Ger Groot

Berendans

Zelf beschouwde Friedrich Nietzsche zijn profetenboek Also sprach Zarathustra als zijn grootste prestatie. Het stond – ook chronologisch – in het hart van zijn oeuvre en sprak, vond hij, zijn diepste gedachten het krachtigst uit. Zijn lezers vielen hem daarin van harte bij. Zarathustra werd het breekijzer waarmee Nietzsches reputatie zich binnenworstelde in de Europese literaire canon.

Het boek, waarvan de afzonderlijke delen aanvankelijk hoogstens enkele tientallen kopers vonden, werd rond de eeuwwisseling de heraut van de nieuwe, sterke cultuur waarnaar het oude continent reikhalzend uitzag. Tijdens de Eerste Wereldoorlog liet de Duitse generale staf zo’n 150.000 exemplaren van het boek in een speciale robuuste uitvoering distribueren om de soldaten in de loopgraven een hart onder de riem te steken.

Of dat Nietzsches reputatie veel goed heeft gedaan valt te betwijfelen. In ieder geval werd zijn prediking van de Übermensch daarmee stevig geplant in de volksnationalistische traditie die hem bijna voorbestemde tot annexatie door het nationaal-socialisme. Wie Zarathustra nu leest, moet vaststellen dat er over die ‘Bovenmens’, zoals Wilfred Oranje in de fraai heruitgegeven en herziene Nederlandse uitgave van tien jaar geleden (uitg. Boom) zijn naam vertaalt, echter verrassend weinig gezegd wordt. Voor de visioenen van de Blonde Bestie die meestal met zijn naam samengaan, moet men terecht bij Nietzsches kort daarna gepubliceerde Genealogie van de moraal – waarin niet de naam van de Übermensch maar wel die van het ‘herenras’ valt.

Onschuldig is dat allemaal niet, maar raadselachtig blijft wel hoe de Europese cultuur zich een eeuw geleden zó heeft laten betoveren door een boek dat de allesovertreffende trap wil zijn van het Grote Gebaar. Niets bespaart Nietzsche zijn lezers in pathos en bombast. Diep, groots, tragisch en uitvergroot moet alles zijn – van de oudtestamentische profetentaal waarin Nietzsche de joods-christelijke boodschap imiteerde en daarmee (als in een palimpsest) hoopte te kunnen uitwissen, tot aan de verheerlijking van de lach, de traan en de dans in een tekst die zelf nooit echt lacht of huilt en hoogstens danst op de melodie van een psalmenberijming-op-hele-noten.

Het succes van deze literair-filosofische berendans stak een hele cultuur aan. Richard Strauss liet zich erdoor inspireren tot een toongedicht, Mahler verwerkte stukjes Zarathustra in zijn derde symfonie en Frederick Delius zou er later een hele Mass of Life rond componeren. Edvard Munch portretteerde Nietzsche, Max Kruse beeldhouwde zijn buste en Henri van de Velde richtte het interieur van het Weimarse Nietzsche-archief opnieuw in. Schrijvers, van Knut Hamsun tot Alain-Fournier, omhelsden de nieuwe solitaire held die zij in de Übermensch meenden te ontwaren.

Over hen allen heen woei er door het Europese boudoir plotseling een avontuurlijke mistral die opwekte tot heldendaad –
of in ieder geval een viriele bergwandeling (minstens één Franse commentator las in Zarathustra vooral een lofzang op de Zweedse heilgymnastiek). Dat heeft niet uitsluitend aan Nietzsche gelegen, maar hij was er wel de katalysator van. Het is misschien tekenend voor de verwarring van die tijd – en van hemzelf – dat de cruciale rol daarin werd toebedeeld aan wat verreweg Nietzsches slechtste boek gebleven is.

Weg zijn in Zarathustra de spitsheid, de lichtheid, het indringingsvermogen en de brille die Nietzsches voorafgaande boek, De vrolijke wetenschap, tot zijn ware meesterwerk maken. Het lijkt alsof Nietzsche zelf de ironie niet vertrouwde waarmee hij elders zo effectief een hele filosofische traditie onderuit had gehaald. Wanneer het erop aankomt, wordt zelfs hij ernstig en betoont hij zich in zijn galmende prediking alsnog de ware domineeszoon – besmet door de geest van zwaarte die hij in zijn parodie zo graag kaltgestellt had gezien.

Wellicht is de idee van een parodiërend boek van begin af aan ongelukkig geweest. Wie een stijl op de hak wil nemen, moet volstaan met het eerste effect van de herkenning, de ontmaskering en de lach. Enkele bladzijden hadden daarvoor kunnen volstaan, zoals Nietzsche zich ook eerder in beknopt bestek een doeltreffend persiflator had betoond. Bij de ‘voorrede’ van Zo sprak Zarathustra had het moeten blijven: nog geen vijftien bladzijden waarin het meeste al gezegd en bereikt wordt van wat vervolgens nog vier boeken lang wordt uitgesponnen.

In zulk bestek kan het niet anders of het boek gaat zichzelf ernstig nemen en de parodie slaat in haar tegendeel om. Verbijsterend blijft dat een hele cultuur zich ook in die omslag heeft laten meeslepen – en dat zelfs de auteur er niet onaangedaan door gebleven is. Zij allen gingen tenslotte geloven op een maar al te menselijke wijze – met Zarathustra als een bijbel in de hand, desnoods tot in de loopgraven toe.