Sport

Bergen

De Tour de France van 2006 heeft ons de ogen geopend voor een essentiële factor in de hedendaagse topsport: God. We hebben ons altijd afgevraagd: houdt God van sport, en zo ja, van welke? En nu weten we het.

God houdt van alle sporten, maar van sommige sporten meer dan van andere. Hij heeft een voorliefde voor zware mannensporten, waarin de eenling het opneemt tegen de elementen en de ontembare natuurkrachten in Zijn schepping. Wielrennen bijvoorbeeld. Waar wordt geleden, waar mannen in het zweet huns aanschijns hun brood verdienen. Waar renners verlangen en smachten naar God als naar een overwinning.

Dat blijkt wel uit de Tour van dit jaar, gewonnen door de Amerikaan Floyd Landis. Landis kende een enorme inzinking in de Alpen, werd vernederd en afgeserveerd, maar vocht zich terug door op de flanken van vijf verschrikkelijke bergen te herrijzen en in z’n eentje iedereen op grote afstand te rijden.

Landis is een gelovig man, en de motivatie voor zijn indrukwekkende aanval haalde hij zowel uit zijn emotie (hij was boos op zichzelf, en teleurgesteld) als uit zijn wil (om te winnen) als uit zijn geloofsovertuiging (God).

En God stelde dat op prijs.

De God van de sport is een protestantse God, van het ouderwetse soort. Groot en toornig. Met een voorkeur voor lijden. Hij houdt niet zo van dat frivole katholieke gedoe van Italiaanse voetballers: kruisje slaan, medaillon kussen, blik naar de hemel en een schietgebedje. Dat vindt Hij te veel theater, en trouwens, het draait voornamelijk om Zijn moeder.

(Wat gelovige sporters aangaat: een winnaar looft en dankt na de wedstrijd altijd God voor Zijn steun. Een verliezer hoor je nooit verzuchten dat God hem verdriedubbeltjes mooi in de steek heeft gelaten. Dat zegt ook weer iets over het ontzag voor de Schepper.)

Floyd Landis (Dad’s Flyin’ Lo) groeide op in een gezin van Mennonieten, op het platteland van de Verenigde Staten. Strenge mensen, Mennonieten. Ze verboden de jonge Floyd, die God vreesde als een Alpencol, meer dan ze hem toestonden, totdat hij uiteindelijk ervandoor ging. Hij brak met zijn ouders. Hij twijfelde aan God. En aan nog veel meer.

Inmiddels is de band met zijn ouders hersteld, en de band met God is weer goed en hecht. Van twee kanten, want een band moet van twee kanten komen.

Floyd houdt van God, en God houdt van Floyd. Die doet Hem denken aan wat Hij zei over dat zweet en dat aanschijn. Floyd herinnert Hem aan Job, op de mestvaalt, die er toch bovenop kwam.

Zalig zijn de eenvoudigen van geest, wist God en ging van wielrennen houden. Hij nam plaats in de ploegleiderswagen van Phonak en reed glimlachend achter Zijn protégé aan de Alpen op, en af. Landis hoorde af en toe Zijn stem in zijn oortje: «Want die Mij liefheeft, die kan bergen verzetten.»

God houdt niet van vedettes, van die genieën die het allemaal maar komt aanwaaien, die boven de anderen uitsteken zonder daar veel voor te hoeven doen. Hij moet ook aan Zijn eigen positie denken.

Dat publiciteit van groot belang is, dat begrijpt God ook wel. Een goede pers, veel airplay, een paar uur in close-up zwaar en ontzagwekkend lijden in de Alpen: Zijn trouwe dienaar Floyd Landis deed het, en bracht Hem alle publiciteit die Hij nodig had. Wie Landis zag fietsen, zag een man met vleugels, met een missie, een doel, een overtuiging, een geloof, een God.

«Op bergen en in dalen, ja overal is God», zongen we vroeger op school. Ja. Overal is God.