Bericht uit het land zonder naam

Het nieuwe Zuid-Afrika is nog steeds een niemandsland. De apartheid is symbolisch overwonnen, maar hoe gaat de nieuwe sociale orde eruitzien? Breyten Breytenbach over het gevaar van politieke en culturele correctheid in een land zonder.

JAREN GELEDEN, toen ik mijn tijd sleet in de schaduw van de Maximum Security Wing, op een heuvel even buiten Moustache City, was de leiding zo vriendelijk mij toestemming te geven om me in te schrijven bij de universiteit van Pretoria. Ik koos onder andere de vakken kunstgeschiedenis, Afrikaans, filosofie en de Zoeloetaal. Je mocht een aantal studieboeken aanschaffen, en natuurlijk maakte ik meteen misbruik van dat voorrecht. Zo kreeg ik Art and Illusion van Gombrich te pakken. Voor mij is dat nog steeds een uiterst belangrijk werk wanneer je meer wilt weten over de magie van het schilderen, wanneer je de oeroude menselijke behoefte aan ‘het schrijven van het zelf en het herschrijven van de wereld’ herkent, of wanneer je - zoals Walter Battiss, de overleden schilder ter nagedachtenis van wie ik dit verhaal houd - begint te zoeken naar de mechanismen die je in staat zullen stellen te bewijzen dat het metafysische soms reeler is dan het fysische. 'Want’, aldus Battiss, 'dat is waar kunst over gaat: rivieren verleggen en bergen verzetten… Het leven is gebeeldhouwde tijd. Door te leven modelleren we de tijd.’
Aan de studie van de Zoeloetaal heb ik niet mogen beginnen - mij werd te verstaan gegeven dat bajesklanten niet mochten worden blootgesteld aan 'vreemde’ talen. Vervolgens begon men kennelijk te vrezen dat wij gevangenisboeven via onze schriftelijke cursussen hulp en troost zouden ontlenen aan een levende buitenwereld en toen mochten we helemaal niet meer studeren van de Boeren die ons bewaakten.
Dat was jammer. Als ik die studie had mogen voortzetten, zou ik misschien geschikter zijn geweest om te spreken over een indrukwekkend onderwerp als 'Culturele Percepties en Perspectieven in Niemandsland’, zoals ik nog steeds denk over dit snoeverig aangeprezen Nieuwe Zuid-Afrika. Ik kan alleen maar mijn best doen, en daarbij blijven denken aan het land van het hart.
WANNEER EEN HOND zijn bot gaat zoeken op een dergelijk terrein, moet hij dat doen met een zeker gevoel voor ruimte, een idee van tijd, en een argwanende blik voor het zijn. Wat is oud en wat is nieuw in deze provincie, waar het getij grotten van tijd heeft uitgehold? In zijn boek A Minor Apocalypse schrijft de Poolse auteur Tadeusz Konwicki: 'De staat is eigenaar van de tijd; alleen de minister van Veiligheidszaken kent de echte datum.’
De zin van scheppend werk is de tijd te verzadigen en hem daardoor uit te wissen of terzijde te leggen, omdat niemand anders dan wijzelf onze tijd horen te bezitten. We verweven in ons werk een mengeling van herinneringen - soms zo oud dat ze net zo goed van het land zelf zouden kunnen zijn - en creatieve intuitie. Alle zin is een maken, een vermenging, een verbastering, een metamorfose. Het komt neer op een vastgrijpen van de tijd: de enige manier die we kennen om ons zachtjes te manoeuvreren in de juiste positie om te sterven.
Maar blijven bewegen, en geluiden maken, te meer nu we klem zitten in de netelige engten van onzekerheid, dat blijft een eerste vereiste voor de overleving. Saamhorigheid (als tegendeel van apartheid; van eenheid durven we nog niet te spreken) is een beweging die de diversiteit mobiliseert. Nationale saamhorigheid moet namelijk, om niet tot totalitarisme weg te rotten, worden gevoed door culturele variatie. Zonder verschillen kan geen beweging ontstaan.
In dit land zonder naam - het is zo lang alleen beschreven als een vaag geografisch denkbeeld, Zuid-Afrika, met zijn zelfverterende geschiedenis - zal elke vordering in de richting van het ogenschijnlijk onhaalbare Utopia afhankelijk zijn van een groeien naar belichaming van een Zuidafrikaanschap, meer rechtvaardigheid en grotere vrijheid, een diepere aanvaarding van verschillen en ruimere erkenning van verbindende kenmerken. Dat alles is de enige manier waarop geweld en moord is in te perken. Bovendien kan het ruimen van de horizon van onze reis onze laatste kans zijn om te voorkomen dat een verstikkende nieuwe hegemonie optreedt als vervanger van die muffe oude.
We kunnen niet meer terug. Achter de duinen ligt het giftige kadaver van de apartheid. En zo komen we bij de twee polen van de vergelijking die we in het spel moeten brengen: dat we op elkaar lijken, dat we verschillend zijn.
MEN ZOU WILLEN dat bepaalde onwrikbare premissen een tolerant naast elkaar bestaan onweerstaanbaar maken, en dat die bovendien zullen zorgen voor een verandering van de machtsverhoudingen door een vermenging van culturen. De dynamiek voor de oplossing van de problemen van Zuid-Afrika moet uitsluitend worden gezocht binnen de grenzen en het geweten van het land. Als men de twijfel uit de weg ruimt door de Ander te doden, komt dat uiteindelijk neer op zelfmoord - of laat ik hier vrome nonsens horen? Gemeenschappen zijn van elkaar afhankelijk, en ze kunnen niet worden gescheiden - of zullen de verbindingen verdrinken in een golf van bloed? De opeenhoping van vroegere offers en onze gezamenlijke verantwoordelijkheid tegenover de dromen van de doden - dat alles moet toch de weg naar een meer humane toekomst garanderen. Of onderschatten we de onverschilligheid en de brutalisering die zullen ontstaan wanneer een partij aan de macht komt?
Maar uiteindelijk, en ondanks de wederzijdse transformerende invloeden van nieuwe identiteiten, ondanks de regeringswisseling - een wisseling van macht die nu berust bij complotten en verkiezingsbijeenkomsten die een beroep doen op hegemonie van de meerderheid - zullen we bij zonsondergang en zolang het inwendig oog van de herinnering vooruit kan kijken nog steeds stuiten op het bestaan van zichtbaar gescheiden culturele groepen (te identificeren aan hun talen, gewoonten, misschien huidskleur, of een hardnekkige, zonderlinge hierarchie van waarden). Hoe zullen die verschillen gaan passen binnen een ruimer patroon?
Misschien noopt dit ons te denken aan die oude sociologische dichotomie tussen gemeenschap en maatschappij. Daarbinnen worden gemeenschapsrelaties als natuurlijk of oorspronkelijk beschouwd omdat ze voortkomen uit allerlei gedeelde emoties en tradities die een redelijk homogene cultuur creeren, en wordt de maatschappij gezien als een historisch concept, gedefinieerd (volgens Max Weber) als 'rationele vrije markt’ of 'vrijwillige contacten’, kortom: economische noodzaak of politiek voordeel. Is zo'n redenering te statisch? Neem bijvoorbeeld de gemeenschap van de zwarten in Amerika. Zijn zij, na een burgeroorlog, na een geslaagde strijd om burgerrechten, na massaal sterven in buitenlandse oorlogen, en na tientallen jaren van positieve actie nu meer geintegreerd dan vroeger? En geintegreerd waarin? En waartoe?
Het probleem van gemeenschappen die naast elkaar bestaan voorbij het einde van de apartheid, ligt op een vlak van vrees voor de Ander: vrees om verdrongen en vervangen te worden, vrees voor het verlies van werk (via 'verheffingsprogramma’s’ die het oude systeem van baantjes voor vriendjes zullen vervangen door een nieuwe versie voor kameraden), vrees voor vermindering van inkomen, bezittingen en status, of vrees voor de voortzetting van oneerlijke relaties tussen meester en slaaf, voor verminderde en kleinere vrijheden, voor onderdrukking en twist.
Het zijn niet de Mandela’s en de Mbeki’s en de Meyers die door zulke voorgevoelens zullen worden getroffen - die leven al hand in hand met de Oppenheimers en de Gordimers en de Motlana’s. Het is het primitieve, zwart- en-blanke, niet-gepolitiseerde lompenproletariaat dat elkaar zal moeten aanvaarden. (Ik noem ze 'niet-gepolitiseerd’, ondanks hun gezwaai met schiettuig en geschreeuw van leuzen.) Zij zijn degenen die erop uit zullen trekken met gistende harten, geinspireerd door vage groepsinstincten, om slachtingen aan te richten wanneer ze volgens henzelf met hun rug tegen de executiemuur staan. Zij zijn degenen die geen voordeel zullen hebben van de corruptie van 'bevrijding’, zij zullen de fraaie gezangen van 'broederschap’ en 'civilisatie’ afwijzen, zij zullen uiteindelijk in fundamentalistische opstand kunnen komen tegen de partijstaat. En zij zijn ook degenen die, wanneer de dag is vervuild door lijken en het voetbalveld in bloed is gedrenkt, het met elkaar op een akkoordje zouden moeten gooien - lang nadat de goedbedoelende rijken hun toevlucht hebben gezocht aan de Zwitserse meren.
WAAROM IS HET voor onze zogenaamd 'revolutionaire’ beleidsmakers zo moeilijk de federale optie in de overwegingen op te nemen? Komt dat doordat territoriale deling hier nog de stank van de apartheid meevoert? Vreest men een onrechtvaardige verdeling van rijkdom? Of komt het doordat wij, als vrijheidsstrijders, op het punt staan de buit van een unitarische staat binnen te halen en het onze beurt is de macht uit te oefenen, dronken van de machtige rol die de staat zal gaan spelen als hoogste politiek en economisch gezag? De staat, onze naijverige, kannibalistische god…
Dat is op het moment des te vreemder omdat elders in Afrika het besef groeit dat de gecentraliseerde nationale staat per definitie ondemocratisch is, dat zo'n staat niet 'werkt’ omdat de idee en de profielen niet passen binnen historische realiteiten en culturele grenzen, en waar men wellicht steeds meer in de richting van federalistische oplossingen zal gaan.
Basil Davidson komt in zijn boek The Black Man’s Burden tot de slotsom dat 'een hoopvolle toekomst (…) een federaliserende toekomst zou moeten zijn: een toekomst van organische eenheden met verstandige contacten over grote terreinen, waarbinnen nationale culturen elkaar zeer bepaald niet vernietigen of verminken, maar hun diversiteiten zouden kunnen ontwikkelen, en daarin een wederzijdse zegen vinden’. En de Oegandese politieke theoreticus Mahmood Mamdani trekt deze redenering nog wat verder door in een ongepubliceerde kritiek op Davidsons boek: 'Waar het om gaat is dat we niet jubelen over het “moderne tribalisme”, en er evenmin ontzet voor terugdeinzen. Integendeel, wanneer we de tegenstrijdige aard ervan herkennen, zien we de tegenstrijdige mogelijkheden van elke bevrijding van modern tribalisme. Terwijl elk type federatie de legitimiteit van tribale belangen zou moeten erkennen, zou het resulterende tribalisme een democratische vorm kunnen aannemen of veranderen in manipulatie van bovenaf. Het resultaat zou dan weer afhangen van de vraag of het federalisme is gekoppeld aan massale participatie door een hervorming die de koloniale greep op de plattelandsbevolking niet alleen maar federaliseert, maar deze geheel afschaft. (…) Want als we een politieke agenda willen bereiken die verschillende sociale krachten in de uiterst gefragmenteerde sociale realiteit van het moderne Afrika kan activeren en bundelen, dan moeten we een agenda opstellen die zowel de burgerlijke maatschappij als de boerengemeenschappen aantrekt, die ruimte biedt aan zowel de vrijheid van kiesrecht in de burgerlijke maatschappij, als gemeenschapsrechten voor de boerenbevolking.’ We mogen niet vergeten dat de Zoeloes nog voor een deel in landelijke gemeenschappen wonen, of dat de Afrikaners nog boeren zijn - al komen hun inkomsten veelal uit de ambtenarendienst, de mijnen, de spoorwegen en de politie.
VORMEN DIE KERELS van uiterst rechts - de Volkstaters, die het ideaal van een gezuiverde Afrikanerstaat nastreven, die skinheads met baarden en bierbuiken - de laatste stuiptrekking van een koloniaal tijdperk, van een tijd waarin territoriale veroveringen en raciale overheersing als 'normaal’ werden beschouwd? Of is hun woeste optreden de gewelddadige verschijning van een 'nieuwe’ werkelijkheid, die eist dat er ruimte, zelfs geografische ruimte, wordt gemaakt binnen pluriculturele eenheden teneinde groepsverschillen te handhaven?
Gedurende veertig jaar zijn we gefrustreerd door de officiele leer van dit land dat 'we allemaal verschillend zijn en daarom gescheiden moeten blijven’. Moeten we nu nogmaals veertig jaar in de woestijn zwerven, achter het nieuwe gouden kalf aan, achter een leer aan die evenzeer in Europa is geworteld als de eerdere en op dezelfde autoritaire en willekeurige manier zal worden afgedwongen, door uit naam van non-racisme en non-discriminatie voor te schrijven dat 'we allemaal hetzelfde zijn en dus onderdanen van een staat horen te zijn’?
De bloedige rotzooi van onze overgangsfase en de tegenstrijdigheden en onenigheden die dag in dag uit steeds gewelddadiger uitbreken, moeten symptomatisch zijn voor diepere tweedracht. Alle partijen zingen vrome liederen over moreel verheven zaken, ze hebben het over bekeringen, en ze laten hun splinternieuwe glimlach zien, ze smeren stroop en vleien - of berispen en waarschuwen -, ze filosoferen over positieve actie en een economisch nieuw begin, ze troosten de rijken die rijk zullen blijven, en beloven de armen dat ook zij de aarde zullen beerven, ze zwaaien met toverstokjes (die verdacht veel op AK-47’s lijken) en verstrekken allerlaatste salarisverhogingen, ze liegen en bedriegen dat ze zwart zien. We zien zelfs het obscene tafereel van de arrogante leden van de half-geheime Afrikaner Broederbond, die er in wezen de schuld van zijn dat het land er zo ellendig aan toe is, maar nu beweren dat zij de Damascusweg naar een nieuwe verdeling hebben opengelegd.
Eigenlijk zijn al deze spelers van middelmatige rollen samenzweerders die het machtsmonopolie van de politieke kaste willen garanderen, en ze zijn het eens over de laagste gemene deler van onbeperkte toegang tot de voedertroggen van de staat - terwijl daarbuiten de slachting voortduurt.
ER WORDT OP hoge toon gesproken van expressies van nationale cultuur, terwijl we helemaal niet iets als een natie hebben. En toch zoeken we nu juist bij een cultureel bewustzijn naar instructies aangaande de essentiele denkbeelden voor het bouwen van een natie - de complexe problematiek rond identiteit, zowel plaatselijk als nationaal, de wanhopige behoefte aan een gezamenlijke ethiek die ons in staat stelt vreedzaam naast elkaar te bestaan, verdraagzaamheid te verkondigen, en begrip te hebben voor de variatie aan afkomst en expressie - dingen die allemaal nodig zijn voor het ontstaan van een natie, en zeker voor een echte democratie.
We hebben cultureel bewustzijn nodig voor de creatieve omslag die deze verschillen zou kunnen overstijgen en sociale en politieke ruimte zou kunnen scheppen voor alle behoeften die ik hier probeer op te noemen. Met andere woorden: we hebben cultuur nodig om de willekeurige macht van de staat in te perken en de bureaucraten en andere publieke parasieten te beteugelen. Laat ik mijn mond nog wat meer branden: alleen een vitale burgermaatschappij, waarbinnen het creatieve culturele proces werkt als de ademhaling van het sociaal bewustzijn, zal ons in staat stellen de zogenaamde 'veiligheids’-diensten naar hun holen terug te drijven - de Nationale en Militaire Veiligheidsdienst, Mbokodo (een stelletje door de Stasi opgeleide sufferds van het ANC), de CCB (Civil Cooperation Bureau, ons eufemisme voor doodseskaders).
Okee, dat is wel veel gevraagd van het begrip 'cultuur’, dat bijna per definitie niets met rechtvaardigheid te maken heeft. Integendeel, het is permanent bezig zichzelf te denken en voor te stellen. Creativiteit kan niet de plaats innemen van 'iets anders’. Wat ik eigenlijk bedoel, is dat elke beweging in de richting van een meer leefbare en draaglijke situatie in dit land een aanhoudende creatieve onderneming zou moeten zijn terwille van onze overleving worden we gedreven tot onderlinge contacten, nieuwe zelfdefinities en begrip voor de Ander, omdat we draaien rond de as van particuliere en openbare identiteit.
Onze zoektocht kan dan niet alleen een verhaal van politieke verandering en economische verheffing zijn. Ook cultuur heeft ermee te maken, als een draad van herinneren, en als herkenning en verzet en verwerking en transformatie. Onze levens zijn door cultuur ingetekend, omdat we de behoefte hebben onze dromen vast te leggen en aan te passen, want we willen rivieren verleggen en bergen verzetten. En de metaforische bergen en rivieren van Battiss kunnen alleen echt worden begrepen, en misschien overgestoken, in de moedertaal.
OMDAT IK NU OP zoek ben naar het bot van de beweging, zijn er een paar stenen die ik zal moeten wegrollen. 'Cultuur’, 'het volk’, dat zijn een paar van die stenen. Dat wazige begrip 'cultuur’ moet een duivels voortbrengsel van het totalitarisme zijn. Een dergelijk gebruik van cultuur, bij voorkeur georganiseerd door 'structuren’ als verlengstuk van de dominante staatsideologie, nam een hoge vlucht in Nazi-Duitsland en de socialistische sovjetstaten.
Ook in Zuid-Afrika zitten we klem tussen de pest en de cholera, tussen enerzijds de apartheid met haar patriarchale en koloniale beginselen van christelijke nationale opvoeding, gepaard met onderdrukking en censurering van dissidentie of afvalligheid, en aan de andere kant een potentieel stalinisme, met culturele commissarissen die 'volkscultuur’ afdwingen middels de juiste 'structuren’ - waar we in de pas moeten lopen met historisch determinisme uit naam van de 'nationale’ bevrijding, waar we te horen krijgen dat 'vrijheid neerkomt op onderwerping aan de wil van de meerderheid’ ('Eet poep, duizend vliegen kunnen zich niet vergissen!’). En waar we nogmaals de uitstoting van dissidenten zullen beleven.
Typerend voor zowel de oude als de nieuwe situatie is onze inheemse burgerlijkheid: 'goede smaak’ en nog betere bedoelingen, sentimenten, anti-intellectualisme en 'betrokkenheid’, wederzijdse morele hielenlikkerij en politieke correctheid.
HIERTEGENOVER ZOU IK een pleidooi willen plaatsen voor twijfel en het stellen van vragen, voor diversiteit, voor de handhaving van ons 'Ho Chi Minh-pad’ van ondergrondse tunnels van herinnering en verzet, verdraagzaamheid, onderlinge contacten, opgaan in elkaar, excentriciteit, existentialisme, humanisme, anarchisme. Tot elke prijs wil ik de tirannie van 'aan de goede kant staan’ vermijden. Ik wil geen toevlucht zoeken tot welke ideologische rugdekking dan ook. Zoals Battiss het heeft uitgedrukt: 'Ik wil dat we levend geboren zijn, met een rusteloze geest.’
Het zal, hoop ik, duidelijk zijn dat ik niet pleit voor elitaire lieden die zich in ivoren torens opsluiten. Ik pleit zelfs niet voor zuiver individualisme. Plaatselijk hadden wij ook een alternatieve traditie van subversie, van culturele guerrilla. Wij, zwart en blank, lieten de kille kerken van het calvinisme achter ons - via kleine uitgevers en allerlei 'alternatieve’ composities en uitvoeringen van kunst. Dat is de traditie die moet worden verdiept en versterkt. Hoe kunnen diegenen onder ons die hebben gestreden tegen de machtscorruptie van het vorige regime nu afstand doen van de verantwoordelijkheid en de pure vreugde van onverminderd verzet tegen onze brave kameraden die verstrikt zijn geraakt in de verrotting van de macht onder het nieuwe bewind?
Misschien vinden we een uitweg in een gezond onderscheid tussen creativiteit en onderwijs. De opvallendste overgang van het oude naar het nieuwe Zuid-Afrika is dat al die mensen die tot voor kort op de achtergrond moesten blijven - de meerderheid die nauwelijks zichtbaar aan de periferie van het licht leefde, mensen die alleen geschikt waren om te fungeren als verwijderbare ongewenste personen - nu uit de schaduw kunnen stappen, het toneel op. Zij gaan de meesters vervangen, zij worden handelende personen. Hun aspiraties zullen nu met voorrang aandacht moeten krijgen. Niemand kan het oneens zijn met de noodzaak van een herverdeling van inkomens en voorrechten. Zij zijn degenen die nu toegang moeten krijgen tot de kansen en mogelijkheden van cultuur.
En dat komt neer op onderwijs en faciliteiten. De herkenningsmelodie die we steeds moeten onthouden is heel eenvoudig: sociale rechtvaardigheid - hoe we, met het versnellende tempo van de verandering, een zorgvuldig en dynamisch evenwicht tot stand moeten brengen tussen verheffingsprogramma’s en ouderwetse competentie, en het geringschattende quota-systeem van 'positieve actie’ achterwege moeten laten. En die pedagogische aanpak zal niet mogen leiden tot de masochistische verwarring van kunst met sociologie en etnografie, of tot de hypocriete nivellering van kunsten en ambachten, zoals die wordt bepleit door lafaards en o zo berouwvolle lieden.
HET IS ONONTKOOMBAAR: sociale rechtvaardigheid is het eerste dat het land nodig heeft. Het bewustzijn van een culturele identiteit is echter ook een gedeelde ervaring, een groepsgevoel. Er is bijvoorbeeld niets op aan te merken als men tegelijkertijd Afrikaner en Zuidafrikaan en Afrikaan is. Verhevigd bewustzijn en het nodige aanpassingsvermogen maken waarlijk deel uit van de opmerkelijke uitdagingen die onze omgeving ons stelt. De creatieve spanning tussen samenwerking en vlucht uit het centrum, tussen centralisme en regionalisme, tussen een samenbundelende nationaliteit en diverse talen en gewoonten, moet toch een weldadig effect voor de eenheid hebben.
Maar ook: eindelijk is de creatieve daad een individuele en universele ervaring, en daarvoor hebben we vrije ruimte nodig - andere permutaties van dynamische harmonie, van kritiek en afvalligheid en anarchie. De verschillende disciplines, de problemen, en tot op zekere hoogte zelfs de onderwerpen en motieven van de creativiteit zijn overal en altijd hetzelfde geweest. En altijd en overal heeft men die activiteiten in sociaal en economisch opzicht als luxe beschouwd, en zelfs als een last voor de maatschappij. Maar sinds de tijd dat de mens is begonnen naar zichzelf te kijken, is de creativiteit de bedolven ademhaling van de gemeenschap, de keuzemogelijkheid die we hebben om te praten tegen het duister, het aangeboren geloof dat we leven van dood tot dood, van nergens naar niets, dat we daaraan gestalte geven in een exploratie van het leven.
LATEN WE ONS niets aantrekken van de vertoning die wordt gegevent door oude vossen van de academie of jongere politieke commissarissen die een hoge borst opzetten: wanneer de ketel kookt, is het heel gewoon dat het schuim omhoog komt. Maar we zullen ons moeten verzetten tegen het 'verlangen naar waanzin’ van de organisatoren, zoals Lionel Abrahams ons vermaant in een recent nummer van het tijdschrift Leadership. Hij zegt: 'Ze hebben verscheidene “structuren” in het leven geroepen om voor de cultuur te zorgen, en ze hebben ontelbare plannen, voorstellen en goed gefundeerde voorspellingen opgesteld, die allemaal lijken te berusten op een vooronderstelling dat activiteiten als het schrijven van gedichten, romans, toneelstukken, het maken van beeldhouwwerken, schilderijen en muziek worden geregeerd door het resultaat van theoretische debatten en gemeenschappelijke beslissingen, terwijl dat toch uitsluitend een kwestie is van keuze en ontdekking door individuele kunstenaars.’
De kwaliteiten van dit land moeten nog steeds worden opgesomd, met name onder de sombere vleugel van onze eeuw, nu een laaghangende hemel de bomen zwaarder maakt. Als de mist optrekt, moeten we toch maar naar het strand gaan. We moeten luisteren naar de verborgen verhalen van de bergen en de voetafdrukken ontcijferen van degenen die hier eerder waren, die verdwenen zijn en alleen sporen hebben achtergelaten, die ervoor hebben gekozen zich niet te laten afstompen door de vernietigende macht om de schande van de heerschappij te behouden. Omdat we de macht nog ongedaan moeten maken - niet door een of andere tegenkracht, maar in de bewuste en de onbewuste stroom van verdraagzaamheid en harmonie. Dier, mens, god - met tekortkomingen en met angsten, maar ook wetend dat we onszelf hebben gedroomd, als eigen baas van de transformatie, allemaal moeten we telkens en telkens weer leren hoe het licht de holte van de duisternis aanneemt, hoe de stilte het hart binnendringt om in woorden te veranderen. En de luide lach, zoals Nietzsche heeft geschreven, als een lyrisch visioen van de werkelijkheid, is misschien de enige reddingslijn die ons is gegeven teneinde gelijkheid te vestigen tussen de leegte, het grote onbekende, en ons hier-en-nu.
NA DE VERKIEZINGEN - een voorlopig postscriptum. Er hangt een meeslepend gevoel van vrolijkheid in de lucht. Het centrum is uiteengevallen en de nieuwe kern heeft zich nog niet duidelijk afgetekend. We hebben het gevoel in een moment van historische versnelling te zitten. Misschien is het een illusie.
Dit zijn eigenlijk geen verkiezingen, maar eerder een nationale oefening met twee bedoelingen. Ten eerste de doodsteek voor de apartheid, al is het maar symbolisch. Ten tweede het inprenten van een fundamentele praktijk van democratie door alle mensen erbij te betrekken, in een bundelende handeling van burgerlijke verantwoordelijkheid. Men voelde een wankele, waarschijnlijk voorlopige erkenning van een gedeeld bestaan als natie. Misschien een zucht van opluchting, of hoop.
De bevolking bleek op een schitterende manier bereid van hun recht gebruik te maken door te gaan stemmen. De overheid, slecht voorbereid, werd overweldigd. Het is trouwens overduidelijk geworden dat het politieke establishment, van wat voor ideologische kleur ook, het Zuidafrikaanse volk niet waard is. Het plaatsen van bommen lijkt te zijn gestopt, maar er hangt nog veel geweld in de lucht. De uitslag zal vast en zeker worden aangevochten. Geen twee revoluties lijken op elkaar. Wanneer het stof is neergedaald, en wanneer het profiel van de nieuwe macht zich heeft afgetekend, zal het, zo geloof ik, nodig worden een heldere afbakening te geven van de kritieke rol die kunstenaars en intellectuelen moeten spelen terwille van een sterke burgerlijke maatschappij. We zullen zonder oogkleppen (en zonder met onze ogen te knipperen) moeten kijken naar de politieke en sociale realiteiten die we erven.
We zullen moeten leren hoe het denken wordt gesmeed in actie; dat we veroordeeld zijn door te gaan onszelf uit te vinden; dat we er niet aan kunnen ontkomen telkens weer de tanden te zetten in het fundamentele bot van eenheid, geconstrueerd uit een weelde aan verschillen. Die centrale dialectiek zal beslissend zijn voor onze articulatie van de macht, voor de manier waarop we grenzen trekken. Die door de schrijvers zullen worden overschreden…
Uit: New York Review of Books, 26 mei 1994, gebaseerd op Breytenbachs toespraak op 14 februari 1994 op de universiteit van Pretoria, ter nagedachtenis van de schilder Walter Battiss.
Vertaling: Tinke Davids