Beren op de weg

In mijn hotelkamer in Alberta lees ik ’s ochtends hoe Nederlandse twitteraars elkaar weer verwijten maken en allerlei verschrikkelijks toewensen en ik heb zomaar geen zin om terug te gaan naar Nederland, ondanks alles wat mij daar lief is. Maar juist óm alles wat mij daar lief is vlieg ik gewoon terug, ik besluit echter dat ik me tot die tijd nog eens goed onderdompel in de Canadese openmindedness en ga genieten van hun mildheid.

We gaan volgend jaar filmen in Canada en dat vindt men hier leuk. Of althans, die indruk geven ze je. Daar doen ze hun best voor.
De overheid van Alberta zet ons in een goed hotel, rijdt ons kosteloos rond in hun mooie stukje Canada om ons te helpen geschikte locaties te vinden.
Dag na dag toeren we door het prachtige landschap en beklimmen we hoge bergen in een degelijke wagen van staatswege die tegen een stootje kan.
Onze locatiescout heet Laszlo. Een Canadees van Hongaars/Slowaakse afkomst. Alberta is multicul. Chinezen, Sikhs, Vietnamezen et cetera. Een probleem is dat daar niet. Er wordt hard gewerkt en er is veel burgerzin. De stoepen zijn schoon en men schept er genoegen in om gezamenlijk ergens de schouders onder te zetten.
En bij film is zo’n houding handig. Je moet bij film georganiseerd zijn en hard willen werken. Ook word je in de filmerij vaak met tegenslag geconfronteerd en de bedoeling is dat je daar slagvaardig op reageert in het volle vertrouwen dat het dan wel goed komt.
Wanneer we diep in de Rockies een waarschuwingsbord zien over de aanwezigheid van grote beren, zeg ik dat we in Nederland de uitdrukking kennen dat er ‘beren op de weg’ zijn en dat dat betekent dat er van alles mogelijk mis kan gaan.
‘Beren zijn nooit op de weg’, zegt Laszlo. Ze staan hoogstens een eindje naast de weg. En dat is niet gevaarlijk, maar ‘hoogstens leuk of interessant’.
‘Worden er nooit mensen aangevallen door beren?’ vraag ik. De Nederlander in mij is toch dwangmatig op zoek naar slecht nieuws of mogelijk onheil.
‘Als je door het bos loopt zou het kunnen. Maar slechts één op de tien jaar heeft iemand dermate veel pech dat hij dat niet overleeft. In heel Canada. Verreweg de meesten kunnen het navertellen. Dan was het een once in a lifetime experience, zo’n close encounter, iets waar je je kleinkinderen over kunt vertellen.’
‘Een clouse encounter of the fur, kind’, zeg ik.
Laszlo doet net of hij het een meesterlijke woordspeling vindt. Of misschien vindt hij dat wel echt. Zoals ik al zei: Canadezen bezien de medemens mild.
‘Ik vrees dat deze het niveau van de kop van een Engels tabloid-artikel had’, zeg ik dan.
‘Het is best knap om koppen voor tabloids te verzinnen’, zegt Laszlo.
‘Maar beren op de weg zullen we hier helaas niet zien. De enige dieren die midden op de weg gaan staan zijn steenbokken. Die likken dan het strooizout van de weg.’
Terug in het hotel bespreken we met de coproducent de kansen op de extra funding die we hopen te vinden in Canada. Hij is er zeer optimistisch over. ‘Als we ons best doen moet dat wel lukken’, zegt hij.
Ik wil natuurlijk weten wat er nog allemaal mis kan gaan en hóe het mis zou kunnen gaan. ‘Ik zou het niet weten’, zegt hij, en als het op de ene manier niet lukt, dan lukt het op de andere manier wel.
Beren op de weg is blijkbaar een typisch Nederlands fenomeen.