Robert Macfarlane, Het raadselachtige verlangen naar de hoogste top

Bergen beklimmen, omdat ze er staan

Robert Macfarlane

Mountains of the Mind: A History of a Fascination

(Vertaald als Hoogtekoorts: Het raadselachtige verlangen naar de hoogste top)

De Bezige Bij, 320 blz., € 19,90

Heinrich Harrer

Mein Leben

(Vertaald als Mijn leven)

Atlas, 560 blz., € 24,50

In 1912 schokte de Duitse wetenschapper Alfred Wegener (1880-1930) collega’s met zijn revolutionaire ideeën: miljoenen jaren geleden bestond de aarde uit één landmassa, omgeven door een grote oceaan. Pangea, zoals hij het land noemde, was onder enorme krachten uiteengedreven in de moderne, zevendelige aardbol. Kaartenmakers in de zestiende eeuw hadden zich al verbaasd over het feit dat de werelddelen als puzzelstukjes in elkaar passen. En in 1620 merkte de utopist Francis Bacon al op dat de zeven continenten in elkaar passen «alsof ze uit een en dezelfde mal komen». Wegener kwam op zijn idee door fossielvondsten. Fossielen uit Brazilië en West-Afrika kwamen zo sterk overeen dat een landverbinding tussen de twee werelddelen een plausibel idee werd.

Tijdens een expeditie naar Groenland verdween Wegener tijdens een bevoor radingstocht naar zijn onderzoeksstation. Zijn zoektocht naar de waarheid was hem tijdens een tocht van vierhonderd kilometer door arctische sneeuw te veel geworden. Later onderzoek wees uit dat grote delen van zijn theorie onjuist waren, maar op middelbare scholen doceren aardrijkskundeleraren nog steeds over bewegende continentale platen. De geschiedenis van de Alpen, de Schotse Hooglanden, de Karakoram of de Himalaya begint bij het geografische geweld dat Wegener als eerste ontdekte. Waar de platen elkaar raakten, ontstonden diepe troggen of hoge bergen. De Alpen bijvoorbeeld zijn omhooggestuwd door de botsing van de Adriatische Plaat op de Euraziatische Plaat.

Robert Macfarlane (1976) won onlangs de First Book Award van het Britse dagblad The Guardian. Hij ontving de prijs voor zijn boek over de geschiedenis van bergen. Hoewel Wegener zijn verdiende pagina’s heeft gekregen, is het boek niet bedoeld als wetenschappelijk traktaat over de geografische oorsprong van bergketens. Het is in de eerste plaats een geschiedenis van het kijken naar bergen. Wat zag een zeventiende-eeuwer wanneer hij of zij naar een berghelling keek? Wat zagen de dichters Byron (1788-1824) en Shelley (1792-1822) vanuit Chamonix als ze omhoog keken voorbij het «mer de glace» naar de top van de Mont Blanc? Waarom trekken duizenden mensen de bergen in om te wandelen, te klimmen of te overleven tussen gletsjerspleten en lawines om de zoveelste top te bereiken? Het idee van een dergelijke berggeschiedenis is prachtig. Het is fascinerend dat tot ver in de achttiende eeuw uitzicht niet gewaar deerd werd. Integendeel, berggebieden waren eeuwenlang angstaanjagende en nutteloze delen van de wereld die zo veel mogelijk werden gemeden. Pas tijdens de Romantiek werden bergen aantrekkelijke oorden voor wie het gevaar van de natuur wilde opzoeken, aldus Macfarlane.

Maar Robert Macfarlane maakt zijn idee van een berggeschiedenis niet waar. Mountains of the Mind is geen analytische geschiedenis maar een aaneenschakeling van citaten. Macfarlane voert de romantische kunstenaar Friedrich (1774-1840), de dichter Keats (1795-1821) en de filosoof Rousseau (1712-1788) op één pagina op en zoekt een overeenkomst om daarmee te suggereren dat zijn vragen beantwoord zijn. De veelschrijver Goethe (1749-1832) had vast en zeker ook mooie citaten kunnen leveren. Hij is voor zijn Italienische Reise toch ook de Alpen overgestoken? Maar Macfarlanes keuzes zijn willekeurig.

Bovendien gebruikt hij eigen belevenissen in de bergen om verschillende delen aan elkaar te rijgen. Hij beschrijft zijn klim avonturen mooi, maar forceert een koppeling tussen die avonturen en het wezen van zijn boek, het kijken in historische zin. Had Macfarlane maar niet geluisterd naar zijn redactrice en zich geconcentreerd op een verfijning van zijn originele manuscript, want ondanks het gebrek aan samenhang geeft hij een mooi beeld van romantische klimmers en beschrijft hij in een sterk hoofdstuk indringend de dwingende greep van de onbedwongen top van Mount Everest op George Mallory (1886-1924). Van die Britse pionier van het alpinisme is nog steeds niet duidelijk of hij in 1924 voor of na de top van Mount Everest is gestorven, hoewel een paar jaar geleden zijn lichaam bijna geheel intact werd teruggevonden.

Macfarlane maakt de lezer bekend met de eerste klimroman uit de geschiedenis: Petrarca (1304-1374) schreef een verslag van een tocht die hij samen met zijn broer Gherardo ondernam. Samen beklommen zij in 1336 de Mont Ventoux — nu bekend van de Tour de France en het monument van de wielrenner Simpson, die tijdens de beklimming stierf. Volgens Macfarlane is Petrarca de berg nooit op geweest, maar was het verslag van de beklimming bedoeld als een religieuze allegorie (klimmen om aan de aardse lusten te ontsnappen) en nooit bedoeld als reisverslag. Maar voor anderen is Petrarca de bekende humanist en geldt zijn klim naar de top van Mont Ventoux om van het uitzicht te genieten als het eerste geschreven bewijs van menselijke aandacht voor het landschap.

Voor alpinisten staat het landschap of een verlangen naar angst niet altijd voorop. Joe Simpson, een succesvolle schrijver van klimliteratuur, verklaarde in zijn laatste boek, terugkijkend op zijn carrière, dat voor hem het samenzijn met zijn klimvrienden een belangrijke drijfveer was. De levende klimlegende Heinrich Harrer (1912) ging het, anders dan Petrarca, nooit om het uitzicht, maar om de tocht zelf. Harrer, die korte tijd getrouwd was met Alfred Wegeners dochter Lotte, werd beroemd door De witte spin (1958), dat een belangrijke inspiratiebron is geworden voor klimmers van jongere generaties als Ronald Naar of Joe Simpson.

In De witte spin beschrijft Heinrich Harrer de tocht die hem op 26-jarige leeftijd onsterfelijke roem bracht. Met drie andere alpinisten beklom hij voor het eerst de noordwand van de Eiger, nog altijd een van de gevaarlijkste beklimmingen in de Alpen. Harrer werd als Oostenrijks nationale held zelfs voorgesteld aan Adolf Hitler, en de nazi’s maakten gretig gebruik van zijn succes. In zijn autobiografie beschrijft hij zijn loopbaan als avonturier, zijn vele expedities en zijn ontmoetingen met de meest uiteenlopende mensen. Met de Belgische koning Leopold ondernam hij verscheidene expedities. Hij ontmoette Thor Heyerdahl, die met een boot van papyrus de Atlantische Oceaan was overgestoken om aan te tonen dat contact tussen Europa en Amerika voor Columbus (1451-1506) technisch mogelijk was. Maar het meest bekend werd Harrer door zijn innige vriendschap met de dalai lama. Die relatie is wereldberoemd geworden door de Hollywood-verfilming van zijn boek Zeven jaar in Tibet (1953). Tijdens de oorlog werd Harrer gedetineerd in India, maar hij ontsnapte aan zijn bewakers, vluchtte en trok naar Tibet. De grenzen van Tibet waren hermetisch afgesloten en het kostte Harrer maanden om het land binnen te kunnen komen. Hij bleef daar totdat de Chinese inval hem dwong te vertrekken.

Door die film werd enkele jaren geleden Harrers nazi-verleden opgerakeld. Hij was korte tijd gymnastiekleraar geweest bij een SS-afdeling, en werd lid van de partij om een aanstelling als aardrijkskundeleraar te kunnen aannemen. Harrer verklaart zijn verleden op een bijzondere manier. Op het moment dat hij voor het partijlidmaatschap tekende, zo redeneert hij, werd in München een vredesverdrag gesloten. Leidende figuren uit de internationale politiek waren blijkbaar net als hij uit op een vredige relatie tussen Hitler-Duitsland en de rest van de wereld. «In tegenstelling tot een dier heeft een mens geen instinct dat hem vertelt wat hij moet doen. Daarom doet en wil hij eenvoudig wat anderen ook doen en willen.»

Maar Heinrich Harrer heeft een waterdicht alibi. Hij verliet in 1939 Oostenrijk voor een expeditie naar de Himalaya en pas in de jaren vijftig keerde hij terug naar zijn geboorteland, inmiddels gescheiden van Lotte Wegener. Het is Harrer misschien te verwijten dat hij zich niet heeft verdiept in politiek, maar dat deed hij nooit, op geen enkele reis. Harrer maakte tochten naar de Andes, de Amazone, Nieuw-Guinea, Groenland, India en Buthan. Die tochten waren nooit méér dan tochten. Over de politieke en maatschappelijke problemen die hij tijdens zijn reizen tegenkwam, schrijft Harrer onverschillig, zonder emotie. In Zeven jaar in Tibet toonde hij zich een voorvechter van de Tibetaanse zaak. Maar in zijn autobiografie is zelfs de interesse voor zijn geliefde Tibet beperkt: «Het lot van de dappere Oost-Tibetanen hield Herbert en mij nog lang bezig. Maar er waren ook veel nieuwe dingen te filmen en te beschrijven, want er waren maar weinig westerlingen in deze interessante omgeving geweest.»

Zijn nazi-verleden en zijn ontmoeting met Hitler beschouwt Harrer als dingen die gewoon gebeurden. Hij is een toeschouwer, bekijkt en registreert zonder betrokkenheid of bevlogenheid. Maar voor klimmers blijft hij voor altijd de held die de noordwand van de Eiger bedwong.

Heinrich Harrer heeft zich waarschijnlijk nooit echt beziggehouden met Robert Macfarlanes vraag waarom mensen klimmen en of die gewoonte uit de Romantiek stamt. Voor Harrer was het expeditieleven een vertrouwde warme jas geworden die hij elke winter weer aantrok. Hij zal zich kunnen vinden in de woorden van George Mallory, die bergen beklom «because they’re there».