H.J.A. Hofland

Benzine wordt duurder

Een volk kan het ongeluk hebben dat het woont in een land met grote, toegankelijke bodemschatten. Dat is niet bevorderlijk voor de algemene werklust en alles wat daaruit voortvloeit, een cultuur van ontdekkingsdrang, wetenschap, industrie. Dan kan zo’n volk door het volgende ongeluk worden getroffen, namelijk dat in het land een rigoureuze theocratie heerst met een absolute vorst, die pogingen tot verandering krachtig tegengaat. En een enkele keer komt daar dan nog een ongeluk bij: dat de koninklijke familie daar bevriend is met de familie Bush. Deze drie ongelukken bij elkaar vormen het signalement van Saoedi-Arabië.

Met enige regelmaat wordt dit land herontdekt als het potentieel gevaarlijkste van het Midden-Oosten. Meestal gebeurt het na een terroristische aanslag. De afgelopen twee jaar hebben bij dergelijke aanvallen ongeveer tweehonderd mensen, onder wie een aantal terroristen, het leven gelaten. Deze keer trok Saoedi-Arabië de mondiale aandacht door de dood van koning Fahd. Hoogwaardigheidsbekleders uit alle windstreken, van progressieve democratieën tot achterlijke dictaturen, kwamen naar Ryad om van hun droefheid te getuigen. Geen wonder. Een kwart van de bekende olievoorraad zit er in de grond. Meteen nadat de koning was gestorven, steeg de olieprijs tot het nieuwe record van 62,50 dollar per vat.

Wat wij voor een liter benzine aan de pomp gaan betalen, hangt nauw samen met wat er de komende jaren in Saoedi-Arabië zal gebeuren. De 83-jarige Fahd was al tien jaar geleden na een beroerte feitelijk opgevolgd door zijn halfbroer Abdulla, nu 81. De praktische vraag is of hij, eindelijk officieel verheven tot macht en waardigheid, nog iets aan de modernisering van zijn land en volk zal kunnen doen. Zijn staat van dienst wijst al niet op hervormingsdrift. En als de geest van vernieuwing zich nu plotseling van hem meester zou hebben gemaakt, dan is het niet waarschijnlijk dat hij op zijn leeftijd daarvan nog met aanstekelijke energie zal kunnen getuigen.

Opnieuw moeten we dus het feit onder ogen zien dat wij, in dit geval de hele industriële wereld, voor een groot deel van de olie zijn aangewezen op een wankele theocratie. De wahabitische geestelijkheid bepaalt de gang van het dagelijkse leven, het onderwijs is er op fundamentalistische leest geschoeid, de rechtspraak is die van de sharia, de godsdienstpolitie loert op de overtreders, vrouwen hebben er niets te vertellen. De koninklijke familie, waarvan de omvang wordt geschat op zevenduizend leden, afgezien van de aanhang, wil de inkomsten uit de olie niet verloren laten gaan.

Deze toestand kan niet veel langer worden bevroren. Saoedi-Arabië raakt onvermijdelijk ten prooi aan de conflicten van alle Arabische landen. De corrupte krachten van de traditie moeten zich aan de ene kant verdedigen tegen het islamisme, de politieke islam. Osama bin Laden is er populair. Aan de andere kant begint de aanhang, van wat we tegenwoordig noemen de moderniteit, zich te roeren. En dan zijn er de oude tegenstellingen binnen de islam. Bekijk de landkaart, de lange grens met Irak. De soennieten daar voelen zich meer en meer verdrukt door de zestig procent meerderheid van de sjiïeten. Saoedi-Arabië is voor het grootste deel soennitisch.

Geen mens weet wie in deze nu nog toegedekte baaierd van tegenstellingen bij een krachtmeting de sterkste zou zijn. Maar westelijke waarnemers die het land denken te kennen – zeker is dat niet – geloven dat een confrontatie naderbij komt. Saoedi-Arabië als aanstaand frontgebied. Is in Washington en de Europese hoofdsteden over dit zwarte scenario nagedacht? Een geforceerde democratisering naar het voorbeeld van Irak is uitgesloten. De Saoedi’s, schrijft The Economist deze week, hebben evenveel recht op democratie als de Irakezen. Het weekblad vermeldt er niet bij tegen welke prijs de betrokkenen nog steeds bezig zijn zich dit kostbare goed te ver werven. Een tot dusver uitzichtloze chaos en 25.000 burgerslachtoffers en tweeduizend gesneuvelde Amerikanen is niet gering. En er zal nog meer moeten worden betaald.

Maar afgezien daarvan: zou Amerika bereid en in staat zijn nog eens een ingreep naar het voorbeeld van Irak te ondernemen? In staat misschien wel, maar bereid: nee. Eén reden daarvan is dat in het verloop van de oorlog het geheel van de invasie, op deze manier ondernomen, zich als een waandenkbeeld heeft ontmaskerd. De tweede dat de grote neoconservatieve democratisering van het Midden-Oosten, waarvan Irak het begin had moeten zijn, tot een naïef hersenspinsel is gereduceerd. De derde dat Iran zich ontwikkelt tot een groter potentieel gevaar dan Saddam Hoessein sinds 1991, het einde van zijn Koeweit-avontuur, geweest is. De vierde dat president Bush een wankel koningshuis in Saoedi-Arabië meer vertrouwt dan een experiment met de volgende democratisering. Gelijk heeft hij, zo lang het duurt. En de vijfde dat Amerika onder dit bewind niet meer in staat zou zijn een coalitie op de been te krijgen om zich onder deze leiding in het volgende Arabische avontuur te storten.

De slotsom is dat, mocht het tot wat voor revolutie dan ook in Saoedi-Arabië komen, het Westen in zijn geheel geen beleid zou hebben. De oorlog in Irak moet nog een poosje verder worden gevochten. Mocht blijken dat Iran een kernwapen gaat maken, dan moeten we het eens worden over wat we daaraan gaan doen. De olie uit Saoedi-Arabië kunnen we niet missen. Daarom laten we de onderdrukte vrouwen daar voorlopig aanmodderen, in de hoop dat de nieuwe koning uit eigen beweging zal gaan democratiseren. Bommen gooien helpt niet.