Berichten uit 1806 ‘meer dan een oorlog vreest de hoofdpersoon een druiper’

De Italiaanse historicus Alessandro Barbero heeft iets met het Pruisen van de achttiende eeuw. Hij wijdde er een verrassend geestige roman aan. Over een verknipte adelstand en gepantoffelde helden. ‘Ik heb echt niets verzonnen.’
Alessandro Barbero, Het mooie leven en de oorlogen van anderen - of de avonturen van Mr. Pyle, gentleman en spion in Europa. Uit het Italiaans vertaald door Arnan Oberski, Jan van der Haar en Anneke Los, uitgeverij Bert Bakker, 518 blz., 355,-
HET ACHTTIENDE-EEUWSE Pruisen wordt algemeen beschouwd als de standenstaat bij uitstek en de bakermat van het Duitse militarisme dat in de eerste helft van onze eeuw zo veel schade heeft aangericht. Wie het maatschappelijk denken en het dagelijks leven in het koninkrijk Pruisen grondig bestudeert, moet deze mening echter gedeeltelijk herzien. Het omvangrijke Pruisische leger fungeerde niet alleen als oorlogsmachine, maar ook als een sociaal vangnet. Veel Pruisen stonden bovendien welwillend tegenover de ideeën van de Franse Revolutie. Toen het land in 1806 in oorlog kwam met Frankrijk beschouwden veel Pruisische officieren Napoleon als de verrader van de revolutionaire idealen en zichzelf als de beschermers ervan.

De Italiaanse historicus Alessandro Barbero verdiepte zich jarenlang in de vele dagboeken, reisverslagen en correspondenties die de Pruisische adel met kwistige hand publiceerde. Op basis daarvan schreef hij een lijvige roman met een al even lijvige titel: Het mooie leven en de oorlogen van anderen - of de avonturen van Mr. Pyle, gentleman en spion in Europa.
Aan de vooravond van Napoleons veldtocht tegen Duitsland komt Mr. Pyle als gezant van de regering van de Verenigde Staten naar Berlijn. Hij is zowel diplomaat als spion en heeft van zijn broodheren in Washington de opdracht uit te vinden hoe de Pruisen zullen reageren op de nieuwe veroveringsplannen van de Franse keizer. Zullen ze zijn kant kiezen en als dank daarvoor nog meer kleine Duitse vorstendommen opslokken, of zullen ze juist tegen hem ten strijde trekken - hetgeen de Amerikaanse president eigenlijk hoopt.
Pyle reist over stoffige wegen van Amsterdam naar Königsberg en van Warschau naar Dresden. Hij ontmoet norse herbergiers en willige diensters, stokoude generaals en enthousiaste onderofficieren, evenals een hele stoet beroemdheden, van de tot over zijn oren verliefde Von Clausewitz tot de babbelzieke filosoof Fichte en zelfs een van de gebroeders Grimm. De oorlog blijkt onafwendbaar, maar het is inderdaad de oorlog van anderen en niet die van Pyle, de levensgenieter bij uitstek en misschien wel de enige normale persoon in deze boeiende en bovenal zeer geestige historische roman.
De 37-jarige Alessandro Barbero is van huis uit historicus en is verbonden aan het Middeleeuws Instituut van de universiteit van Rome.
WAAROM HEBT U als mediëvist een roman geschreven die in de napoleontische tijd speelt? Dat is toch niet logisch?
‘Mijn collega’s op het Middeleeuws Instituut zouden het me niet in dank afnemen als ik een roman schreef die betrekking had op hun vakgebied! Maar de belangrijkste reden is dat ik aan Het mooie leven en de oorlogen van anderen begonnen ben bij wijze van hobby. Aanvankelijk was ik zelfs helemaal niet van plan het boek te publiceren. Anderen hebben me daartoe aangezet.’
Mr. Pyle heeft de opdracht informatie te verzamelen. Het is opvallend hoe moeizaam hij correcte en hoe makkelijk hij valse informatie loskrijgt. Het is een hele prestatie om in Pruisen een buitenlandse krant te vinden. Als het dan eens lukt, is die weken oud. Waarom was dat destijds zo'n probleem?
'Er waren natuurlijk logistieke problemen. Bovendien bestond er in bijna elk land een vorm van censuur. Dat kostte ook weer tijd. Geruchten hadden veel minder tijd nodig om verspreid te worden, en natuurlijk waren ze heel vaak vals. Toch werden ze opvallend vaak serieus genomen.
Op basis van geruchten over een mobilisatie van de Franse troepen in het Rijnland besluit de Pruisische koning Frederik Willem tot de algemene mobilisatie van zijn eigen leger. Eer het goed en wel duidelijk is dat de Fransen geen vin hebben verroerd en het gerucht dus vals is, zijn er tienduizenden reservisten opgeroepen. Dat kost veel geld, zoals een Berlijnse apotheker tegen Pyle klaagt, maar de koning heeft geen keus. Niet alleen geruchten, ook kranten zijn namelijk onbetrouwbaar. Iedereen speculeert er op los, en uit alle tegenstrijdige berichten moet je de waarheid zien te distilleren.’
OVER BEPAALDE personen krijgt Pyle echter wel heel vreemde dingen te horen, zoals over generaal Von Blücher, die volgens zijn ondergeschikten in wezen krankzinnig was en in de veronderstelling verkeerde dat hij zwanger was van een olifant. Dat hebt u zeker verzonnen?
'Op de figuur van Mr. Pyle na heb ik eigenlijk niets verzonnen. Alles wat ik over bekende historische figuren beweer, heb ik uit historische bronnen geput. Generaal Von Blücher bijvoorbeeld kennen we nu nog slechts als de man die, samen met de Britse hertog Wellington, Napoleon versloeg bij Waterloo. Een groot militair dus. Althans, dat denken we, want in werkelijkheid heeft hij alle veldslagen verloren die hij tussen 1806 en 1815 heeft geleverd. Hij was misschien wel de slechtste tegenstander die Napoleon ooit heeft gehad. Het is eveneens een vaststaand feit dat Von Blücher na Waterloo heeft geprobeerd de Pont de Jena in Parijs, de brug die de naam draagt van Napoleons overwinning bij de gelijknamige Duitse stad, op te blazen, en dat Wellington soldaten op de brug geposteerd heeft om dat te verhinderen. Een beetje gek was de man dus wel. Hoewel ik betwijfel of hij inderdaad zwanger was van een olifant - een zwangerschap die hij zou hebben overgehouden aan een affaire met een Franse grenadier - heeft hij dat volgens enkele van zijn tijdgenoten wel gedacht. Ze hebben het tenminste genoteerd In hun brieven en dagboeken.’
U weet zoveel details over het seksuele leven van de Pruisen. Schreef men zo openhartig over wat zich binnen de beslotenheid van de slaapkamer afspeelde?
'We moeten niet vergeten dat mijn roman zich afspeelt vóór het victoriaanse tijdperk. Het revolutionaire Europa was in veel opzichten nog tamelijk libertijns. Men ging niet alleen veel vrijer om met seks, maar praatte en schreef er ook veel makkelijker over dan in de negentiende en zelfs in het grootste deel van de twintigste eeuw het geval was. Von Clausewitz schreef niet alleen imposante boeken over krijgskunst, maar ook prachtige liefdesbrieven. De homoseksuele voorkeur van Frederik de Grote was, hoewel er wat denigrerend over gesproken werd, bepaald geen geheim, en koning Frederik Willem werd in de Berlijnse salons openlijk bespot omdat hij verliefd was op zijn eigen vrouw. Vandaar ook dat ik Pyle door Pruisische officieren en prinsen geregeld laat meenemen naar een bordeel. Hij kent geen enkele valse schaamte daarover en hij ziet er bovendien geen been in na een bevredigend verlopen bordeelbezoek nog een dienstmaagd of zelfs een straatventster te verleiden. Tenslotte is hij welgesteld en behept met een sterk ontwikkeld libido. Zelfs als hij enige tijd een maîtresse heeft, gravin Victoire, wier schoonheid alleen wordt ontsierd doordat haar gelaat enigszins door de pokken is geschonden, blijft hij naar de hoeren gaan. Het enige wat hem zorgen baart is dat hij wellicht een geslachtsziekte zal oplopen. Meer dan een oorlog vreest hij een druiper, en aan het eind van het boek, wanneer de Fransen zegevieren bij Jena, is het eindelijk zover. Dat er een overeenkomst is tussen de militaire nederlaag van de Pruisen en de seksuele van Pyle is me trouwens pas later opgevallen. De auteur Aldo Busi heeft me daarop gewezen.’
Het doorsneebeeld van Pruisen is dat van een militaristische standenstaat, maar het beeld van Pruisen dat uit uw roman naar voren komt is veel positiever. Het leger blijkt niet alleen een vechtmachine, maar ook een sociaal vangnet. Toch leken Frederik de Grote en zijn opvolgers niet zo vooruitstrevend in dit opzicht. Hoe verklaart u dit?
'Ik wil het militaristische karakter van Pruisen zeker niet ontkennen. In een land dat een dienstplicht van twintig jaar kent, kun je dat trouwens moeilijk doen. Maar het leger fungeerde inderdaad niet alleen als vechtmachine, maar verschafte ook werk en onderdak. Het hield - letterlijk en figuurlijk - velen van de straat en bezorgde in de oorlog invalide geworden soldaten en officieren een zorgeloze oude dag. De verlichte despoot Frederik de Grote beschouwde zichzelf als de eerste dienaar van de staat en maakte zichzelf, en dus al zijn onderdanen, daarmee in zekere zin ondergeschikt aan een instantie die boven iedereen stond. Iedereen, inclusief hijzelf, moest alles overhebben voor de staat, waarbij overigens moet worden aangemerkt dat dit vooral gold voor de onderdanen en hijzelf geen afstand deed van zijn koninklijke voorrechten.
Aangezien het leger de belangrijkste steunpilaar van de staat was, moest iedere burger aan de instandhouding ervan bijdragen en dit had in sociaal opzicht enkele positieve bijkomstige gevolgen. Zo draaiden de hogere officieren op voor het onderhoud van de officieren van lagere rang en was ieder huisgezin verplicht minimaal twee soldaten onderdak te verlenen. In Berlijn kregen deze soldaten meestal de voorkamer toegewezen, dus die aan de straatkant. Het straatbeeld werd daardoor bepaald door honderden soldatenbroeken die uit ramen te drogen hingen. Als voetganger kon je bovendien beter niet te dicht langs de huizen lopen, aangezien veel soldaten de onhebbelijke gewoonte hadden uit het raam te urineren.’
NIETTEMIN MOETEN de kosten van zo'n groot leger zwaar op de staatskas hebben gedrukt.
'Dat deden ze, en aangezien de staatskas van Pruisen sinds de tijd van de zevenjarige oorlog een chronisch tekort vertoonde, werd er stelselmatig bezuinigd op de uitrusting van de soldaten. Veel soldaten droegen onder hun uniformjas geen hemd, maar slechts een front, en hun geweren verkeerden in slechte staat. De overdreven aandacht voor exercities en discipline had dan ook ten dele tot doel deze tekortkomingen te verhullen. Op een gegeven moment mag Pyle in een afgelegen garnizoensplaats samen met de kolonel de troepen inspecteren. Het valt hem op dat de lopen van de geweren glanzend gepoetst zijn, maar dat de rest van het wapentuig zo verroest is dat het waarschijnlijk al bij het eerste schot zal exploderen.’
En waren de generaals, net als Von Blücher, zo vervreemd van de werkelijkheid dat ze dit soort tekortkomingen niet zagen?
'Pruisen had in de loop van de achttiende eeuw bijna voortdurend oorlog gevoerd - met de Zweden, de Oostenrijkers, de Polen, de Fransen… met half Europa. In het jaar waarin mijn roman zich afspeelt, 1806, leefde het land al jarenlang in vrede, omdat koning Frederik Willem, anders dan zijn voorganger, geen oorlog zocht. Zijn onderdanen waren hem daarvoor dankbaar, zijn generaals niet. Die waren niet opgewassen tegen zo'n lange periode van nietsdoen, want wat moet je met een immens leger dat geen vijand heeft? Ze lieten de soldaten eindeloos exerceren, deelden straffen uit wanneer hun haren niet de verplichte lengte hadden, en lieten de paarden zo vaak roskammen dat ze bijna kaal werden.
Sommige generaals gingen daar zo volledig in op dat ze ook na hun pensionering op zeventigjarige leeftijd geen afstand konden nemen van het militaire leven. Ik laat Pyle er een bezoeken die op zijn kasteel twintig invaliden herbergt, uitsluitend met de bedoeling ze elke morgen op de binnenplaats op appèl te laten verschijnen. Dat had hij afgekeken van zijn neef, Frederik de Grote, die al op jeugdige leeftijd om dezelfde reden de beschikking kreeg over twintig kinderen.
De lange periode van vrede had ook nefaste gevolgen voor het tactisch denken. Generaal Von Bülow bijvoorbeeld publiceerde een boek waarin de krijgskunst geheel werd teruggebracht tot wiskunde. Een veldslag winnen was nog slechts een kwestie van schuiven met vlakken en lijnen, een kwestie van goed rekenen. Von Clausewitz rekende genadeloos af met dergelijke onzin, maar hij had niet genoeg invloed.’
PYLE BEHOORT TOT de republikeinse partij en is mede op grond van zijn conservatieve en racistische overtuigingen anti-Frans, maar veel van de Pruisen die hij ontmoet, geven blijk van jakobijnse opvattingen en zijn tegen Napoleon omdat hij de idealen van de Franse Revolutie heeft verraden. Heeft dat u als professioneel historicus verrast?
'Eerlijk gezegd wel. Ik had voor ik aan dit boek begon net als iedereen een nogal strak omlijnd beeld van wie er voor en wie er tegen de ideeën van de Franse Revolutie waren. Napoleon mocht ze dan verraden hebben, hij bleef zich erop beroepen en zal er ook nog wel in hebben geloofd. De Pruisen, Britten en Oostenrijkers leefden echter in feodale staten en werden in hun onafhankelijkheid bedreigd door de ambitieuze Franse keizer. Zij moesten dus wel tegen die idealen zijn.
In werkelijkheid blijkt het jakobijnse ideeëngoed veel meer gemeengoed te zijn geweest dan we tot nog toe hebben aangenomen. Het lag veel genuanceerder dan we altijd dachten, en de werkelijkheid kon nog verrassender zijn. De monarchistische Pruisen golden als dictatoriale heersers, de republikeinse Polen als de meest idealistische vrijheidsstrijders. Toch was een boer in de praktijk veel beter af onder het bewind van het Pruisische leger dan onder dat van de Poolse landadel, die hem veel zwaarder onderdrukte en uitbuitte dan de Duitsers. Pyle constateert het met verbazing, in mijn plaats, en hij is nog verbaasder wanneer hij ontdekt dat hij er zelf ook bepaalde jakobijnse gedachten op nahoudt.’
In uw roman doen sommige personages zeer accurate toekomstvoorspellingen, over de vereniging van Duitsland onder Pruisisch leiderschap, de opkomst van Japan en Amerika in de komende eeuw, en een conflict tussen Duitsland en Rusland. Die voorspellingen komen zeker uit uw koker, met de bedoeling een literair spel te spelen?
'Integendeel, als ik een spelletje had willen spelen met de lezer had ik mijn personages de meest fantastische dingen laten voorspellen. Ik heb deze accurate uitspraken opgenomen omdat ik ze inderdaad heb gelezen. Het geeft een vreemd gevoel wanneer je leest dat een Pruisische jonker of een Poolse boer zich aan een voorspelling waagt die precies is uitgekomen, maar ik moet eraan toevoegen dat ik ze gevonden heb tussen een heleboel onzinnige uitspraken, en daarvan heb ik er ook heel wat opgenomen. Ik heb getracht het leven en denken in de napoleontische tijd weer te geven zoals het werkelijk was. Het bleek heel wat meer bizar, maar daardoor naar ik hoop ook boeiender te zijn dan ik tot nog toe had gedacht.’