De politieke elite democratiseert

Bent u wakker?

Met de LPF en de PVV drongen nieuwe sociale groepen de politieke elite binnen en kwamen tot dan toe verzwegen onderwerpen in de Tweede Kamer terecht. Het populisme als democratisering.

MET DE GRONDWET van 1848 verdwenen de standen uit de staat, zoals Hans Daalder dat ooit zo mooi formuleerde, maar dat was voorlopig alleen in juridische zin het geval. Tot ver in de negentiende eeuw werden de leden van de Staten-Generaal gerekruteerd uit adel en patriciaat. In 1913 was nog steeds de helft van de volksvertegenwoordigers afkomstig uit de aristocratie. Politiek was in de negentiende eeuw een zaak van ‘Heren van Stand’ die op sociëteiten de publieke zaak bediscussieerden en hun vertegenwoordigers aanwezen die ze naar de Tweede Kamer afvaardigden. Het districtenstelsel paste bij deze wijze van politiek bedrijven.

En toch, in de tweede helft van de negentiende eeuw traden steeds meer gewone burgers toe tot de Tweede Kamer. Het waren vooral advocaten en dominees, met name voor de nieuwe politieke partijen die claimden bevolkingsgroepen te vertegenwoordigen die tot dan toe uitgesloten waren van de politiek: de 'kleine luyden’ en de arbeidersklasse. De ARP en de SDAP waren de eerste moderne massapartijen. De laatste werd door linkse tegenstanders wel als 'Socialistische Dominees en Advocaten Partij’ aangeduid. 'Politiek werd een epos’, schrijft Remieg Aerts in Het aanzien van de politiek, 'een strijd van goed en kwaad; de partij een familie, de leiders profeten, helden en verlossers.’ Het lag dus wel voor de hand dat juist advocaten en dominees zich geroepen voelden de belangen van deze buitengesloten groepen te verdedigen. Politiek was een roeping, geen beroep. Maar de invoering van het algemeen kiesrecht markeerde de opmars van de burgerij in de Tweede Kamer.

Adel en patriciaat zouden het openbaar bestuur nog veel langer domineren. Sociale democratisering - die zich in eerste instantie aandiende als professionalisering van het bestuur - zou pas na de Tweede Wereldoorlog echt doorzetten. Kijken we eerst naar de eerste naoorlogse regeringen dan zien we daarin veel jonge mannen optreden met nieuwe academische opleidingen. De gemiddelde leeftijd van de eerste kabinetten was rond de veertig. Kijken we naar de ontwikkelingen in de decennia daarna dan zien we de academici gestaag oprukken.

De democratie werd na de oorlog een democratie van ambtenaren en (hoog)leraren. Zij kwamen vaker dan voor de oorlog uit middenstandsgezinnen en hadden ook inhoudelijk vernieuwende ideeën. Adel en patriciaat waren voor de oorlog al verdwenen uit de Tweede Kamer, zij verdwenen nu ook uit het openbaar bestuur. Alleen in het corps diplomatique en in het burgemeestersambt wisten zij hun positie nog een tijdje te behouden. We kunnen de periode 1945-1965 beschouwen als een periode van sociale democratisering.

EEN POLITIEKE democratiseringsgolf vond plaats in de jaren zeventig en tachtig toen de naoorlogse generatie zich meldde. Deze golf van babyboomers zou weinig verandering brengen in de sociale samenstelling van de elite. Ook zij kwamen vooral uit de middenklasse en ook zij hadden bijna zonder uitzondering (André van der Louw was zo'n uitzondering) een academische opleiding. Maar ze hadden, anders dan hun voorgangers, meestal sociale wetenschappen gestudeerd. Het was de generatie van logen en gogen. Hun doelstellingen lagen vooral op het terrein van de bestuurlijke en politieke vernieuwing (D66). Binnen de PVDA streefde Nieuw Links naar een verlinksing van het programma. In het pamflet Tien over Rood (1966) werden radicale eisen geformuleerd (twee procent van het nationale inkomen naar ontwikkelingshulp; verhoging van de successierechten tot 99 procent). Maar Nieuw Links eiste ook bestuurlijke vernieuwing.

De politieke revolte van de jaren zeventig bracht opnieuw een verjonging teweeg in het openbaar bestuur, hoewel de generatie die van de nieuwe democratiseringsgolf het meest profiteerde tussen 1935 en 1945 geboren was. De babyboomers zouden pas aan de macht komen tussen 1990 en 2010, zoals Hubert Smeets heeft laten zien (Lijst van bewindslieden geboren na 1943, Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen, verkregen via Hubert Smeets). De laatste bolwerken van adel en patriciaat, de burgemeestersposten en het corps diplomatique werden aan het eind van de twintigste eeuw gesloopt.

INSPRAAK werd het wachtwoord van het openbaar bestuur in het laatste kwart van de twintigste eeuw. De burger werd daadwerkelijk bij het bestuur betrokken. Alle domeinen van beleid werden opengesteld voor publiek debat en publieke beïnvloeding, met uitzondering van een beperkt aantal traditionele terreinen: defensie, buitenlandse betrekkingen (inclusief Europa) en het bestuur van de overzeese rijksdelen. 'Congressen kopen geen straaljagers’, zei minister van Defensie Henk Vredeling in 1975 uitdagend op een PVDA-congres dat zich verzette tegen de aanschaf van een nieuw type gevechtsvliegtuig, de F16. Het besluit om Suriname onafhankelijkheid te verlenen werd evenmin onderworpen aan het oordeel van een partijcongres, laat staan aan een referendum. Ook het Surinaamse volk mocht zich alleen via het Surinaamse parlement uitspreken, niet via een volksraadpleging.

De uitbreiding van de EEG in 1973 (Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk), 1981 (Griekenland) en 1986 (Spanje en Portugal), maar ook de omvorming tot Europese Unie, de aanschaf van een gemeenschappelijke munt, de uitbreiding van de Europese Unie: het werd allemaal besloten zonder veel discussie. Er was wel sprake van democratisering van de krijgsmacht, maar de besluitvorming over de krijgsmacht werd niet in dezelfde mate gedemocratiseerd. Er was wel sprake van democratisering van het corps diplomatique, maar het buitenlands beleid werd niet in dezelfde mate onderwerp van democratisch debat. Er was wel sprake van democratisering van de Europese Gemeenschap, onder meer door vergroting van de invloed van het Europees Parlement, maar er was niet in dezelfde mate sprake van democratische besluitvorming over het Europese project als zodanig.

Het besluit om, begin jaren zestig, de rekrutering van gastarbeiders uit Spanje, Griekenland, Turkije en Marokko toe te staan werd in de Tweede Kamer nauwelijks besproken, ook al zouden de gevolgen van dat besluit van verstrekkende betekenis zijn. De immigratie die het gevolg was van de gezinshereniging van die gastarbeiders in de jaren zeventig en tachtig werd nooit tot inzet van de verkiezingen gemaakt. De rechtse partijen die zich verzetten tegen immigratie en gezinshereniging, de CP, later CD en CP'86, werden gecriminaliseerd. Dat gold aanvankelijk ook voor de SP, die in 1983 de brochure Gastarbeid en kapitaal uitbracht. De SP pleitte daarin niet alleen voor beperking van de immigratie, maar ook voor een assimilatiebeleid, in plaats van 'integratie met behoud van eigen cultuur’. Die cultuur was, zo meende de SP, in veel gevallen een achterlijke plattelandscultuur die de gastarbeiders bijzonder geschikt maakte om als loondrukkers en stakingsbrekers te gebruiken. Door de Anne Frankstichting werd die brochure als racistisch bestempeld.

Wij weten dat in elk geval vanaf 1994 - als er betrouwbare cijfers beschikbaar zijn - de meerderheid van de Nederlandse bevolking voor beperking van de immigratie was en dat diezelfde meerderheid van de immigranten eiste dat ze zich aan onze cultuur aanpasten. De politieke partijen waren echter van mening dat de integratie van immigranten alleen kon plaatsvinden 'met behoud van eigen identiteit’. Toen in 1988 in een VVD-nota werd voorgesteld het leren van Nederlands verplicht te stellen, werd dit door de directeur van het Centrum voor Buitenlanders, Mohammed Rabbae, als 'racistisch’ betiteld en Hans van Mierlo beschouwde de nota als 'rabiaat rechts’. Nog in 1997 werd Hans Janmaat veroordeeld omdat hij zich tegen de multiculturele samenleving keerde. De opvatting van een meerderheid van de Nederlandse bevolking werd daarmee strafbaar gesteld.

En toen kwam 9/11, en daarna de moord op Pim Fortuyn en vervolgens de moord op Theo van Gogh. Inmiddels had Geert Wilders - samen met Gert-Jan Oplaat - in juni 2004 zijn Tien Punten Plan gelanceerd, dat een heel andere toon aansloeg dan Tien over Rood veertig jaar eerder. Tot verbijstering van de politieke elite bleek dit rechtse programma te kunnen rekenen op steun onder de bevolking. In 2010 was de meerderheid van de kiezers het eens met een groot deel van de in 2004 geformuleerde eisen (zie kader).

HOE MEN OOK AANKIJKT tegen de opkomst van Fortuyn en Wilders, het is onmiskenbaar dat hun aanhang voor een deel bestaat uit mensen die lager opgeleid zijn dan gemiddeld en vaak niet stemden vóórdat zij op de LPF of op de PVV stemden. En toch heeft politicologisch onderzoek van Wouter van der Brug uitgewezen dat de sociale kenmerken van kiezers die op de LPF stemden niet sterk afweken van die van de andere kiezers. LPF- en PVV-kiezers zijn 'gewone’ kiezers die, net als andere kiezers, stemmen op de partij met het programma dat het dichtst staat bij hun eigen ideologische voorkeur. Politiek cynisme was, zo blijkt uit Van der Brugs onderzoek, niet de oorzaak van een keuze voor Fortuyn, maar juist een gevolg daarvan.

De reden is bij nader inzien niet moeilijk te vinden. Wie op een kandidaat stemt die als een van de eersten het immigratievraagstuk heeft geagendeerd en vervolgens om politieke redenen wordt vermoord, heeft reden te over om cynisch te worden. In een na de moord op Fortuyn verspreide e-mail die ik op 8 mei 2002 ontving, schreef ene Marjon: 'Politiek Den Haag, bent u wakker? Een van de uwen is vermoord! Een echte “volksvertegenwoordiger”. Een vertegenwoordiger die eindelijk liet horen wat miljoenen Nederlanders al jaren roepen. Maar u wilde niet luisteren naar die “Racistische Nederlanders”. Hebt u nu uw zin? Onze hoop in deze afgegleden maatschappij is vermoord! Waarom? Om de zogenaamde vrije meningsuiting die wij hebben! Die hebben wij niet! Niet echt! Want daar krijg je de kogel voor! We moeten inspraak eisen, permanent. Dicht samen de kloof tussen ons en het parlement!!!’

Het is een noodkreet van iemand die zich uitgesloten voelde van het publieke debat omdat haar opinies over immigratie en de multiculturele samenleving als racistisch bestempeld werden en daarmee tot 'verboden woorden’. Dat gebeurde niet alleen door linkse politici, dat gebeurde 'Kamerbreed’. Maar wél was het in de ogen van de door Fortuyn gemobiliseerde kiezers zonneklaar dat de 'Linkse Kerk’ daarvoor de meeste verantwoordelijkheid droeg.

Ook al vindt Van der Brug dat de LPF-kiezer lager opgeleid is en dat hij overwegend autochtoon is, toch is er volgens mij weinig reden om te spreken van een sociale emancipatie van een uitgesloten groep kiezers: de LPF-kiezers en ook de PVV-kiezers vormen geen specifieke groep. Er was slechts sprake van een politieke democratisering: thema’s die door de politieke partijen tot taboeonderwerpen waren verklaard werden door Fortuyn en Wilders op de agenda gezet: de stroom van asielzoekers en 'importbruiden’; het heersende cultuurrelativisme, de chaos in het onderwijs, de slechte verzorging van onze bejaarden.

Met de LPF en de PVV drongen wél nieuwe sociale groepen de politieke elite binnen. Fortuyn werd financieel gesteund door mensen die in de jaren negentig fortuin hadden gemaakt: vastgoedhandelaren, pornobazen en entertainmentondernemers. Maar Fortuyn rekruteerde ook veel academici uit de bètahoek. Er stonden opvallend veel medisch specialisten op de LPF-lijst; vrouwen daarentegen vielen snel af (Winnie de Jong bleek bipolair en Philomena Bijlhout loog over haar relatie met Bouterse). De LPF-Tweede-Kamerfractie werd geteisterd door interne twisten en intriges. Het aanzien van de politiek werd er ernstig door geschaad. In mei 2002 haalde de LPF 26 zetels, bij de Tweede- Kamerverkiezingen in 2003 waren dat er nog maar acht. De nieuwe fractie viel al snel uiteen. Bij de Tweede-Kamerverkiezingen haalden de verschillende groeperingen die uit de LPF waren voortgekomen geen zetels meer.

De PVV die Wilders een jaar eerder had opgericht - en die geen leden kende - haalde in 2006 tegen alle verwachtingen negen zetels. Vergeleken met Fortuyn had Wilders zijn kandidaten vrij zorgvuldig geselecteerd. Wilders was wars van LPF-achtige toestanden. Hij hield daarom de vastgoedjongens op afstand. In de periode 2006-2010 zou de nieuwe fractie zonder al te veel incidenten overeind blijven. Alleen Dion Graus en Hero Brinkman kwamen in het nieuws wegens geweldsdelicten, maar Wilders wist de imagoschade tot een minimum te beperken. Uiteindelijk zorgde Hero Brinkman toch voor tweespalt met zijn voorstel om de PVV te democratiseren.

Die tweespalt in de PVV-fractie maakte dat Wilders in 2010 zijn nieuwe mensen primair op loyaliteit selecteerde. Mensen die zich kritisch opstelden, werden van de lijst afgevoerd. Dat overkwam Ehsan Jami en Geert Tomlow, die zich allebei kritisch hadden uitgelaten over de 'kopvoddentaks’. Hero Brinkman kreeg een lage plaats op de lijst. De angst om de controle te verliezen in de fractie moet Wilders minder waakzaam hebben gemaakt voor zwakke plekken in het cv van potentiële kandidaten.

Een tweede strategische keuze van Wilders was het 'grachtengordelgehalte’ van de PVV zo laag mogelijk te houden. 'Gewone mensen’ zouden de PVV-fractie moeten vormen, geen mensen uit de politieke of maatschappelijke elite. Wilders wilde de sociale democratisering bevorderen. De wens om 'Henk en Ingrid’ zelf in de Tweede Kamer te laten kiezen ging ten koste van de technische expertise van de kandidaten. Het ging om de juiste mentaliteit; dossierkennis kon altijd later nog bijgebracht worden.

Maar het aantal PVV-Kamerleden met een klassiek profiel is nog steeds heel groot: academici vormen ook in de PVV-fractie de meerderheid. Van een sociale democratisering is maar in beperkte zin sprake.

IN POLITIEKE ZIN zorgde de PVV, in navolging van de LPF, wél voor democratisering. De PVV politiseerde beleidsterreinen die daarvoor alleen in ambtelijke kr

ing werden besproken. In feite nam de PVV een groot deel van de agenda van Fortuyn over. Naast het immigratie- en integratievraagstuk, dat al door Frits Bolkestein was geagendeerd, en de Europese eenwording, door de SP geagendeerd, brak Wilders de discussie open over het beleid ten aanzien van de Nederlandse Antillen, het koningshuis en het milieu.

Nog nooit had een Tweede-Kamerlid zich zo duidelijk uitgesproken over de positie van de Nederlandse Antillen: zij moesten uit het koninkrijk. Dat had al in het verkiezingsprogramma van 2006 gestaan, maar in oktober 2007 veroorzaakte Wilders veel opschudding met zijn uitspraak dat Nederland Curaçao op marktplaats.nl zou moeten zetten. De eilanden - inclusief Aruba - waren 'een grotendeels corrupt boevennest’ (motie ingediend door Hero Brinkman op 5 december 2007). Op 17 september 2008 noemde Wilders de politieke elite van de Antillen een 'pina colada-maffia’. Nieuw waren de opvattingen van de PVV niet, want die worden gedeeld door veel Nederlandse ambtenaren die onderhandelingen met de Antillen hebben gevoerd. Nieuw was dat Wilders dit in de Tweede Kamer zei en dat Brinkman het ook nog eens op Curaçao durfde herhalen. Daarmee deed Brinkman precies wat Nederlandse politici altijd zorgvuldig vermeden hadden: het politiseren van de relatie met de Antillen.

Wilders leverde voor het eerst in de naoorlogse parlementaire geschiedenis politieke kritiek op leden van het koningshuis. Dat begon in september 2007 naar aanleiding van uitspraken van prinses Máxima bij de presentatie van een WRR-rapport, tot stand gekomen onder leiding van PVDA-senator Pauline van Meurs. Dat rapport droeg onmiskenbaar een links stempel en was om die reden ook al onderwerp van debat geweest. Vooral het feit dat de WRR pleitte voor de mogelijkheid van een dubbel paspoort schoot rechtse politici en journalisten in het verkeerde keelgat. Máxima deed daar nog eens een schepje bovenop door bij de presentatie een onversneden GroenLinkse toespraak te houden, waarin zij het multiculturele ideaal onderstreepte. Wilders had maar weinig woorden nodig om de toespraak van de toekomstige koningin van Nederland te karakteriseren: 'Goedbedoelde politiek correcte prietpraat.’

Maar ook de koningin zelf moest eraan geloven. Wilders was verontwaardigd over de kersttoespraak van koningin Beatrix in 2007. 'De naam PVV staat er nog net niet in. Maar het is een toespraak tegen ons, waarin het multiculti-ideaal wordt opgehemeld door iemand die niet gekozen is en die ik er politiek niet op kan aanspreken.’ Wilders vond dat de koningin uit de regering moest. Fortuyn had naar aanleiding van de affaire-Mabel Wisse Smit voorgesteld het staatshoofd een louter ceremoniële functie te geven, maar Wilders was de eerste die een politieke aanval lanceerde op de koningin zelf. En tot verbazing van de politieke commentatoren leidde die persoonlijke aanval niet tot een daling van de PVV in de peilingen.

Ook het milieubeleid werd door de PVV frontaal aangevallen. En ook hier leidde dit tot een politisering van het milieudebat.

Dat sprake is van een verrechtsing bestrijdt niemand meer. Maar veel mensen hebben er wel moeite mee om de processen die door Fortuyn en Wilders in gang zijn gezet op te vatten als een vorm van politieke democratisering.

Meindert Fennema is auteur van Geert Wilders: Tovenaarsleerling (2010) en hoogleraar politieke theorie van etnische verhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam

_* * *

Hoogopgeleide politici

'Ons land wordt geregeerd door zeer geleerden’, concluderen Mark Bovens en Anchrit Willems in hun boek Diplomademocratie: Over de spanning tussen meritocratie en democratie. 'Al vanaf 1940 is een academische bul in feite een conditio sine qua non voor het ministerschap. Ruim tachtig procent van de ministers heeft sindsdien een academische graad en ruim negentig procent behoort tot hoger opgeleiden.’ De publicatie meldt ook: 'In de loop van de afgelopen eeuw zijn er niet alleen steeds meer academici op het Binnenhof verschenen, ook hun disciplinaire achtergrond is veel diverser geworden. In de negentiende eeuw werden de kabinetten gedomineerd door juristen. De laatste decennia fluctueert dat echter tussen de veertig en de twintig procent. Vooral de sociale wetenschappen zijn tegenwoordig in opkomst. In de periode 1994-2010 kwam 33 procent van de bewindslieden uit die hoek.’_