revolutie Museum, is een gepensioneerde hoge bureaucraat.

Buiten dit voor de regeerders geruststellende onderonsje speelt volgens Yang ook het veel diepere taboe over het Plein van de Hemelse Vrede in 1989 een grote rol: «Alles over 4 juni blijft ook in de komende jaren nog absoluut verboden. Daar zijn de wonden nog veel te vers voor. Maar de partij lijkt te denken dat met iets meer ruimte voor de Culturele Revolutie de druk op de autoriteiten wat minder wordt. Bovendien is het volgend jaar de veertigste verjaardag van het uitroepen ervan.» Of de slachtoffers dat dan voorzichtig mogen herdenken is de grote vraag, maar als de geruchten juist zijn, gokt zelfs de meest intuïtieve zakenman van de Chinese wereld op meer openheid over de Culturele Revolutie. De rijkste man van Azië, de Hongkonger Li Ka-shing, zou een deel van de één miljoen euro tellende begroting van het museum voor zijn rekening hebben genomen.