Commentaar

Bericht van een grachtengordelblaadje

Medium gorilla 24 2009

HOE TE SCHRIJVEN OVER GEERT WILDERS? In de mediacratie zitten politiek en media in hetzelfde schuitje: hoe om te gaan met de geblondeerde populist? Negeren is niet het antwoord. Dat getuigt van smetvrees of roekeloze hoogmoed. Hard terugslaan dan? Maar wij behoren tot ‘de elite die de weg volledig kwijt is’, De Groene is een ‘grachtengordelblaadje’, gemaakt door doctorandussen, de meeste overigens zonder designerbril. Met morele verontwaardiging schrijven over Wilders is meer dan preken voor eigen parochie, het is schrijven vanuit de verdediging, het zou een pavlovreactie zijn.
Natuurlijk roepen Wilders en zijn kornuiten onbehagen op. Ze lopen door de gangen van de macht als een breedgeschouderde knokploeg, strak in het pak, immer kwade blik. Jacques de Kadt omschreef de kern van het fascisme in De deftigheid in het gedrang (1936) als ‘in auto’s rijen en brullen’. Volgens De Kadt houden de fascisten het graag simpel: ‘Smak ze neer de rooien, die de rede willen doen heersen in plaats van de macht, en trap ze weg, de intellectuelen…’ Het klinkt bekend: Wilders die Hilversum wil ‘schoonvegen’, linkse journalisten de neus wil afhakken of anders wel naar Noord-Korea sturen, en vindt dat de coalitiepartijen ‘hun biezen moeten pakken’. En verder moet het ‘Marokkaanse tuig’ het land uit worden gezet. En niet alleen de criminele moslims, ook de gelovigen, want de islam is ‘een gewelddadige religie’. Of zoals Wilders het in de Volkskrant zei: ‘Iedereen past zich aan onze dominante cultuur aan. Wie dat niet doet, is hier over twintig jaar niet meer.’
Het wordt leeg in Nederland, als Wilders zijn zin krijgt.
De ontwrichtende werking van het nieuwe populisme werd voor het eerst zichtbaar op 7 maart 2002, toen een historisch debat plaatsvond tussen de toenmalige partijleiders en de winnaar van de Rotterdamse gemeenteverkiezingen Pim Fortuyn. Vanuit het niets had zijn partij Leefbaar Rotterdam zeventien zetels gekregen. De studiosessie liet zich aanschouwen als een briljant toneelstuk met dossiervreter Ad Melkert als het ultieme slachtoffer van de flamboyante overwinnaar. Met zijn hautaine gedrag en stuurse lichaamshouding luidde hij zijn ondergang als PVDA-leider in. Op Balkenende na stapten daarna bijna alle partijleiders uit de politiek. Ze hadden voor Fortuyn gewaarschuwd, met alarmerende verwijzingen naar Anne Frank en het Derde Rijk, de turbulentie na de dood van Fortuyn kostte ook hen de kop.
Het blijkt slechts de eerste akte te zijn geweest. De nieuwe partijleiders kregen opnieuw te maken met een luis in de pels, van een sluwer en nog ‘vulgairder’ slag. Vorige week herhaalde zich het tafereel van zeven jaar geleden tijdens het slotdebat, met Wilders als de niet te negeren overwinnaar van de Europese verkiezingen en Hamer als de gekwelde verliezer. Haar ogen schoten heen en weer van paniek. Net als bij Melkert gaf alleen al haar lichaamstaal haar onmacht aan. Ze had ook geen tekst. Terwijl Wilders onomwonden sprak over ‘het Marokkaanse tuig’, kwam Hamer, nu de PVDA het woord ‘allochtoon’ heeft afgeschaft, niet verder dan het omfloerste ‘groepen mensen’.
Onbehagen en onmacht, het zijn allicht de meest gebruikte termen als het gaat over de opmars van de fortuynisten en de wildersianen. Onbehagen over de politicus als straatvechter, die zijn opponenten met een anti-agenda en polariserende strategie in het nauw brengt. Onmacht omdat zijn opruiende manier van politiek bedrijven maakt dat de politieke elite zich telkens weer overdonderd in bochten wringt om de zoveelste provocatie te weerstaan.
Maar onbehagen en onmacht zijn, au fond, niet meer dan emotionele kreten. Van de Fortuyn-revolte hebben politici en journalisten al geleerd dat afkeer niet leidt tot groter inzicht en beter begrip van de populist en, veel belangrijker nog, zijn kiezers. Wilders mag zelf graag suggereren dat hij wordt ‘gedemoniseerd’ en foeteren over het ‘linkse cordon sanitaire’, eerder gaat de gevestigde politiek beleefd voor hem door de knieën. Zie hoe hij bij het laatste verkiezingsdebat alom werd gefeliciteerd en hoe Mark Rutte hem amicaal tutoyeerde en op de schouder sloeg. Zie hoe de (voorheen) grote middenpartijen in het debat over integratie tegen de PVV aanschurken of zich drukken. Maar of die dubbelhartige omhelzing populisten meer aan het wankelen brengt dan morele diskwalificatie is zeer de vraag.
Beter is lessen te leren van de zegetocht van Wilders. De eerste lessen zijn ook al getrokken. Het profiel van de opstandige burger is minder amorf dan toen Fortuyn de ‘oude’ politiek de wacht aanzegde. De Fortuyn-kiezer is getypeerd als de burger die wordt gedreven door een mengsel van angst, haat en gezond verstand. Het is allemaal uitentreuren beschreven: de haat tegen de ‘linkse kerk’, tegen de regenteske achterkamertjespolitiek, tegen de bestuurlijke elite die alles met elkaar bedisselt over de hoofden heen van de hardwerkende lage middenklasse – de backbone van de samenleving. De angst voor laagopgeleide allochtonen die het kapitaal van de verzorgingsstaat opvreten, voor de islamisering van Nederland en voor de banenpikkers uit Oost-Europa. De verstikkende deken van politieke correctheid die lag over integratie. En hoe onder Paars de middenpartijen een politiek kartel vormden dat elk onwelgevallig debat meed. Dit tezamen heeft onomkeerbaar de overtuiging wakkergemaakt dat je als gewone burger ‘de lul’ bent van een bestuurderselite die de hardwerkende middenklasse minacht en zich te laf toont om eisen te stellen aan migranten.
Maar dat de meeste partijen deze lessen inmiddels op hun duimpje kennen – de integratienota van de PVDA had door Fortuyn zelf geschreven kunnen zijn – lijkt er bijna niet toe te doen. De spreekwoordelijke kloof tussen burger en politiek is nog lang niet gedicht. Troostrijk is allicht dat in heel Europa politici worstelen met deze maatschappelijke krachten en met hun legitimiteit.
Veel mensen voelen zich niet meer vertegenwoordigd door de politiek, dat is zo langzamerhand een politiek feit. Hoogleraar bestuurskunde Mark Bovens wijst er in zijn boek over de ‘diplomademocratie’ op dat de politieke elite meer dan ooit uit doctorandussen bestaat en dat laagopgeleiden (meer dan de helft van de Nederlandse bevolking) zich buitengesloten voelen. Hoogopgeleiden maken zich, blijkt uit onderzoek, druk om andere zaken dan laagopgeleiden. Ze struikelen meer over de grove stijl van de populisten, zijn meer politiek betrokken en voelen minder de crisis van de representatie. Inderdaad is slechts twee procent van de aanhang van Wilders academisch geschoold.
Hoe te schrijven over Wilders? Liefst met zo groot mogelijke sociologische nieuwsgierigheid. Natuurlijk moeten Wilders’ grove generalisaties met feiten worden weerlegd, zijn voorstellen die tegen de grondwet indruisen keer op keer ontmaskerd, en de consequenties van zijn stellingnamen steeds weer uitgespeld. Wilders viel stil tijdens het debat vorige week toen Alexander Pechtold hem vroeg wat hij vond van Obama’s verzoenende houding naar de moslimwereld. Kan ‘Brussel’ ophoepelen? De kiezers in Volendam zitten dankzij de Europese Centrale Bank straks niet massaal zonder werk. De Koran verscheuren? Dat zou de opmaat zijn van een niet te beteugelen actie-reactie-spiraal die Nederland tot de risee van de wereld maakt.
De media moeten Wilders niet tot journalistieke persona non grata verklaren. Omgekeerd moeten ze ook niet elke pseudo-gebeurtenis rond Wilders breed over het voetlicht brengen, zoals bij zijn vergeefse reis naar Engeland. Het is een cliché, maar we moeten Wilders’ kiezers serieus nemen, in de overtuiging dat er in Nederland de komende jaren een strijd zal woeden die te vergelijken is met de Amerikaanse culture wars. En we moeten zo nuchter mogelijk kijken naar wat Wilders teweegbrengt. In het geval van Fitna bleek hij, onbedoeld, ook een hardhandige vroedvrouw, die moslims tot gematigdheid en een redelijk weerwoord aanzette. Het is niet uit te sluiten dat hij in sommige opzichten een nuttig breekijzer zal zijn.