25 maart 1910 – 30 april 2012

Benzion Netanyahu

Joden zullen zich alleen met geweld kunnen handhaven in deze vijandige wereld, geloofde de historicus Benzion Netanyahu. Hij vond dat zijn zoon Benjamin te veel concessies deed aan de ‘essentiële vijanden’, de Arabieren.

Dezelfde eigenschappen die we soms in historische verliezers of verzetsstrijders bewonderen, verafschuwen we vaak in winnaars en machthebbers. Onverzoenlijkheid is zo’n eigenschap. Als de onverzoenlijke het ook nog van historische verliezer tot winnaar schopt, ben je geneigd een breuklijn in zijn leven te zien die er in werkelijkheid misschien helemaal niet doorheen loopt.

Dat is het geval bij Benzion Netanyahu, vader van de officier Jonathan Netanyahu die bij de bevrijding door zijn eenheid van een gekaapt vliegtuig in het Oegandese Entebbe in 1976 sneuvelde, van de huidige premier Benjamin Netanyahu en van de radioloog en toneelschrijver Iddo Netanyahu. Hij is 102 jaar oud geworden, oud genoeg om de hele vorige eeuw te overzien én om er afstand van te nemen. Tot dat laatste is hij niet in staat gebleken. Hij begon zijn werkzame leven als vertegenwoordiger van een seculier, strijdbaar en politiek zelfbewust jodendom dat weigerde nog langer de voetveeg van de geschiedenis te zijn. Hij eindigde als een Arabieren-hater en verdediger van de Israëlische bezettingspolitiek, zo verbitterd dat zelfs de oerconservatieve premier Menachem Begin hem van ‘rechts-extremisme’ kon beschuldigen zonder uitgelachen te worden.

Netanyahu vond op zijn beurt Begin een ‘slapjanus’. Ex-premier Yitzhak Shamir, die in 1991 aan het vredesoverleg in Madrid deelnam, wilde hij niet eens een hand geven. De laatste jaren ontving hij zijn zoon Benjamin nog geregeld aan de keukentafel en beknorde hem boven de koffie met hamentashen omdat hij weer eens te veel concessies deed aan de Arabieren. Dat waren niet zomaar vijanden, meende hij, maar ‘essentiële vijanden’, tegenstanders die tot in het diepst van hun vezels joden haatten en hen als het kon allemaal zouden uitroeien.

Zijn Amerikaanse uitgever Jason Epstein, zelf een overtuigd peacenik, schreef in een portret van Benzion Netanyahu dat hun gesprekken over politiek doorgaans ‘kort’ waren. Dat klinkt aannemelijk. Toch leed zijn bewondering voor Netanyahu’s historiografische verdiensten er niet onder, schreef Epstein. Ook dat is begrijpelijk: dankzij zijn onverzoenlijke houding wist Netanyahu een belangrijke doorbraak in de geschiedschrijving van het jodendom, het koninkrijk Spanje en het antisemitisme te bereiken.

Antisemitisme was het eerste ervaringsfeit van zijn leven. Hij werd geboren in Warschau toen dat nog deel uitmaakte van het pogromverslaafde tsarenrijk. Zijn vader Nathan, een zionistische rabbijn, nam zijn vrouw en negen kinderen mee naar Palestina en veranderde de familienaam in Netanyahu (‘godsgeschenk’). Benzion studeerde geschiedenis aan de Hebreeuwse universiteit in Jeruzalem. Zijn broer Elisha, die er wiskunde studeerde, tekende na zijn studie bij het Britse leger en vocht tegen de Duitsers in Noord-Afrika en Italië. Benzion sloot zich aan bij de Revisionisten, een groep radicale zionisten onder leiding van Vladimir Jabotinsky die vond dat de joodse leiders in Palestina te veel toenadering zochten tot de Britten en Arabieren. Jabotinsky pleitte voor een ‘groot-Israël’ dat heel Palestina en Jordanië moest omvatten en dat door een ‘ijzeren muur’ van de Arabieren gescheiden moest worden. Benzion volgde Jabotinsky in 1940 naar de Verenigde Staten en wist aldaar zowel de Republikeinse als de Democratische Partij ervan te overtuigen dat er een joodse staat moest komen.

Intussen promoveerde hij in Philadelphia op het leven van Isaac Abrabanel, een middeleeuwse joodse leider die had gepoogd de verdrijving van de joden uit Spanje te voorkomen. Dat proefschrift was de basis voor een serie monografieën waarin hij de jodenvervolgingen in het laat-middeleeuwse Spanje in een nieuw licht plaatste. De gangbare opvatting, die voornamelijk berustte op katholieke bronnen, luidde dat veel Spaanse joden zich voor de schijn tot het christendom hadden bekeerd toen de koning in 1492 alle joden in zijn land de wacht aanzegde. Deze conversos (‘bekeerlingen’) werden een eeuw later nog door de Inquisitie op de huid gezeten, gemarteld en vermoord omdat ze een joodse vijfde colonne zouden vormen.

Netanyahu stelde dat de meeste conversos wel degelijk volledig tot het christendom waren overgegaan. Juist omdat ze zo succesvol in het katholieke Spanje integreerden, werden ze door de Inquisitie en de hoge adel vervolgd. Het was een converso, de koninklijk secretaris Luis de Santangel, die Ferdinand en Isabella ertoe bracht de historische reis van Christoffel Columbus te financieren. Het waren conversos die de belangrijkste bisschopszetels bezetten, theologische scholen stichtten en, jawel, niet zelden tot de gehardste antisemieten behoorden. Dat zij niettemin werden vervolgd, had niets te maken met hun godsdienst en alles met hun ras, aldus Netanyahu. De Spaanse elite, irrationeel en racistisch tot op het bot, wilde koste wat het kost zijn limpieza de sangre (‘zuiverheid van het bloed’) herstellen.

Die stelling stuitte aanvankelijk op veel weerstand, uiteraard met name in Spanje, maar kreeg geleidelijk erkenning. Tegenstanders herriepen hun standpunten en Netanyahu’s boek The Origins of the Inquisition in Fifteenth Century Spain geldt nu als standaardwerk. De auteur zelf trok er echter een bredere conclusie uit: dat joden vanwege hun ras nergens welkom zijn en zich tot in lengte van dagen met geweld zullen moeten handhaven in een fundamenteel vijandige wereld. Of hij de toekomst een even grote dienst heeft bewezen als de geschiedenis, is uiterst twijfelachtig.