Berg

In de omlijsting van de balkondeur is, in de ochtendschemering, de dinosauruskop van een hijskraan verschenen. Uit zijn bek, bungelend aan staalkabels, een ijzeren plaat die hij traag over het bouwterrein verplaatst. Er klinkt muziek, iets met veel bassen, die in flarden deze kant op waait. Een man met een oranje helm op staat toe te kijken, verder is er geen mens te zien. Ik leun, nog in mijn kamerjas, tegen de deurpost en kijk toe. Er zit zoveel sierlijkheid in grote machines. Vannacht reed ik in een bijna rechte lijn door het donker, van een poëzieavond naar huis. In de buurt van Schiphol steeg juist een nachtvlucht op – ik kon het toestel een seconde lang boven mijn voorruit in de lucht zien hangen, onbegrijpelijk groot en log. Van veel dingen geloof ik niet dat ze in beweging kunnen komen, tot ze in beweging zijn. Dan weet ik weer dat vrijwel niets vaststaat. Schokkerige amateurfilmpjes van gebouwen die zich lijken te verplaatsen, land dat zich in zee werpt, bergen die van vorm veranderen. Hijskranen die kantelen uit hun evenwicht naar de bebouwde kom.

Maar zodra de beelden verdwijnen keert mijn ongeloof terug. Of liever; mijn vertrouwen in zwaartekracht, wortels, fundamenten. Op de poëzieavond waar ik gisteravond was ging het ineens langdurig over God. Hoe hij, eenmaal als een warmbloedige vriend en op de ontvankelijke leeftijd in je geest geplant, voorgoed aanwezig blijft. Je verzet je later, gromt wat, schudt je uit als een natte hond – maar hij is al onderhuids geraakt. Het beeld kantelt niet meer, niet echt. ‘Is het in dat geval niet fijner om God gewoon te behouden?’ vroeg iemand. ‘Ja’, zei ik. ‘Maar dat is te comfortabel. En wat comfortabel is vertrouw ik niet.’ Na afloop, in de donkere auto, was ik uiteraard alweer aan dat antwoord gaan twijfelen. Wantrouwen kan ook gemakzucht zijn. Het vraagt zo weinig, het zeurt niet zo. Ik trek de kamerjas, die mijn hoogzwangere buik nog maar nauwelijks bedekt, wat strakker om me heen. Steeds vaker voel ik me een berg nu, een gebouw. Iets onbeweeglijks. Achter het glas legt de hijskraan de ijzeren plaat neer. Heel zachtjes. Eerst raakt een kant de grond, daarna de andere. Stof dwarrelt op langs de randen. De man op de grond koppelt de staalkabels los, steekt een hand in de lucht en maakt een vluchtig gebaar, vermoedelijk naar de kraanbestuurder. Een teken van instemming, denk ik. Dat het goed is zo. De kabels verdwijnen omhoog, uit beeld. De lucht is nog even dat ingehouden blauw. Het wordt lichter. Straks komt er misschien nog een plaat. En daarna nog eentje, tot over een paar uur het hele bouwterrein bedekt is. IJzer op zand. De man blijft staan, kijkt omhoog, wacht af. Een helm tussen hoofd en hemel.


Ester Naomi Perquin gaat met zwangerschapsverlof; ze wordt de komende maanden vervangen door Iduna Paalman

Hijsongeval

I

Hijsongeval: op een drijvende ponton in de Oude Rijn staan twee
mobiele kranen, ze tillen een stuk wegdek over het water. De kranen
kantelen uit hun evenwicht naar de bebouwde kom, de lucht
is nog even dat ingehouden blauw, een getuige noemt de klap
een grom, dan het wonder: niemand dood, alleen een hond licht
gewond.

Een jaar later is het onderzoek rond: het hijsplan incompleet,
de risico’s onbekend, het gevaar lag al klaar in de kranen, wachtte
tot niemand keek. De huizen met wijd open ramen, het wegdek
zweeg. De aannemer staat nu naast de hijsknecht, een blik bier
tegen het verdriet, allebei levenslang, de rechter zegt: het enige wat ik
heb opgeschreven, is dat u van geluk mag spreken.

Iduna Paalman,
uit De grom uit de hond halen,
Uitgeverij Querido, 2019

Help ons groene.nl te vernieuwen.

Doe mee aan onze enquête

Het invullen neemt zo’n 5 minuten in beslag. U kunt niets winnen, maar wij zijn u zeer erkentelijk als u meedoet aan de enquête.