Berichten uit de dodencel

JESSY SAN MIGUEL moet vreemd hebben opgekeken toen hij in maart 1994 een brief uit Nederland kreeg. Drie jaar lang zat hij al in de dodencel in Huntsville, Texas. Gelaten telde hij zijn dagen af. Monotone dagen, slechts zelden opgevrolijkt door bezoek van een familielid. En dan was daar ineens die aandacht vanuit Nederland.

Manon van den Berg (33) was aan Jessy’s adres gekomen via Amnesty International. De Rotterdamse wilde graag corresponderen met een gevangene in een dodencel. ‘Ik wilde hem laten merken dat hij nog steeds een mens van vlees en bloed is. Ik heb jaren gewerkt met slachtoffers van seksueel misbruik, en dan leer je dat ook daders een menselijke kant hebben’.
In haar eerste brieven aan Jessy geeft ze blijk van haar onvoorwaardelijke steun: 'Ik zal er altijd voor je zijn. Het is zo makkelijk om iemand te laten vallen die zware tijden doormaakt, maar zo ben ik niet. Ik zal je niet in de steek laten.’ Ze moedigt Jessy aan zijn ervaringen op te schrijven: 'Praat erover. Gebruik pen en papier, dat is je gereedschap. Het maakt me niet uit of je boos wordt in je brieven. Ik kan er wel tegen.’
Het was het begin van een lange stroom brieven van Jessy, niet zelden veertien kantjes per keer. Brieven waarin de Mexicaanse Amerikaan uitlegt hoe hij in de dodencel is terechtgekomen.
JESSY SAN MIGUEL pleegt op 26 januari 1991 samen met een blanke vriend een overval op een Taco Bell fast food-restaurant in een buitenwijk van Dallas. De roofoverval loopt uit de hand: drie personeelsleden en een familielid worden dood teruggevonden in de koelruimte van het restaurant. De politie beschouwt Jessy als de schutter, ondanks zijn hardnekkige ontkenning. Ook de jury acht hem schuldig en Jessy krijgt de doodstraf. Hij wordt geplaatst in de afgelegen Ellis-gevangenis in Huntsville. Een zwaarbewaakt complex, waar honderden lotgenoten op hun executie zitten te wachten.
In 1994 schrijft Jessy aan Manon: 'Ons celblok is dag en nacht gevuld met langgerekte schreeuwen. Vaak zijn twee of drie gevangenen tegelijk aan het gillen om de pijn te verlichten, om de frustraties eruit te gooien, na jaren van misbruik en verwaarlozing. Ik hoor ze vechten met hun demonen; ze schoppen tegen de muren en slaan tegen metaal. Nu, na jarenlang geteisterd te zijn door het gegil, voel ik hoe die geluiden zich ophopen in mijn lichaam, als kokend water in een ketel. En ik schreeuw terug: Verdomme, hang jezelf toch op! Sterf!’
De brieven uit Nederland helpen hem uit het dal. 'Ze vertelden me dat mijn dagen geteld zijn. Aanvankelijk kon me dat niet schelen. Ik keek zelfs uit naar het moment dat het voorbij zou zijn. Maar nu ken ik jou, en ik wil de strijd niet opgeven. Dankzij jou heb ik emoties gekregen die ik niet voor mogelijk had gehouden.’
Jessy vertelt in een van zijn brieven over een dierbare die is overleden: 'Gisteravond is opnieuw een vriend van mij geëxecuteerd. Ik voelde me echt verloren. Dan, vanmorgen… Het eerste wat gebeurde was dat mijn cel overhoop werd gehaald door de bewakers. Dat doen ze regelmatig, op zoek naar smokkelwaar. En dan zijn er nog steeds mensen die niet begrijpen dat je slechter uit de gevangenis komt dan je erin ging. Respect, daar draait het om. De doodstraf gaat in wezen over respect. Als je dat niet meer hebt, ben je eigenlijk al zo goed als dood!’
Op haar beurt maakt Manon Jessy deelgenoot van haar privé-leven. Ze vertelt over een vriendin die ernstig ziek was en koos voor actieve euthanasie. 'Ik voel me zo aangeslagen. Maar ik ben ook trots op Jetske dat ze de moed had om het te doen. (…) Op dezelfde dag dat ik bericht kreeg van haar overlijden, heb ik een pakketje van jou opgehaald van het postkantoor. Een cadeautje… Is dit toeval? Of is het een gebaar van Jetske? Hier zit ik dan, met jouw cadeau. Het is mooi en ik moet ervan huilen. En ik denk: mensen kunnen nog steeds bij je zijn nadat ze zijn overleden.’
DE UITVOERIGE correspondentie tussen de Amerikaanse gevangene en de Nederlandse krijgt een logisch vervolg. Manon van den Berg wil Jessy opzoeken. Ze schrijft hem: 'Een angstig gevoel bekruipt me, dat je dit leven verlaat zonder dat we elkaar ooit ontmoet hebben. Ik heb er lang over nagedacht, maar ik wil naar je toekomen om je te bezoeken. Ik wil je tonen dat ik werkelijk om je geef…’
Manon neemt in november 1994 het vliegtuig naar Texas. Het is een onwezenlijke rendez-vous tussen twee penvrienden. Jessy wordt aangevoerd met handboeien om. Hij wordt in een stalen kooi geleid waarvan één zijde bestaat uit gewapend glas en een rooster. Daarachter zit Manon. Door de gaatjes van het rooster kunnen ze met elkaar praten, maar aanraken is onmogelijk. Manon: 'De ontmoeting was eerst heel nerveus, onwennig, maar het ijs was snel gebroken omdat we inmiddels al veel van elkaar wisten door de brieven.’
De Rotterdamse bezoekt Jessy daarna nog vier keer, voor het laatst in september vorig jaar. Haar vakantiedagen gaan bijna volledig op aan deze reizen. 'Ik beschouw het zeker niet als een obsessie, louter als een goede vriendschap. Maar ik moet toegeven dat het een wat andere vakantie is dan in bikini op het strand.’
Ze heeft op 5 september jongstleden samen met hem zijn verjaardag gevierd. 'Ik heb voor hem gezongen. Dat wilde hij eigenlijk niet, uit verlegenheid, maar ik heb het toch gedaan. Stel je voor: die kille bezoekersruimte, met de gevangenen in stalen kooien, de bewakers bij de deuren, hun wapen in de aanslag, en dan gaat daar ineens iemand “happy birthday” zingen. Iedereen keek ervan op. Een bewaker greep in, want het is verboden om te zingen. Maar één coupletje is me mooi gelukt.’
Jessy slijt zijn dagen met push-ups en lezen. Stephen King is zijn favoriete schrijver. Hij leest ook veel over paranormale verschijnselen, klampt zich vast aan verhalen over leven na de dood. Soms droomt hij dat hij vrijkomt en naar Mexico reist, op zoek naar zijn roots. Hij is van Azteekse afkomst. Ook Manon heeft zich inmiddels verdiept in de rituelen van de Azteken.
MANON VAN DEN BERG is geld aan het inzamelen en heeft inmiddels een team van advocaten bereid gevonden zich voor Jessy in te zetten. Zij hebben om heropening van het proces gevraagd.
Een van de advocaten is de Nederlander Bart Stapert. De 33-jarige jurist is werkzaam in de sloppenwijken van New Orleans. Stapert is ervan overtuigd dat het proces tegen Jessy in 1991 anders was gelopen als hij destijds een goede advocaat had gehad. 'Als kleurling zonder geld krijg je in Amerika een advocaat van de staat toegewezen. Die van Jessy heeft niets van de zaak gemaakt. Hij zag zijn cliënt voor het eerst op de zitting en ging eigenlijk zonder protest akkoord met de eis tot doodstraf.’
Eén ding staat vast: Jessy was betrokken bij de roofoverval. Twijfel bestaat er over de identiteit van de schutter. Stapert en zijn collega’s wijzen op een mogelijke deal tussen justitie en de blanke man die ook bij de roofoverval was betrokken. Het vermoeden bestaat dat de schuld van de schietpartij op Jessy is geschoven.
Stapert heeft nog meer pijlen op zijn boog: de officier van justitie zou zich tijdens het proces in 1991 racistisch hebben uitgelaten over Jessy, en ook de samenstelling van de jury zou in het nadeel van de verdachte hebben gewerkt.
Manon van den Berg zegt moed te houden. Ze blijft Jessy steunen, geïnspireerd door Helen Prejean, de non die haar ervaringen opschreef in Dead Man Walking. Maar de tijd dringt, want de Amerikaanse gevangenissen lijken bezig met een inhaalslag: het aantal executies is afgelopen jaar beduidend opgevoerd. In de gevangenis waar Jessy is ondergebracht, zitten 420 gedetineerden te wachten op executie.
Jessy heeft zelf regelmatig gezien hoe medegevangenen worden afgevoerd. Op 12 maart 1997 schrijft hij aan Manon: 'Vandaag is een sombere dag. Een goede vriend van mij, John Barefield, wordt geëxecuteerd. Ik zag hem net… Hij liep voor de laatste keer door de hal. Toen hij mijn cel passeerde, keken we elkaar enkele momenten aan. Die blik in zijn ogen: ik kan het niet beschrijven, maar zo had hij nog nooit gekeken. Het enige wat ik tegen hem kon zeggen was: Hou je taai, broeder. Terwijl hij van mij vandaan liep, zag ik hoe zijn wijsvinger naar de hemel was gericht. Hij lachte. Ik begreep het, en riep: Yeah, my brother, I’ll see you on the other side…’