Rockers en andere staatsvijanden in Chaoyang-park

Bericht uit Peking

Dat de Volksrepubliek China een imponerende stroom klassieke musici voortbrengt is in het Westen bekend en geldt voor sommigen zelfs als schrikbeeld. Ook een hedendaagse Chinese componist als Tan Dun geniet bij ons een behoorlijke reputatie, mede dankzij cultuuruitwisseling bevorderende activiteiten als het Amsterdam China Festival (2005) en zijn uitstapjes naar de filmwereld – hij tekende onder meer voor de muziek van Crouching Tiger, Hidden Dragon van Ang Lee en The Banquet van Feng Xiaogang.

Het is niet meer dan logisch dat een deel van de hedendaagse Chinese jeugd, de eerste generatie jongeren die volledig is blootgesteld aan de westerse cultuur, zich stort op pop- en rockmuziek. Er is eigenlijk al sprake van een historie van enkele decennia. Maar een naam als Cui Jian (de vader van de Chinese rock-’n-roll/yaogun yue), toch al sinds de jaren tachtig actief, zal de meeste westerlingen niets zeggen.

Misschien komt dit omdat veel Chinese musici rockmuziek overnemen zonder schijnbaar enig besef van onze popcultuur en van de context waarin bepaalde stijlen ontstonden. Dat kan qua originaliteit fataal zijn, anders dan in de wereld van de klassieke muziek waar toch al veel minder creatieve drang bestaat.

Zo was Cui Jian, inmiddels een oude rockster, naast Nine Inch Nails de hoofdact van de derde editie van het Beijing Popfestival (waar overigens zeker zo veel westerlingen als Chinezen op af kwamen) in het Chaoyang-park vorige maand. Het moet gezegd dat zijn fusie van jazz, funk en pop aangenamer klonk dan het geluid dat collega’s als de Chinese rockformatie PK-14 en vooral de erbarmelijk slechte Marky Ramone (iemand wiens muziek alleen nog maar aan te horen is bij de gratie van haar context) voortbrachten. Maar het muzikale gedeelte van de liedjes van Cui Jian bestond op zich uit niets anders dan de geijkte riffs en akkoordenschema’s. Van een icoon mag je toch wel iets meer verwachten. Zelfs Bob Dylan geeft, dankzij zijn onnavolgbare timing en ritmes, een volledig eigen draai aan vertrouwde folk- en bluespatronen. Wellicht dat Cui Jian’s teksten van een ander niveau zijn (helaas is mijn Mandarijn nog niet goed genoeg om dat objectief te kunnen beoordelen), maar zijn geschreeuw en stemgeluid maken het weinig aanlokkelijk om die te gaan ontcijferen.

Toch zou je denken dat het gebrek aan historisch besef bij het overbrengen van westerse popmuziek naar China niet een probleem zou moeten zijn. Er zijn genoeg lokale misstanden om tegen te protesteren, situaties die in het Westen vroeger bijna garant stonden voor nieuwe muzikale verkenningen. Cui Jian werd ten tijde van de Tiananmen-crisis naar aanleiding van een als provocerend opgevatte song weliswaar een speelverbod opgelegd, maar het betreffende nummer had muzikaal gesproken niets vernieuwends.

Natuurlijk is dat ook niet een vereiste, maar het is jammer dat daadwerkelijke individuele expressie en creativiteit in het bijna postcommunistische China nog steeds niet erg worden gewaardeerd. Dat er tegenwoordig ruimte is voor een heus popfestival in de hoofdstad van de Volksrepubliek – met nota bene Public Enemy als een van de grootste acts – is echter wel een flinke vooruitgang. Misschien moeten we daar voorlopig maar tevreden mee zijn: dat er überhaupt rock wordt gecreëerd in een land waar veertig jaar geleden welke culturele en individuele uitspatting dan ook werd gevolgd door een executie. En dan vergeten we maar even de rock-’n-roll onterende vip-plaatsen op de eerste rij.

http://www.cuijian.com/

Felix van Cleeff (bachelorstudent Sinologie) verblijft momenteel in Beijing. In de aanloop naar de Olympische Spelen van 2008 doet hij verslag van de culturele ontwikkelingen aldaar.