Paul Hopster komt aan in Kamp 4, Sisyphus © Maarten Briët

Constant hoesten, overdag vrezen voor dodelijke lawines, ’s nachts slapen in een ijskoud tentje, leven van ingeblikt voedsel en plassen in een stinkende plastic fles. Het leven van een bergbeklimmer is hard, zoveel maakt podcast Sisyphus op invoelbare wijze duidelijk.

In de vierdelige serie reconstrueert David de Jongh de Nederlandse beklimming van de Annapurna in 1977. De Jongh interviewt vijf betrokkenen die er destijds in het Nepalese hooggebergte bij waren en gebruikt fragmenten van de meereizende radiojournalist Henk Hovinga. Wat beweegt mensen tot zo’n levensgevaarlijke onderneming? Wat brengt de mannen naar de berg, anders dan eerzucht? Een echt bevredigend antwoord op die vragen rijst er niet op uit de interviews met de nogal nuchtere en stugge expeditieleden. Toch schetst De Jongh een interessant beeld van de complexe groepsdynamiek, die zelfs op duizenden meters hoogte nog zuchtte onder concurrerende ego’s.

De Jongh verkiest in zijn reconstructie volledigheid boven dramatiek: een journalistiek te prijzen keuze, die verhaaltechnisch soms minder goed uitpakt. Zo gaat er relatief veel tijd op aan fragmenten van geruzie via walkietalkies over spullen die al dan niet van het ene naar het andere kamp getild moeten worden. Daardoor blijft er soms weinig ruimte over voor reflectie op de diepere thema’s die de podcast feilloos aansnijdt, maar niet uitdiept.

Zo is er de constante spanning tussen de Nederlanders en de sherpa’s, de Nepalezen die hun spullen dragen, hen gidsen en eigenlijk veel betere bergbeklimmers zijn. De Nederlanders moeten hun beeld gaandeweg flink bijstellen, blijkt uit een terloopse opmerking van een van de deelnemers. Pas als hij met een sherpa in een tentje slaapt, ziet hij dat de Nepalees helemaal niet zo slordig en vies is als hij dacht, maar een stuk netter dan de Nederlandse collega’s.

Anno 2021 is het ongemakkelijk om de Nederlandse arrogantie tegenover de sherpa’s aan te horen, maar in de podcast is het slechts een zijpad. De serie draait uiteindelijk om één vraag: wie bereikt de top? Of zijn alle mannen zoals de tragische figuur Sisyphus uit de Griekse mythologie, die een zware rots telkens opnieuw omhoog moet rollen tegen een berg, omdat het blok bijna bij de top aangekomen altijd weer van de helling afrolt?

Eigenlijk gaat de vergelijking tussen de Nederlandse alpinisten en Sisyphus mank, omdat de laatste zijn continue bergbeklimming onderging als straf na de dood, in de onderwereld. De bergbeklimmers zijn jonge kerels in de bloei van hun leven. Hun onderneming is eerder te vergelijken met die van Icarus, een andere mythologische Griek, die in zijn jeugdige overmoed te dicht bij de zon vloog, waardoor de was die zijn vleugels bijeen hield smolt.

Met Icarus liep het slecht af omdat hij zich schuldig maakte aan hybris, overmoed. Ook de mannen die de Annapurna in 1977 wilden bedwingen maakten zich schuldig aan de oud-Griekse doodzonde, maar gelukkig waren de goden hun genadiger. Hun terugblik leverde een podcast op die zelfs de meest risicomijdende luisteraar even het dak van de wereld op tilt.