Beren, lynxen en drankgelagen

De zeven broers van Aleksis Kivi is nog niet doorgedrongen tot de canon van de wereldliteratuur, en dat is doodjammer. Wie moe is van literaire modes vindt in dit boek een medicijn.

Medium zevenbroersgallenkallela
De schilder Akseli Gallen-Kallela maakte rond 1900 illustraties voor het boek © Akseli Gallen-Kallela

Zelden heeft een boek me zo overrompeld als De zeven broers van Aleksis Kivi. Want ik zit in principe niet uit te kijken naar een roman van honderdvijftig jaar geleden, ook al geldt die in Finland als klassiek. Ik zit niet te wachten op een vertelling over druistige boerenzoons die niet willen deugen maar uiteindelijk steunpilaren van de samenleving worden. Ik word niet meteen tot kopen verleid door het bruine jasje met jaren-vijftiguitstraling waarin de nieuwe vertaling is gestoken.

Maar toen ik de uitgave door een gelukkig toeval in handen kreeg waren na een paar bladzijden mijn vooroordelen het raam uit. Gebiologeerd volgde ik de avonturen van de zeven broers uit de titel, jonge wildemannen, die niets liever doen dan jagen en knokken. Ze trekken altijd samen op, een aanzienlijk deel van het verhaal bestaat uit hun beraadslagingen en gebekvecht, zonder omwegen als toneeldialoog op het papier gekwakt.

‘Juhani: Jij bent het kwaaie keffertje uit het lied over de zeven sterke mannen.
Eero: Ik bijt terug en goed ook.
Juhani: Je bent een en al verbittering.
Aapo: Laat mij ook eens iets zeggen. Er zit wel een kern van waarheid in wat Eero net zei. Kijk, de verbittering die hij uitstraalt hebben we misschien voor een groot deel zelf veroorzaakt. We moeten niet vergeten dat we allemaal schepselen van dezelfde God zijn.
Timo: Precies. Als ik twee neuzen had, de ene als een schoenmakersleest en de andere als een half brood, wat hebben anderen daar dan mee te maken? Ik heb ze toch? (…)’

Dit soort gesprekken wordt afgewisseld met lange spookverhalen die de jongens elkaar vertellen, ook wordt er dikwijls in gezang losgebarsten. Dan is het weer tijd voor daden, er worden aanzoeken gedaan – met z’n allen, stikverlegen, aan één meisje! –, huizen getimmerd – na een dolle kerstnacht gaat het eerstgebouwde in vlammen op –, beren en lynxen omgelegd, drankgelagen aangericht. De jongens willen steeds het goede, gaan te werk met tomeloze inzet, maar alles loopt door dommigheid en koppigheid hopeloos in het honderd. Intussen is het onmogelijk om niet te gaan houden van dit stelletje ongeregeld, van de impulsieve oudste, zelfverklaard leider Juhani, van de verstandige vredestichter Aapo, van benjamin Eero, het aalgladde pestkopje: hoewel de broers alles samen doen, geeft Kivi ze individueel kleur en stem.

Terwijl ik me bedrink aan de heerlijke geschiedenis zoekt de geroutineerde lezer in mij, de frik, naar een plek voor de leeservaring. Wat is dit in hemelsnaam voor boek? Tot welk genre behoort het? Is het een streekroman? De Finse natuur wordt met liefde en aandacht beschreven, de auteur heeft een grondige kennis van het boerenbedrijf en het jacht-métier. Of is het eerder een heldendicht? De broers zijn, zeker in de actiescènes, larger than life:

Kivi heeft een geniale vertaler nodig. Voor het Nederlands heeft hij die gevonden in Adriaan van der Hoeven

‘Uit de magen van de stieren gulpte het bloed, de pis en de stront over de grond. Zo vochten de mannen met bleke gezichten in het aangezicht van de dood en de honden deden ook hun uiterste best door met tanden als nijptangen de stieren bij de keel te grijpen. Horen en zien verging je in die wirwar van omhoog en omlaag suizende knuppels en rondvliegende afgerukte stierenhorens. Het geroep van de broers, het gejank van de honden en het geloei van de dieren smolt samen tot een afgrijselijk geluid.’

De schrijver heeft Homerus goed gelezen, dat kan niet anders. Maar tegelijk is de vertelling een coming of age geschiedenis. Én een komedie: slapstick is nooit ver. Én een moraliteit: de broers leren zich beheersen, worden beschaafde christenmensen, hetgeen gesymboliseerd wordt door hun moeizaam leren van het alfabet en de catechismus. In een zoetelijk, slecht voorbereid hoofdstuk (gelukkig waren er in 1870 nog geen redacteuren. Meesterwerken hebben recht op afwijkingen) richten de gebroeders een verzoeningsfeest aan in de boerderij van herkomst, waar met elke voormalige vijand vriendschap gesloten wordt. Dan heeft De zeven broers een theatraal aspect door de levendige dialogen die het verhaal stuwen. En ten slotte is er nog iets wat ik niet eerder zo zag: het hoofdpersonage is niet één individu, maar een zevenkoppige kluwen, steeds in gesprek, democratie in actie! Het doet denken aan moderne psychologische theorieën, waarin de persoonlijkheid niet onder een centraal commando staat maar een tumult is van concurrerende invloeden.

Een amalgaam van stijlen en concepten. Dat het toch gaaf en authentiek werkt heeft wellicht te maken met de tijd en plaats van ontstaan en de achtergrond van de maker. Vóór de schepping van De zeven broers is de Finse aarde woest en ledig. De literatuur in de eigen taal bestaat op dat moment uit Elias Lönnrots indrukwekkende, uit volkse sagen samengestelde Kalevala, maar proza van importantie bestaat niet. Kleermakerszoon Aleksis Kivi is geen voor de hand liggende figuur om een centrale rol in de ontwikkeling van de literatuur te gaan spelen. Anders dan Lönnrot zal hij nooit de status van academicus bereiken, hij behoort niet tot de culturele elite. Zijn schoolcarrière verloopt met horten en stoten; de jonge schrijver leest en studeert op eigen houtje zijn literaire opvoeding bij elkaar, waardoor hij overigens bekend raakt met Shakespeare, Dante en Ludvig Holberg. Als hij de pen op papier zet is daar dus de objectieve noodzaak om zowel de taal als de manier van vertellen naar eigen inzicht te vormen. Dit lukt grandioos: Kivi’s ‘Er zij licht’ produceert een gigantische hoeveelheid energie, die alle kanten op gaat en die in het werk, na zoveel jaren, en bij alle culturele afstand, nazindert.

Behalve een structuur moest, of mocht, Kivi dus een schrijftaal scheppen; de power van zijn creatie is nog altijd voelbaar voor wie het Fins als moedertaal heeft. Dichter en vertaler Pentti Saarikoski, honderd jaar na het ontstaan van het boek:

‘Als je hem leest krijg je het gevoel dat hij de woorden zelf verzonnen heeft, alsof elk woord voor de allereerste keer gebruikt wordt. Het is duizend keer moeilijker om Kivi naar het Noors te vertalen dan Ibsen naar het Fins. Daarom is Ibsen internationaal bekender dan Kivi. Maar het maakt Kivi tegelijk een betere schrijver dan Ibsen.’

De schrijver heeft blijkbaar een geniale, minstens congeniale vertaler nodig. Voor het Nederlands heeft Kivi die gevonden in Adriaan van der Hoeven. De vitaliteit, de stijlmeanders, het gehussel in de registers worden zo raak getroffen dat je, net als Saarikoski, het gevoel krijgt: dit brood komt vers uit de bakkerij. Zo gebruikt Van der Hoeven voor gedestilleerd de term ‘sterkedrank’, aaneengeschreven. Volgens Van Dale mag dit, maar je ziet het vrijwel nooit. Het zeldzame woord geeft het begrip stiekem een exotisch, opwindend randje.

Misschien omdat Fins een kleine taal is mocht De zeven broers nog niet doordringen tot de canon van de wereldliteratuur, de titel heeft niet de reputatie van Oorlog en vrede of Don Quichot, boeken die altijd en overal in druk blijven. Ten onrechte en doodjammer. Want voor wie even moe is van literaire modes en hedendaagse problematieken is dit boek een elixer, een medicijn. Wel moet de bijsluiter de waarschuwing bevatten dat kort na inname nieuwe Nederlandse fictie als tuttig kan worden ervaren.